We proppen ons tussen een colonne militaire voertuigen, geëscorteerd door zwaailichten die vóór de rij de stoplichten bezetten en achter ons de rij sluiten. We rijden door een paar knalrode stoplichten en steken achter het konvooi aan, het terrein van vliegveld U Tapao op.

Bij de Domestic flights checken we in. Uren te vroeg zijn we en toch zijn er geen stoelen naast elkaar op de vlucht meer beschikbaar. Zo zitten we een keer achter elkaar, allebei aan het raam.

Na in Chiang Mai de koffer van de band gevist te hebben, staat ook de gereserveerde auto snel klaar. De randweg om het ‘vierkant’, de oude stadsmuur, is éénrichtingverkeer. We moeten er bijna driekwart omheen om net na Thapae Gate (zie kop foto) af te slaan en direct een kleine straat in te duiken waaraan het hotelletje ligt.

’s Avonds wandelen we op ons gemak naar de Nightbazaar. We komen langs een gesloten maar leuk verlichte tempel, Wat Buppharam, waar we wat fotograferen.

Twintig minuten later zitten we, for old times’ sake, bij O’Malley. Mensen kijken. Doe me nog maar een drankje.

Voordat we echt daar op het terras inkakken, struinen we het plein verder over. We watertanden bij mooie houtsnijwerken. Waar laten we het, waar hangen we het thuis op, afgezien van de grote vraag hoe krijgen we het mee, strijden om voorrang. Goedkoop shoppen zo, we hebben nix nodig, geen idee waar we het laten moeten, laat staan dat we het meekrijgen. Jammer dan. Gewoon snuffelen omdat het gezellig en leuk is. Wat is Chiang Mai heerlijk relaxt.

Zaterdag zijn we vroeg bij de tempelberg Doi Suthep. De trap is minder steil en lang dan ik me herinner. Ik lees dat het 309 treden zijn, ik heb ze niet geteld. Of hebben we inmiddels zoveel, en zoveel steilere en langere, trappen beklommen?

Na het rondje rond de goudkleurige chedi genieten we op de onderliggende ring van het heiligdom van heerlijke koffie. Achter ons uitzicht op het dal en de stad, voor ons een rij met bellen en een gong, waar kleine groepjes toeristen en gezinnen langs lopen. Geen bussen Russen, geen roedels Chinezen.

Al die kleine belletjes, klingelend in de wind langs de dakranden. Al die grote bellen, al die gongs, waarvan sommige meters in doorsnee. Prachtig. En wat een geluid…. wat zou ik er graag eens voluit op slaan….

Uitgekeken en moe-gefotografeerd cirkelen we de haarspeldbochtenweg terug naar beneden.

We vervolgen onze sight seeing met een bezoek aan de Wat Jed Yod, onze favoriete tempel. Uit de 15e eeuw. De viharn met zeven chedi’s op het dak, waar de naam vandaan komt. De muren van dit bouwwerk zijn voorzien van tientallen devada’s, net als we in Angkor Wat zagen.

Op het terrein staan nog drie chedi’s -of stoepa’s-, meer of minder vervallen. Overal zie je resten van muurtjes van bouwsels die daar lang geleden hebben gestaan, een intrigerend restant van eeuwenoud monnikenwerk. Het is een mooie, verstilde plek. De tempel wordt veel gebruikt en toch is er bijna geen mens.

Elephant Parade Land  is hierna aan de beurt. Sinds de Elephant Parade in Laren vorig jaar heb ik in mijn hoofd de ‘geboorteplek’ van het concept te bezoeken. Er staan niet zoveel olifanten, het is klein en er is niemand. Glurend door een paar ramen zie ik in een werkplaats een paar mensen miniaturen beschilderen, maar verder dan dat komen we niet bij het productie proces.

In de kleine tentoonstellingsruimte zien we een film met stukjes van over het ontstaan, de -Nederlandse- oprichters, de olifantenbeschermingsprojecten van de stichting door heel Azië, het hele kunstzinnige proces en de betrokken kunstenaars. De workshop waar je je eigen mini-olifant kunt beschilderen is tegelijk een winkeltje. We spenderen hier niet zoveel tijd, het is zo kleinschalig dat we er snel doorheen zijn. Toch leuk om gezien te hebben.

We vliegen langs het hotel om even om te kleden, de zwemkleren te pakken en teenslippers aan te schieten. Op naar Paul en Ann, die midden in het rijstveld wonen. Letterlijk. In the middle of helemaal nix. Op een enorm stuk land hebben ze een mooie tuin, een geweldig huis en natuurlijk een fijn zwembad aangelegd.

We worden hartelijk ontvangen met de woorden: ‘waar zijn jullie zwemkleren?’ Aangenaam kennis te maken. En wees niet bang, die zwemkleding hebben we heus wel bij ons.

Een rondleiding volgt en even later zitten we comfortabel aan een drankje. Het diner is helemaal voorbereid, ook voor de vegetariër is uitgebreid gezorgd. De avond vliegt voorbij. Het eten is verrukkelijk, de conversatie gezellig en de zelf meegebrachte wijn smaakt goed.

Als alles is afgeruimd en de honden zich over wat restjes hebben ontfermd, kleden wij ons in de guest room om. Ik trek wat baantjes en we hangen en dobberen wat. Wat een heerlijk welkom, een warm bad.

Doodop en tevreden rollen we al bijna slapend ons bed in.