Op onze vele rondjes door het dorp komen we ettelijke soortgenoten tegen. Sommige vind ik leuk, andere zijn vervelend. Dat hebben mensen vast ook wel.

Met Willie, een kleine bruine, en Happy, een kleine zwarte labradoedel kan ik heerlijk spelen en doerakken. Dan krijgen ze me niet meer mee en moeten ze noodgedwongen met het andere baasje mee de andere kant op lopen zodat we verder kunnen ravotten. Er zijn een paar grote honden die me niet zoveel interesseren maar ach, het is wel gezellig kletsen op zijn tijd. Een klein Keesje, ik weet haar naam niet eens, is verliefd op me. Ze wil steeds mijn oren likken. Wat moet ik daarmee?

Aan twee honden heb ik echt een bloedhekel. Een dikharige pikzwarte Chow-chow en een bruin-zwarte Cavalier spaniël. Die beginnen al van veraf tegen me te grommen en tja, dat kan ik niet op me laten zitten natuurlijk. Gelukkig lopen ze meestal een straatje om als ze mij aan zien komen. Er is namelijk maar één zo’n wolbaal op het dorp, ik ben goed herkenbaar.

Maar wat Ze nou toch weer heeft verzonnen! Komt er in ene een grote zwarte labrador in huis. Ik ken hem wel, een beetje een sulletje rozenwater maar wel vriendelijk. We zullen hem Frits noemen. De oen durft niet eens door de garage naar binnen, moeten ze helemaal omlopen door de tuin. Ik vind het maar raar, een ander beest op míjn terrein. Hij zal wel niet zoveel kwaad kunnen anders was hij vast niet uitgenodigd.

Maar dan! Dan gaat zijn baasje weg en laat ons met Frits achter! Het maakt hem niets uit. Gaat pontificaal op míjn kussen liggen. Maar wat doe ik ertegen? Hij is 30 kilo zwaarder dan ik! De bank is echter van mij, daar komt-ie echt niet op.

Dan is het tijd om te gaan lopen. Dat is lachen. Plotseling durft Frits wél langs de eend in de garage. Sterker nog, de uitloopriem rolt helemaal uit. Hij moet toch even wachten tot ze de deur open doet. En dan weer wachten tot de deur dicht is. Ik ben de braverik die dan op zijn gat gaat zitten, Frits snapt dat nog niet helemaal. Haar arm wordt uit de kom getrokken, zo hard probeert Frits te trekken. Riemen door elkaar natuurlijk, wat een chaos. Prompt zet ze de uitloopriem op een kort stukkie vast zodat Frits, in principe dan, naast haar moet gaan lopen. Hij trekt haar gewoon zowat omver. Als Frits aan een vaste riem zit, gaat het een stuk beter. Dan hebben we een mooi ritme samen.

Op het pad langs de vaart kan ze even rustig aan doen, dan mogen we los. Frits duikt de bosjes in, ik de andere kant het gras op. Ik waag me niet in die braamstruiken. Bij de weg aangekomen, worden we weer aangelijnd. Moegestruind lopen we nu wat rustiger.

Frits schijnt overal bang voor te zijn, voor trappetjes, bruggetjes, grote herders. Met mij als side-kick lukt hem alles. Ik ben namelijk nergens bang voor. Behalve voor het ijsbaanbosje, maar daar gaan we ’s winters nooit heen. Veel te modderig.

Bij andere mensen schijnt Frits niet te eten. Dus wat gebeurt er: er wordt een bak vol brokken voor hem neergezet waar ik niet aan mag komen. Ze sluit me op in de bijkeuken. Nu hij hoort hoe graag ik die brokken wil stelen, weet hij niet hoe snel hij de bak schoon leeg moet eten. Als troost krijg ik één brokje van hem. Heb ik toch even kunnen proeven van grote-honden-voer.

Samen spelen, daar hebben we nog niet echt een goed systeem voor gevonden. Hij komt voortaan elke dinsdag, dus wie weet leren we dat nog. Gezellig samen spelen in de tuin. Denk niet dat er dan nog iemand door het achterom durft…


Vijf jaar geleden vertrokken we naar Thailand. Nu ik dit zo opschrijf klinkt het als een droge mededeling die dood op de grond valt. Maar wat de meesten alweer vergeten zijn, was voor ons een avontuur dat we ons zullen blijven herinneren. Vijf jaar geleden vertrokken we voor dat avontuur, een half jaar naar de andere kant van de wereld. Ik neem jullie mee op een tocht down Memory Lane.

