Anders dan op de vorige campings zijn hier géén kinderen, alleen vutters die met hun kleine kleinkindertjes videobellen. Hier hebben we buren links, rechts en achter ons, slechts gescheiden door een heggetje zodat je alle conversaties woordelijk kunt volgen. Dat is wel wennen na alle ruimte en stilte. En het uitzicht missen we. Hier is alleen zicht op de caravan van de overburen.

Dit gemopper terzijde: de kerkklok, die twee keer op ieder heel en elk half uur de tijd slaat, daar houden we van. Mijn koeienbellenkitsch uit de Schlucht hangt roerloos aan de tent. Het gaat om het idee, wind staat er niet. De wifi-verbinding is hier formidabel. Fijn voor mij: ik kan nu eindelijk mijn verhalen uitwerken. Ik doe bijna niets, behalve met de schaduw meebewegen en mijn schrijfsels bijwerken. We komen alleen van de plek af om een salade bij Café de France te nuttigen…

De dagen die volgen zijn wisselvallig. Er zit regen in de lucht. Ver weg nog, maar hier voelbaar. De lucht is zwaar, ademhalen is zwaar. Als tijdverdrijf toeren we naar Camping La Turelure in de Ardèche. Het kampeerterrein waar we twee jaar terug stonden, is ook nu nog niet half bezet. Op de kaart is ons rondje eigenlijk een vlieger. Heen stuurt Tom ons via Barjac, Vallon Pont d’Arc en Ruoms naar l’Argentière. De buien waar we achteraan rijden, liggen in grote plassen op het asfalt. Terug nemen we de weg via Prends-toi-Garde-, Jouyeuse, Rosières, Notre Dame naar Barjac en verder naar Goudargues. Net een vlieger met een staart. Aan de andere kant van de berg is het droog.

De volgende dag begint wederom regenachtig. Schuilen in de tent. Koffie met een schuimpje. Als het opklaart vertrekken we richting Barjac, naar de markt. Onderweg worden we overvallen door een enorm heftige hagelbui, doodeng in de zeiknatte, spekgladde haarspeldbochten. Zodra het kan zet Gijs de auto aan de kant achter de andere schuilende auto’s. Vijf minuten die een uur duren. Daarna gaan de hagel-eieren over in regen en kunnen we door. Tegen de tijd dat we in Barjac aankomen is het droog… op de rivieren op straat na.

We vinden een plekje op het parkeerterrein direct aan de markt, een klein autootje is zo handig hier. Onder de pikzwarte lucht verkennen we in sneltreinvaart de kraampjes die het nog niet hebben opgegeven maar houden het gauw voor gezien.

Op de camping is zowat geen drup gevallen en gaandeweg de dag vordert, trekt de lucht verder open. ’s Avonds is er een einde-schooljaar-feestje in het dorp op het plein voor de basisschool. Vanaf onze plek klinkt het uit de verte als een goeie band. Muziek uit onze jeugd: Dire Straits, Pink Floyd, Dixie Chicks, Leonard Cohen etc. Gezellig zitten we zo tot 12 uur buiten de tent, tot de band opdoekt.

Dan breekt er een echt mooie dag aan om te gaan kronkelen en een beetje te struinen. Ik wil graag naar La Roque sur Cèze. Voor het autovrije dorp parkeren we beneden bij de brug. Over de gladgesleten keien klimmen we naar boven naar het kasteel (helaas gesloten) voor mooie vergezichten over wijnvelden tot de Mont Ventoux aan toe. Zo’n blauwe lucht met witte wolken maakt mooie foto’s. Ravi struint dapper mee.


We hebben het nest gevonden, het nest oldtimers. Het zit hier in het dorp.

De HY, de zachtgroene 2CV6 Spécial en de motor met zijspan staan hier op de camping.

Bij de garage St Christophe bij de entree van het dorp watertanden we bij de goed uitziende, metallic pauwblauwe Acadiane6 van januari 1979. Te koop… we doen het toch maar niet.

