Na het verlaten van de snelweg zitten we direct op het platteland. Zilverreigers en grijs-zwarte ooievaars grasduinen gebroederlijk naast een enkele buffel tussen het heldergroene verse rijstgewas.

Bij een Thais houten huis met golfplaten dak zit een gezellige moeke op de dorpel van het trapje te keuvelen met haar kindje. De kippen en haan onderzoeken al het eetbaars tussen het afval dat al dan niet in zakken rondom het huisje als een vuilnismuur opgestapeld ligt. Een vreemd doch gebruikelijk beeld.

Wanneer we een paar uur onderweg zijn, googelt Gijs een hotelletje uit zijn telefoon. Een motel in het midden van helemaal nix, pal aan de drukke weg waar zware vrachtwagens keihard langsdenderen. Ondanks het verkeerslawaai slapen we onverwacht goed.

Het natuurgebied zou nu nog een halfuurtje rijden moeten zijn. Langs de weg staan veel shops met geesthuisjes. Tientallen, met elk een voorraad van honderden bouwwerkjes. Als ik er een vragende opmerking over maak, klinkt het droog naast me: ‘je zal maar zonder zitten!’. Een stuk verderop passeren we  kwekerijen met grote bomen. En na daarna nog drie keer verkeerd gereden te zijn, vinden we uren later dan gepland de ingang van het park.

Bij het bezoekerscentrum drinken we eindelijk een bakkie koffie terwijl twee herten rustig rond sjouwen als in een hekloos hertenkamp. Brutaal als de neten struinen aapies groot en klein de afvalbakken af die per ongeluk openstaan en ze schromen niet om bij je aan tafel te bedelen.

Het is een kort rondje lopen naar een kleine waterval. Stap voor stap stap ik zorgvuldig over een laaghangende wortel en even zo vrolijk zwiept een wat hoger slingerende liaan tegen mijn kop. Ik kan niet lopen en kijken tegelijk.

Het watervalletje staat droog maar het is een leuke wandeling door het regenwoud. Krekels als monstercirkelzagen maken een hels kabaal verborgen tussen het gebladerte. Een dunne kronkelende slang verdwijnt in het groen. Bomen zo hoog dat je ze niet in één keer op de foto krijgt. Het bos wemelt van de vlinders en ver boven ons scheren door de boomtoppen verscheidene vogelsoorten.

‘Ik kan niet kijken en lopen tegelijk’, ik hoor het mezelf nog zeggen. Bijna bij de parking glijdt mijn voet in een stom geultje in het pad. Ik stort prompt op handen en knieën ter aarde. Sufkip! Alles is nog aardig heel, hoewel beurs en niet geheel onpijnlijk.

Bij de cafetaria waar we lunchen zit een groep vrolijke vogelaars met indrukwekkende lenzen op de oever naar een mies boompje te turen. Na lang kijken ontdekken we een knalblauw ijsvogeltje. Althans in onze leken-ogen lijkt het daarop. Later komen we het viertal weer tegen met hun toeters op een hoge boom gericht. Geen idee wat ze zien of hopen te zien, ik zie het niet in elk geval.

Er sloft een olifant langs de weg. Eindelijk! Voordat hij door park-rangers de bosjes in wordt gedirigeerd heb ik mijn foto’s van mijn eerste olifant.

De volgende waterval staat weliswaar niet helemaal droog maar is ook niet zo spectaculair als het volgens de borden in het regenseizoen moet zijn. Dan maar een foto van het informatiebord. Het is wel weer een aardige klauterpartij.

Na de fotosessie aanvaarden we de terugweg: door het park naar boven en dan om de berg heen naar beneden. Daarvandaan zegt tomtom doodleuk: ‘nog 4,5 uur te gaan’. Sodeju. Oeps. De route is stukken langer dan verwacht.

We komen langs wijngaarden zonder druivenstokken te zien. De grond is er nochtans rood en schraal genoeg voor. Hoe overleeft een druif zonder seizoenen? Raar. Er verrijzen de vreemdste dorpen. Toscane Valley. Little Montana. Bizar.

Eenmaal op de (A)7 is het praktisch donker en kunnen we lekker doorstomen. Precies om 20.00 uur zitten we bij Pizza Big.

Voor anderhalf uur sjouwen is 9 uur in de auto verhoudingsgewijs natuurlijk wel wat veel ja. Maar we hebben een olifant gezien en ik ben onderuit gegaan. De dag is compleet.