Voorbereidingen

Vol goede moed beginnen we aan de voorbereidingen, optimistisch in het vooruitzien naar een nieuw leven, ontsnappen aan de polder, aan de burn out. Ik pak een paar dozen in met spullen en boeken die ik graag mee wil hebben. Wat wil ik nou helemaal persé hiervandaan meenemen naar de warmte, wat heeft een mens eigenlijk nodig? Ik ga nog een keer op bezoek bij Ma, koffieleuten met vrienden en naar een verjaardag nu het nog kan.

Het één kan pas geregeld worden na het ander. Vertrek datum geprikt en tickets geboekt. Internationaal rijbewijs bij de ANWB gehaald. Visa kun je pas aanvragen wanneer je een retourticket kunt aantonen. De hele exercitie van voorbereiding is één lange zen-oefening in geduld. Geduld, geduld en nog meer geduld. De stapel papieren groeit en groeit, iedere dag komt er opnieuw iets bij ter aanvulling van gevraagde bewijslasten. Eindelijk zijn alle benodigde paperassen binnen om naar het consulaat te stappen. We kunnen geen multiple entry visum aanvragen, alleen een visum voor 3 maanden. We zullen in Thailand langs een immigratiekantoor moeten om dat allemaal naar een half jaar te laten omzetten. Ten langen leste blijkt alles compleet en in orde. De contanten worden overhandigd; de paspoorten inclusief visa worden aangetekend aan ons geretourneerd. Weer een stapje dichterbij vertrek geregeld.

Pattaya

Op een grijze 9 maart 2018 vertrekken we naar Bangkok. De eerste twee weken verblijven we in het Woodland Hotel in Pattaya. De dag na aankomst gaan we direct op huizenjacht. Een geschikt appartement is best lastig te vinden, we bekijken er meerdere. Woningen van ‘doe-maar-normaal’ tot ‘over-the-top-superdeluxe’. Te duur, te klein, te saai en te ver van centrum of strand, het is het allemaal net niet. Kwaliteit vinden we meer bepalend dan de ruimte en het aantal kamers.

Nog dizzy, net uit het ziekenhuis na een gemene virus-aanval, vinden we een appartement op de 10e verdieping in de woontoren waar Gijs’ collega ook woont, Wongamat Tower. De volgende dag verhuizen we. Inpakken, uitchecken en wegwezen. Alle dozen en koffers takelen we enkele straten verderop weer naar boven. Het lijkt heel veel, maar het is snel uitgepakt en weggeborgen. De uit Nederland meegenomen kleinigheden zet ik mooi neer en geef mijn schrijfspullen een plekje. De puien wagenwijd open, binnen wordt buiten.

Laptop naar buiten, ventilator aan, kopje koffie erbij en typen op het balkon. Naar de zee staren vanuit mijn aquarium en af en toe iets in een schrijfschrift kladderen. Boek lezen. Inspiratie opdoen. De meeste dagen zijn schrijfdagen te noemen. Ik metsel, schaaf, slijp, stuc en schilder, beitel, boetseer en behang met woorden. Ik selecteer en bewerk de foto’s voor mijn verhalen. Stoeien, of worstelen -net hoe de pet staat-, met de wonderen van Wifi, WordPress en Facebook. Dat alles neemt hele dagen in beslag.

Op de witte tegels van de woon- en slaapkamer zie je werkelijk álles. Vegen, daarna dweilen en de badkamer poetsen zijn in een uurtje wel bekeken. Poetsdag is tevens wasdag. Als in: de was ophalen die gisteren naar de wasserette is gebracht. Strijkdag is hiermee komen te vervallen: we krijgen de lading gesteven en gestreken retour.

In de weekenden gaan we eropuit. Boodschappen doen bij de mega-supermarkten, tempels in de omgeving bezoeken, met de ferry naar het eilandje Koh Larn en dan naar de het tempeltje op de top lopen, via de Kwan Yin en de Grote Boze Monnik.