Het lavendelblauwe eendje, het R4-tje, het met bramen getooide 205je en de rest van het schroot (kopfoto) staan achter de werkplaats.

Bij de garage recht achter de camping is het elke dag feest: een Peugeot 304, een witte 2CV, een grote Peugeot 505, gewoon langs de straat.

Het afgedankte Peugeot busje van een wijnboer vormt met de vooroorlogse Renault vrachtwagentjes een waar konvooi.

Ik ben helemaal weg van het Alpientje, de Renault Alpine, work in progress. Helemaal gestript, geschuurd en her en der in de grondverf. Fantasie op het plaatwerk. Niets meer aan doen, hooguit een laag beschermende coating erover. De motor gromt als een Corvette.

De Peugeot 203, een gerestaureerde boekenbus, ziet er door de striptekeningen aan de zijkanten uitnodigend uit. Kunstauto’s, dat zijn ze.

De perfect gerestaureerde DS is helaas niet te koop, sorry Gijs.


Zaterdag. We trekken verder naar het zuiden. Na alle avontuur van de afgelopen week zijn we toe aan rust en ‘thuisgrond’. Terroir. Dat zoeken we echter wel via een fascinerende, ons onbekende route op.

Door de Haut Jura volgen we de route richting Genève. We schampen Zwitserland, komen door tal van ski-dorpen. Draaien en spiralen door heuvels en dalen. Graan en mais, gras, bossen en bergen, koren en druiven vormen een afwisselend decor langs het zon-zinderende wegdek. Een omgeving die totaal nieuw is voor ons. Sturend over de N5 langs de Lemme zien we verschillende waarschuwingsborden: overstekende herten. Jaja, het zal wel. Tot onze verwondering huppelt er bij Pont de la Chaux inderdaad een ree met haar kind onbekommerd de weg over. Floep-floep en weg zijn ze, tegen de hoge rotswand op. Natuurlijk heb ik daar in de gauwigheid geen foto van, net zomin als van de eekhoorntjes die regelmatig ons pad kruisen.

Na de Jura komen we in de Haute Savoie. Bij Seyssel stuiten we op de immer turquoise Rhône. De snerpende cigales bevestigen dat we op de goeie weg zijn. We volgen de Bison Futé zoals alle mede péage-vermijders. Aix-les-Bains is een tourist-trap en vreselijk druk zo aan het eind van de middag. Nog één laatste krachttoer voordat we in Chambéry bij het hotel zijn. We lopen direct tegen een bordje ‘masque obligatoire’ aan. Echt niet, zelfs hier niet.

Bekaf zijn we. Gijs haalt patat bij de Burger King, we eten het onder de airco van de kamer op. Daarna spoel ik al het zweet van mijn geradbraakte lijf (haha, ik tiepte ‘lijk’) en dan is er een koud wijntje. Het licht gaat vroeg uit.

Op Polarsteps vat ik het geheel samen: 98 000 haarspeldbochten, 523 rotondes, 42 graden Celsius. Foto’s zeggen lang niet alles.

De volgende dag gaan we met uitgeslapen moed opnieuw op pad, een kortere rit dan gisteren maar minstens net zo warm. De tomtom staat op ‘snelste route, péage vermijden’. Eerst dwars door Chambéry en reeds na de 11e rotonde duiken we Parc Régional de Chartreuse in. Heuvelachtig en groen met weidse vergezichten. Verderop komen we door het Parc Régional de Vercors. Enorm veel walnootkwekerijen, de bomen hangen vol met knalgroene ballen. De oogst laat zich overvloedig aanzien.

St. Nazaire en Royans. Monotoon cirkelzagende cigales heten ons welkom: we gaan goed. D532 richting Valence. Klein stuk N532 snelweg. Pal wind tegen. We worden doof van het geklapper van het open dak maar we schieten wel lekker op. Om Valence heen naar de N7 waarna we, dan weer links, dan weer rechts, langs de tolweg A7 laveren. De harde mistral loeit. Platanenlanen, witgeblakerde hooirollen, paarsgeurende lavendel. We komen thuis.

Op de camping, La Grenouille in Goudargues, staat de plek aardig in de schaduw. We puffen eerst uit op een stoeltje onder de bomen. Het is warm, 35 graden, maar een veel drogere hitte dan in de bergen. Ademhalen is ineens een stuk makkelijker.

En dan is er het terras aan het kanaaltje. Comme d’habitude. Rien n’a changé.


Na een rustdag in de schaduw moeten we nodig weer een spannende route rijden. Om te beginnen van Gerbépal naar de Chateaux d’Eguisheim, dan verder naar Sélestat en bovenlangs terug. Daar zijn we wel een dagje zoet mee.

Na de koffie vertrekken we, we hebben tenslotte vakantie. De weg kronkelt; we kruipen door La Roche du Diable. Zo’n gat in een rots staat garant voor een mooi plaatje. En verder, stijgende voorwaarts naar de Col de la Schlucht op 1139 meter. Schlucht, zo’n lekker woord. Sjllloegt. Houten chalets en ski-stations brengen ons in de waan in Zwitserland te zijn.

Daarna daalt de weg, haarspeld na haarspeld door kneuterige dorpjes. Al slingerend komen we aan bij Chateau du Hohlandsbourg. Het is 100 graden in de zon, we werpen een blik naar binnen en smeren ‘m gauw het bos in. Over een onverhard pad vinden we een pracht van een koffietafel. Een zen stilteoord, eenzaam in het bos, slechts in gezelschap van de vogels.

Na de pauze vervolgen we onze weg door rustieke dorpjes en langs Elzasser wijnvelden naar Sélestat. Ook hier te warm om rond te struinen. Leuk stadje, maar de klinkers zijn veel te heet voor Ravi’s pootjes. We rijden door. Op de (saaiere) terugweg rijden we plots een tunnel in. Péage zelfs. Zeven kilometer lang, er lijkt geen end aan te komen. Tolpiepertje doet het. Altijd een gokje.

Het is de bedoeling de volgende dag een end te gaan struinen. We rijden wederom naar de Col de la Schlucht, gewoon omdat ik het daar zo mooi vond. Tegenover het ‘Bergkirchli’ willen we een wandelroute gaan lopen… wat gelijk al fout gaat. Dit kan toch niet de bedoeling zijn? Het ‘pad’ gaat stijl omhoog langs de stenen van een droogstaande gletcherbedding. Omhoog! Omhoog! Her en der stoppen we voor wat uitzichtfoto’s (waar je niets van terugvindt door de bomen en de dampige atmosfeer).

Het lopen met Ravi is lastig. Hij blijft trekken naar kanten waar wij niet kunnen lopen. Op 1250 meter hoogte, na ruim 100 meter klimmen, zijn we de zogenaamde route totaal kwijt, we lopen hetzelfde pad terug. Denken we. Niet dus. Af en toe zijn er steile afstapjes op smalle plekjes waar ik mijn brede voeten nauwelijks neer kan zetten. Ravi dendert naar beneden, als een echte sledehond. Arme Gijs. Uiteindelijk hebben we niet eens zoveel stappen gezet, maar hé, wát voor stappen waren dat!

Ook op de camping is het leuk struinen: via een ‘geheim pad’ tussen manshoge varens kom je bij een beekje, waar Ravi direct doorheen kleddert. De teken springen als vlooien op zijn witte haren. Wat we toevallig zien lopen, plukken we er direct af. De dagelijkse vangst varieert van 3 tot 5 teken per borstelbeurt. Zijn we blij mee?


Dinsdags worden we rustig wakker worden en ontbijten net zo rustig: wachten tot de tent droog is. Om 11 uur zijn we klaar voor vertrek. Het wordt een bloedmooie dag; het bloemetjesgordijn behoedt ons voor een zonnesteek. Een even zonnig geel bankje nodigt ons op de koffie. Slingerend door de Ardennen koersen we af op een smokkelaars-grensovergangetje naar Frankrijk.