Het Songkran weekend besteden we in Hua Hin. Daar hadden we beter de hele week kunnen blijven: het blijft de hele week in Pattaya een watersmijtend gekkenhuis. Dat watersmijten is iets nieuws, dat gekkenhuis is het altijd. We bezoeken wat Nationale Parken waar we welgeteld één wilde olifant tegenkomen.

Op zijn zachtst gezegd is het weer wisselvallig, variërend van lekker zonnig tot noodweer met bijbehorende water- en stankoverlast.
Een enkele keer waag ik me naar het zwembad op de 40e verdieping. Baantjes trekken resulteert helaas in blauwe nagels en groen haar. Je kunt het er als de zon schijnt niet te lang uithouden zonder levend gebraden te worden. Datzelfde geldt voor het strand. Een  kilometer lopen en onder een boom een plekje zoeken. Je dood vervelen. Een enkele keer een foot-massage nemen. Shoppen bestaat vooral uit ‘kijke, kijke, nie kope’. Hoe goedkoop alles is of lijkt, ik heb nooit iets nodig. Gezellig met mijn dochter of een vriend(in) suffelen en een bakkie doen… zit er helaas niet in.

De Thai zijn bezeten van eten. Iets zonder vlees of vis staat echter slechts zelden op de menukaart. Men is niet voor één gat te vangen, er wordt ter plekke iets verzonnen. Al komen de vegetarische varianten meestal neer op veggie pad thai, fried rice with egg of fried vegetables and white steam rice, ‘nee’ verkopen zal men nooit doen. De Indiase keuken is in Pattaya ruim vertegenwoordigd en op die spijskaarten staan volop vegetarische curry’s en thali’s. Helaas kunnen we ons dit niet dagelijks veroorloven, zelfs in Thailand niet.

Gijs heeft op de route naar zijn werk een vegetarische afhaal-toko ontdekt. Wat hij allemaal in kleine zakjes mee krijgt, is genoeg voor drie dagen. En pittig, en vers, en veel groenten. Op te warmen in de magnetron. Helaas blijkt het voor mijn gestel vaak té scherp te zijn na dat rottige rota-virus. Ongeveer om de tien dagen is het raak. De badkamer grenst gelukkig aan de slaapkamer.

We bezoeken zóveel tempels, wats, dat het de thuisblijvers gaat vervelen. Voor iemand in Nederland lijken ze allemaal op elkaar, terwijl wij ons telkens onderdompelen in de verschillende bouwstijlen, geuren, kleuren.

In Thailand, het land van de glimlach, zijn diverse kloosters en meditatiecentra die Vipassana meditatietechniek retraites faciliteren. Ik word er overvallen door een gevoel van hevige desolaatheid. Kan mijn denken niet laten gaan, niet loslaten. Ik steven rap op een hysterische paniekaanval af. Wat doe ik hier in godsnaam? Mijn bonkende hoofd laat mij niet mindful zitten of lopen of staan, het eist alle aandacht op. Ik ben totaal alleen in een wildvreemde omgeving waar ik eerlijk gezegd bang voor ben. Weten we dat ook weer. Ik noem deze ervaring ‘een leerzame mislukking’. De volgende dag zit ik op het balkon. En doe wat ik het liefste doe. Ik zit, mijn lijf zit. Ik schrijf. Hier. Nu. Adem in. Adem uit. Heel diep uit.

Op reis

In Thailand zit je heel centraal om de rest van Azië te bezoeken. We nemen de gelegenheid te baat naar de Angkor Wat in Cambodja te reizen. Van tevoren denk ik: we gaan er gewoon heen en gaan het wel zien. Hoe kun je je voorbereiden op zoiets machtigs? Het is zo veel, zo groot, zo groots. Het terrein beslaat vele vierkante kilometers, restanten van nederzettingen en tientallen hindoeïstische en boeddhistische tempels, daterend uit de 10e tot en met de 13e eeuw. De verlatenheid -ondanks de toeristen- van de ruïnes. Het was onmogelijk álles te zien in twee dagen. We komen er zeker een keer terug. Ooit.

We gaan naar Chiang Mai. Voor ons is dat bekend terrein waar we ons thuis voelen. We bezoeken de Doi Suthep en de Wat Jet Yod. Barbecueën bij Paul en gaan op de koffie bij Johan, oud-collega’s van Gijs. Rijden naar de parasollenkwekerij en het houtsnijders dorp.