We stuiten op een déviation door het statige Longwy, zo zien we nog iets van die stad. Hierna slingeren we tot we op de A31 richting Metz uitkomen.

Na de drukte bij Metz en een détourtje via Pompey (aan de Moezel, dat wel) vanwege een dikke file bij Nancy, komen we op een rustiger snelweg richting Strasbourg. Bij Aire de St Rémy gooien we de tank  en buik vol. Ook Ravi krijgt zijn zonnedak, anders is het niet uit te houden voor hem. Zon staat recht boven ons, het wordt behoorlijk heet in de auto. De rit duurt veel langer dan ik dacht. Of hoopte?

Om half 5 zijn we dan eindelijk op de camping Les Trexons in Gerbépal. Geen idee waar we nou weer terecht zijn gekomen. De ontvangst is erg hartelijk en het gekoelde welkomstdrankje komt meer dan gelegen. En dan zijn we aan het begin van de avond geïnstalleerd. Het was een lange, warme en vermoeiende dag.

De volgende dag komt de tent al vroeg op stoom onder de brandende zon. Bij het kroelen met Ravi vind ik iets verdachts. In de wei op 20 meter staan koeien, er lopen allerlei beekjes, het gras staat hoog: de teken tieren hier welig. Deze teek moet even wachten tot we ontbeten hebben. Daarna gaat Ravi op tafel. Gijs punnikt het al dode beest eruit, een wandelende teek kan direct doodgedrukt worden. Sterilon op het wondje, nieuw staartje in zijn pruik en ons mannetje is weer het hondje. Blijven controleren dus!

Ik verhuis tafel en stoelen naar de schaduw onder de bomen. We schuilen in het berkenbosje voor de verzengende zon. Wat een rust hier. Gijs haalt boodschappen terwijl Ravi de tent en mij bewaakt. We zitten stil en doen nix. Boven ons hoofd tikken de kramsvogels hun noodkreten op hun oude Remington, takketakketakketak. *)

*) https://www.vogelbescherming.nl/ontdek-vogels/kennis-over-vogels/vogelgids/vogel/kramsvogel


 

Vandaag is het woensdag 15 juni. We zijn al een aantal dagen op pad en onderweg, pas nu heb ik de rust en tijd om een ordentelijk blog in elkaar te flansen. Ik ga de reis niet in detail uitspellen, dat lijkt me bijzonder irritant om te lezen. Picknick hier, picknick daar… Ik hoop het te beperken.

Zaterdag vertrekken we kallumpiesan met zonnig weer en een lekkere temperatuur. Koeteldekoet over de autoroute tot Namen. Hierna gaan we de snelweg af, het dak klappen we half open, verder in de richting Bouillon. Jawel, onze eerste camping bevindt zich in de Ardennen. Iets wat we nog nóóit gedaan hebben, kamperen in België.

Op Camping Maka worden we vriendelijk welkom geheten. We kiezen voor een plek die zo scheef is als wat, maar heel open -dus zonnig- met een fraai uitzicht. In de bloedhitte, de wind is inmiddels weg, zetten we de tent op. Het gevecht met de bedden win ik met pijn en moeite. Als alles zo ongeveer op zijn plek staat, eten we bij het restaurantje en de rest van de avond puffen we uit. Gewoon buiten, hoewel met vest en lange broek aan. Alles wordt klam en vochtig. Ravi ziet eruit als een natte suikerspin.

Zondag schijnt de zon al vroeg als een malle. Broodje halen en ijsblokken wisselen. Dan is er thee. En nog meer thee. En dan koffie. En nog meer koffie. Met een stroepwaffel. Na het avondrood en de rokende kampvuurtjes van gisteravond komen we vandaag een beetje bij. De schoongewaaide hemel kan zowat niet blauwer; boven het uitzicht zweeft een roofvogel op de thermiek van het opwarmende bos.