Met de kinderen

Eind juli komen de kinderen over. Vier maanden is best lang en die laatste paar dagen leken dubbel zo lang te duren. Ik knuffel ze helemaal plat. Kamers hebben we voor ze gereserveerd in een guesthouse in de straat.

Eerst bezoeken we wat attracties in de buurt, zoals Koh Larn en de Sanctuary of Truth met zijn houtsnijwerk. Op uitdrukkelijk verzoek van de kinderen gaan we naar Bangkok. Fietsen met Co van Kessel wat een stuk eenvoudiger blijkt te zijn dan 10 jaar daarvoor. We scheuren in twee tuktuks door de nachtelijke straten van de stad, varen door de khlongs met een longtailboat, bezoeken uiteraard de Wat Arun en snuffelen over Khao San Road, het backpackers district. ‘Thuis’ doen Yasmin en ik een dagje strand, inclusief schoonheidsbehandeling en henna-tattoo

De knoop doorgehakt

Na twee gezellige weken samen nemen we alweer afscheid van Robin, Yasmin en Casper. Ik zal me weer zelf moeten vermaken. Stilaan is het augustus geworden. We gaan nog een weekend naar Chiang Mai waar we zeiknat regenen op de Doi Inthanon. Die heilige berg schijnt schitterend aangelegde tuinen hebben, wij hebben er door de mist en regen niets van kunnen zien. Wat op zich wel een hilarisch verhaal opleverde.

Het wordt tijd om de knoop door te hakken. We keren terug naar Nederland. Mijn gevoel van nutteloosheid zegt me dat dit niet mijn leven voor de toekomst is. In Nederland is iedereen vanzelfsprekend doorgegaan met leven op zijn eigen ingeslagen weg, aan onze afslag voorbijgaand. Dat is logisch. Ik realiseer me nu hoe ik voor lief nam dat ik deel uitmaakte van andermans levens, ik stond er niet bij stil hoe graag ik in hun gezelschap verkeerde. Tegenwoordig zijn we onbeperkt bereikbaar: mobiele telefoon, what’s app, skype, mail, facebook. Hoe moeilijk blijkt het desondanks te zijn iemand te pakken te krijgen, contacten vast te houden. Altijd rekening houden met het tijdsverschil, het feit dat vrienden gewoon aan het werk zijn, kinderen met wisseldiensten en omgekeerde levensritmes. Verhalen en blogs zijn eenrichtingverkeer.

Het aftellen slaat toe. Voor Gijs lijkt de tijd nu in een zucht voorbij te vliegen, terwijl voor mij de tijd zo traag als stroop door een theezeefje glijdt. Er hoeft niet veel geregeld te worden. De voorbereidingen van de heenreis in omgekeerde volgorde, maar dan zonder het gedoe van visa, werkvergunning, Thais rijbewijs en dat soort dingen. De dozen weer terug volladen, bedenken wat er direct bij de hand moet blijven en wat even kan wachten. De printer inpakken, souvenirs en boeken gaan in een doos. Het huisje in originelere staat terugbrengen. De grote bloempotten met orchideeën die we niet meenemen zetten we op het werk, de vijverpot wordt ingepakt om met een zeecontainer mee te sturen. Voor de thuisblijvers nemen we van her en der cadeautjes mee. Voor onszelf tastbare herinneringen zoals het houtsnijwerk uit Chiang Mai, de bronzen bel uit Cambodja, de kleine Kwan Yin, schelpen en zand. Drie miljoen foto’s.

Ik zal aan dit avontuur terugdenken, aan de bloemen, de kleuren, aan de vrolijkheid, de vriendelijkheid, de malligheid. Aan de mooie dingen die we gezien en beleefd hebben, de gekke dingen, de wonderlijke, onbegrijpelijke, vreemde dingen. Dan zal ik terug willen naar iets wat er slechts gedeeltelijk was, met de zonnebril van ‘weet je nog, toen alles zonnig, warm en leuk was’, en vergeten zal ik de regen, telkens die harde wind, de sombere wolken.
Ik zal proberen de rotzooi in de goot en op straat, het vervuilde strandzand, de rioolluchten, het verkeer, het lawaai, de stank, de uitlaatgassen hier te laten en ze verstoppen in een donker hoekje op de zolder van mijn geest. Ik zal de neerslachtige en mopperdagen, de baal- en heimweedagen trachten te verdringen, zodat ze geen deel meer uitmaken van mijn herinneringen. Wat je overhoudt is dan misschien ‘rozengeur en schone schijn’, echter met -veel- souvenirs die verhalen van een mooie episode.

9 maart 2023

En nu zijn we vijf jaar later. Of eigenlijk 4,5 na terugkeer in Nederland. Ook in die jaren is zo ontzettend veel gebeurd, is het leven voorbijgevlogen. Ofschoon we nooit spijt hebben gehad dat we zijn teruggekeerd, beving me een enkele keer een gevoel van heimwee naar mijn rustige balkonnetje, het niets hoeven of moeten. Ik heb de bel van Koh Larn als buroblad-afbeelding op mijn laptop geïnstalleerd, af en toe afgewisseld met de foto van het uitzicht op de tuin en de zee vanaf mijn balkon. Heimwee is een groot woord, maar ja, er zijn dingen die ik weleens mis. Na vijf jaar niet naar Thailand te hebben gereisd, is het hoog tijd dat we weer eens die kant op gaan…

PS: Ik vond het leuk alle Thailandverhalen terug te lezen, opnieuw te beleven, weer te vóelen wat we daar meemaakten. De genoemde blogs staan nog altijd op de site al zijn de foto’s verwijderd vanwege ruimtegebrek. Als je alle verhalen integraal wilt lezen, begin dan met Sawadee-ka en ga onderaan de pagina met het pijltje naar rechts naar het volgende blog.


De winter is zo vriendelijk geweest om de vloer te bekleden met blaadjes die van onder tot boven geïnspecteerd moeten worden. De meeste leden van de hondengarde doen hier niet aan mee, zodat er meer voor mij overblijft. Grondig maak ik de inventaris op wie er allemaal langsgelopen zijn. De mollen zijn met het grondwerk bezig geweest, elke dag zijn er weer nieuwe hopen om op te poepen. Heerlijk.

Mijn bazen denken dat ze mij aan het heropvoeden zijn. Ik laat ze soms in die waan. Netjes náást lopen is best als ik af en toe maar even los mag struinen. Dan kan ik mijn gang gaan: komen als ze roepen doe ik toch niet. Fluiten werkt ook niet. Kom me maar halen. Wat ze dan ook braaf elke keer doen. Ik krijg ze wel afgericht hoor, zo langzamerhand.

Met mijn snuit in een molshoop vang ik het volgende gesprek op. Terwijl zij semi-geduldig staat te wachten loopt er een meneer langs. Zestiger, snor, grote uitstaande oren die rood van de kou onder een mutsje uitsteken. Ze kijkt hem aan en zegt: “luisteren doet-ie niet hè.” “Nee, logisch,” zegt de man. “Hij is hard aan het werk! Druk aan het stófferen!”

Kijk, die man snapt het. Ik doe simpelweg mijn werk!


 

Het is alweer een paar maanden geleden dat ik een verhaal heb geschreven. Er gebeurde weinig schrijvenswaardigs en tot filosofische “kerstverhalen” kon ik me niet zetten. Af en toe kwam er een haiku uit mijn pen, de sintekerstgedichten rolden uit mijn mouw, maar dat was het dan ook wel.

Met taal spelen, de dingen die ik zie, hoor, ruik of voel met een paar goedgekozen woorden in enkele regels vangen is een grote hobby. Ik bedoel hiermee overduidelijk níet de verhalen waarmee ik met 3000 woorden begin en dan probeer uit te komen op een maximum van 600, wat heel veel moeite kost. Nee, kort en krachtig beschrijven wat me bezighoudt, dat is de bedoeling.

Een heel jaar rond, 365+ haiku’s. Ik kan er een boek mee vullen, en wellicht doe ik dat ook nog wel. Nee, ik heb iets nieuws verzonnen. Nouja, nieuw…? Zelfverzonnen…? Die dingen bestonden al voordat de boekdrukkunst werd uitgevonden. Ik heb het over kwatrijnen. Een “simpel” gedichtje, vier regels slechts. Meestal met een rijmschema, a-b-b-a of a-a-b-b.