Na al die koffie ondernemen we een struintocht van 5 km. Door manshoog gras, brandnetels en bramen ontwijkend, komen we bij de Gespleten Rots (La Roche Percée). Het avontuur stuurt ons het bos in, onder kilometershoge kromme dennen door, langs hectometerpaaltjes van vingerhoedskruid. Ravi koelt dankbaar af in de modderstroompjes. Tenslotte keren we door de gebarsten steenklomp tentwaarts. Score: natte sokken, blubberschoenen en een tweekleurige hond. Droogt wel. Eerst drinken.

De volgende morgen moet ik er al vroeg uit, de natuur roept. Letterlijk ook. Het is een uur of 5, het is al licht. Damp golft boven de Sémois, een miljoenenkoor van vogels schalt door het dal. Ik geniet, stil, in mijzelf. Zonder smartphone om het geheel vast te leggen. Dit is voor mij alleen.

Het is een bewolktere dag. We parkeren de auto bij het kasteelfort in Bouillon, het carillon speelt Alle Menschen werden Brüder. Fascinerend. We mogen met Ravi helaas niet het kasteel binnen. De reden spreekt voor zich: grote roofvogel-show en klein wit hondje is geen goede combinatie. De koffie met uitzicht smaakt er niet minder om.

De weg voert voort, over een voormalige tabaks(smokkel)route. Bij het uitzichtpunt trekt Gijs de handrem erdoorheen. Met veel brute kracht wordt het terug op zijn plek gezet. We kronkelen langs Rochehaut. Bij een stopplek in het golvende landschap… zakt Gijs door de voorbank. En als we met een provisorisch opgehoogde stoel verder rijden, knippert het remvloeistoflampje. Aaarrgghh!!

In het voorbijgaan zie ik bij een garage na Orval een grijze Charleston staan. Die móet theoretisch de goeie remvloeistof hebben. 2€ armer en dat is gefikst. Op de camping trekt Gijs de hele auto uit elkaar en gaat stoelen matten met de inderhaast gekochte spanbanden. Hopelijk houdt het. De schroef van de handrem wordt aangedraaid, een paar keer geprobeerd en dat zit eveneens weer veilig in elkaar.

Pfoe. Spannende route… met recht.

PS: Onze reis houd ik bij in Polarsteps. Download de app op je mobiel, stuur mij een volg-verzoek dan kun je ook de globale routes, inclusief onze wandeling(en), van dag tot dag volgen op je smartphone. Dat kan ook via je pc, zie bijvoorbeeld deze link.


Via een avontuurlijke tocht komen we ten langen leste op de afsluitdijk in de standaardfile terecht. In Friesland heeft de zon zich achter dikke wolken terug getrokken, weggejaagd door de wind. Weilanden, paarden, wat bonte koeien, afgewisseld met “Kameleon-dorpjes” en uit de kluiten gewassen boerenhoeves… maar geen enkele knappe picknickplek te vinden. Voor mijn gevoel úren later stuiten we plots op een prachtplek. Een bosje voor de benodigde privacy, een ronde picknicktafel, een watertje met langs glijdende kano’s en gillende meiden in een wiebelend bootje. De thee en krentenbollen smaken naar vakantie.

De zendmast in Hoogersmilde steekt hoog boven de motorklep de lucht in. We koetelen verder en tegen vieren arriveren we op de minicamping Beilerhorst. De tent staat ingericht en wel in een uurtje op zijn plek en dan is er koffie. Intussen zijn de wolken gezakt en komen al spetterend naar beneden. Wij zitten droog. Kacheltje is warm.

Vrijdag. Tom(tom) weet een Hunebedrondje. Om warm te blijven gaan we op pad. Overal zie ik meer dan manshoge rododendrons. Fantastische verstoppertje-plekken onder knalroze bloemen-dekbedden. Misschien lijkt het wel of ik in de bekende facebook-val ben getrapt. Zonnige foto’s, blije hond, mooie ritten…. Ik deel de mooie dingen die we beleven en sta maar niet te lang stil bij de kou, de wind, de regen. Elke foute interpretatie van Tom is een nieuw avontuur, het is maar net hoe je het bekijkt.