Mijn bedoeling is eenvoudig. Zandkastelen bouwen. Een klein verhaaltje of een gedachte vatten in vier regeltjes. Dat het moet rijmen is de grote uitdaging, daar zal ik weleens de hand mee lichten. Iedere dag een kwatrijntje is het voornemen. Het jaar begon al goed, ik heb er al een stapeltje geschreven. Op mijn website staan ze op de nieuwe pagina met Zandkastelen.

Veel plezier!


Voor het eerst sinds jaren weer veel vuurwerk:
flitsen, knallen, veel kabaal!
Maar mijn hondje, hij is zo sterk,
hij negeert het allemaal.
(01-02)


Het nieuwe jaar begin ik met frisse moed,
aan (goede) voornemens geen gebrek.
Elke dag een kwatrijn, ik lijk wel gek!
Eerst de eerste, en verder… voet voor voet.
(02-01)


Een sintgedicht is zo gemaakt
maar echt iets schrijven dat je raakt,
in vier regels, ritmisch en op rijm,
blijkt veel moeilijker te zijn.
(03-01)


Eindelijk geborsteld van kop tot staart,
het beest heeft zo belachelijk veel haar!
Eindelijk geborsteld van oren tot kont
in de prullenbak ligt een halve hond.
(04-01)


Aan de rand van de vijver,
(ik kijk mijn ogen uit!)
staat een levensgrote reiger
op zoek naar kikkerbuit.
(05-01)


Zijn instinct overblubberd door hormonen
drijft hem van graspol naar molshoop.
Je leest dit nu zo heel gewoon
maar hij drijft ons tot wanhoop!
(06-01)


Weer een reiger, nu voor ons op de stoep,
zijn snavel gericht op een vijvertje vol snoep.
Tot we vlakbij zijn blijft hij stokstijf staan.
Dan wiekt hij weg, geeft hond en mij ruim baan.
(07-01)


Het jaar is alweer (ruim) een week oud
de voornemens zijn haast vergeten en koud.
Een beetje minder dit, dat een beetje meer
ach, dat zien we volgend jaar wel weer…
(08-01)


Vandaag is het donderdag. Geen wekker, geen plannen. Best gek. Donderdag was immers de dag dat ik de laatste maanden naar mijn moeder ging.

Vorige week is zij, in alle rust, heengegaan. Naar het Licht, waar ze zo naartoe leefde.
“Laat maar.
Is niet nodig.
Mag ik nu gaan?”
Zo ongeveer verstreken de laatste dagen.

Haar overlijden was niet onverwacht. Stap voor stap is zij zacht begeleid in het proces, en evenzo stap voor stap verliep voor ons het proces in de dagen erna.

Samen hebben we Ma verzorgd en gekleed, haar roze lievelingsvestje aan. De kamer om haar heen wat opgeruimd, Ma vredig op haar bed, het gezicht kalm en licht. De rust waar ze zo naar uitkeek.

Na online contact met de uitvaartverzorger was het meeste geregeld. De tekst voor de kaart en de genodigden-lijst waren snel bepaald. We wisten precies wat Ma zou willen en hoe wij dat voor haar konden organiseren. Alles in lijn met wie zij was en hoe zij was. Bescheiden, warm en liefdevol.

’s Avonds ben ik achter de computer gekropen om de tekst van de kaart op te maken. De concepten gingen een paar keer over en weer tot we tevreden waren: dít is Ma. De volgende morgen vroeg ging de laatste versie naar de uitvaart-drukkerij.

De hele dag vlogen de appjes over en weer. De condoleances stroomden binnen, zo lief en hartelijk, zoveel medeleven. Mijn zus struinde bloemisten af tot ze iemand vond die exact snapte wat we zochten. Rozen, geen poespas. Zo was Ma. Tussen de bedrijven door werden de enveloppen geschreven en talloze mensen gebeld.

Rommelige dagen volgden, hoewel ik zelf niet zoveel hoefde te regelen. Mijn tekst schrijven, schrappen en herschrijven. Daar kwam van alles tussendoor wat aandacht behoefde. Aardse zaken: het leven gaat -niet zo- gewoon door.

Op de dag van de uitvaart reden we van file naar file, net op tijd kwamen we gehaast bij het verzorgingstehuis aan. Ik kon nog gauw even afscheid nemen, een laatste aai langs haar wang, een hand op de handen. Dag mam.

De rouwstoet reed via mama’s favoriete route over de Wakkerendijk naar het crematorium. Daar hebben we Ma, voor de laatste keer, letterlijk in de bloemetjes gezet. Haar geliefde rozen in het grote boeket van ons allen op haar hart; de spontane wilde veldboeketjes waar zo van hield, een stukje met ontluikende bloembolletjes, die ze altijd de grond uit kéék, omringden haar. Dít was Ma.

De ruimte vulde zich met alle mensen die mama graag om zich heen had. Een kleine groep mensen slechts. Kinderen en kleinkinderen, familieleden en haar -en onze- naaste vrienden. Precies zo had ze het ‘t liefste. “Maak maar geen drukte.”. Ja, zo zei Ma het altijd.

Mijn zus sprak, haar dochter speelde piano.
Ik vertelde over mama’s leven, noemde haar liefde voor de natuur en poëzie. Ik deelde een paar herinneringen.
Mijn broer verwoordde wie mama was, hóe zij was en wat ze voor ons betekende, de band die wij met haar hadden. Mama… was gewoon, bijzonder… gewoon mama.
Mijn nichtje, die tussendoor Oma’s lievelingsstukjes op de piano speelde, vertelde over haar ‘onderonsjes’, de kleine rituelen die ze met Oma had. “Hoi Oma”. “Dag kind”.
Mijn zus sprak over mama’s spirituele leven, de weg die ze samen met Pa volgde. Zo leefde Ma, vanuit de liefde in haar hart.

Ma is, omringd door allen die van haar hielden, haar reis naar het Licht waar ze zo naar verlangde begonnen.

Dag mam.

….


Een heel nieuw jaar ligt open vóór ons. Zoals op deze foto vanmorgen om 9 uur, de zon is net wakker.

Na een drukke maand zonder schrijfsels probeer ik nu de draad weer op te pakken. Ik had meerdere ideeën voor nieuwe blogs, maar geen van de concepten leek me publicabel. Met alles wat er de afgelopen weken gebeurde, nieuwe lockdown, drukke feestdagen, niets leek relevant genoeg.

Ik had een ingeving voor een blog over “trots”. Dat het eigenlijk “not done” is om trots te zijn. Trots is arrogant, dat hoor je niet te zijn. De Vlamingen gebruiken “fier” dat klinkt veel vriendelijker. “Ik ben fier op u”, dat zei Evy van de hardloop-podcast altijd. Maar stiekem ben ik best wel trots op wat ik aan het doen ben. Het redactiewerk voor de 2CVClub Wijzer, het lange artikel in het Dyane Clubblad en de schoolkrant van OBS de Verwondering die haastje-repje op het nippertje gereed kwam. Ja, daar ben ik best trots op, maar is dat belangrijk?

Dan bedacht ik dat ik Ravi wel een Gelukkig Nieuwjaar-journaal kon laten schrijven, met daarin zijn bevindingen rond de verwarrende feestdagen. De weken ervoor dat hij minstens twee ochtenden per week alleen thuis zat, de weken daarna dat er minstens twee personen steeds thuis waren. Het chaotisch-gezellige Sintekerstfeest met de hele familie thuis, de jongens die tot midden in de nacht ‘The Nanny’ zaten te kijken en daarna, na een paar dagen betrekkelijke rust, het geknal van het zogenaamd verboden vuurwerk overal. Als dat gedoe met versiersels en lichtjes, waar zou dat nou goed voor zijn. En dan wordt zonder enige uitleg alles weer teruggedraaid, zit hij weer ochtenden alleen en krijgt veel minder aandacht dan daarvoor. Dat Ravi dat (op mij) afreageert, is alleen maar logisch. Is dat nou een heel journaal waardig?

Met hulp van Gijs ga ik me de komende dagen storten op het beschrijven van zijn restauratiewerkzaamheden aan de Dyane. Daar ben ik namelijk echt, zonder voorbehoud, supertrots op. Je moet het maar aandurven. Als een Pippi Langkous “ik heb het nog nooit gedaan dus ik denk dat ik het wel kan” het plaatwerk van de deuren rigoureus aanpakken. Dat wordt dus het volgende verhaal, met veel foto’s. Beloofd!

6 januari. Driekoningen. Het mag nog net: ik wens iedereen een open en licht 2022!