Het eerste hunebed waar we over een rul weggetje terechtkomen ligt nabij Valthe. Een kleine hoop stenen slaapt in de schaduw van een boom. “Vogel wipt. Tak kraakt. Lucht betrekt. Bijna niets om naar te kijken en juist dat bekijk ik.” schreef Roland Jooris in de jaren ’70. Zo voelt het precies.

Gevoederd en gelaafd in de luwte van wat struikgewas rijden we naar Valthermond om onderdelen voor de Dyane op te halen. Hierna hervatten we de route naar hunebedden D19 en D20, in de buurt van het dorp Drouwen. Even wachten tot de meute klaar is met fotograferen en op de fiets is gestapt, daarna hebben we het rijk alleen. Bijzonder van dit stenen gevaarte is de extra buitenring van kransstenen. Een doorkijkje onder een deksteen: Ravi achter de coulissen.

Zijpaden van de route brengen ons op klinkerwegen die bestraat zijn met minimorenen. We rammelen tussen de hoge bomen door tot het pad heel saai weer in asfalt overgaat. De laatste hunebedden die we bezoeken liggen in Rolde. De prehistorische begraafplaatsen liggen in het verlengde van het kerkhof bij de kerk. Of eigenlijk andersom. Onder eeuwenoude bomen, omringd door rododendrons zie je eerst de grafzerken, keurig in het gelid langs aangeharkte paden naast elkaar, daarachter een rommelige hoop keien waar een paar families elkaar naast, onder of bovenop de stenen op de foto zetten. Ik probeer er omheen te fotograferen.

De middag loopt op zijn end als we terug op de camping zijn. We gaan wederom een kille nacht tegemoet.

Zaterdagsmorgens zijn we mooi op tijd bij het startpunt van de 2CV Drenthe-clubrit. We parkeren midden in het hoge gras tussen de mede-eenden en aanverwanten. In een sliert van een stuk of tien auto’s gaan we van start maar al snel zijn we er een aantal kwijt die het dichtstbijzijnde restaurant induiken voor de lunch.

Helaas gaat het traject deze keer vooral linksom. Tip voor de volgende organisatoren: niet doen! Als je steeds rechtsaf slaat, geef je de bijrijder tenminste de kans de voorgangers in optocht te fotograferen. Die zitten nu telkens aan de -voor mij- verkeerde kant.

De beloofde Drenthe-rit voert ons voor het merendeel door Overijssel, maar dat mag voor ons de pret niet drukken. Ook mooie bomen, landerijen en kasteeltjes. Bij Landgoed Het Laer in Ommen schijnt de zon. Picknicken naast de kinderboerderij klinkt als een plan, de koffiebekers en de broodjes staan al snel op tafel. Hiervandaan kunnen we de verkeerd rijdende achterliggers goed zien. De één na de ander moet keren om vóór de hertenkamp de route op te pikken. Een ander eendenstel voegt zich bij ons, genoeglijk lunchen we in de zon. Bij het eindpunt aangekomen loop ik nog een rondje foto’s waarna we terug kronkelen.

Wat zullen we nou eens vanavond eten? Alle kookspullen zijn mee, maar als je met twee personen en een hond in de tent zit, is er weinig manoeuvreerruimte over. Gijs haalt bij een Surinaams afhaal restaurant roti’s en barra, fantastisch idee. We gaan met volle maag slapen.

Zondag. Tijd om te vertrekken. Het regent niet meer, hopelijk droogt de tent snel. Eerst maar eens beginnen met thee en een rondje met Ravi. Ik pak binnen alles in terwijl Gijs buiten orde op zaken stelt. Er wordt hevig aan de tent geschud, al het water wordt eraf geveegd. De tent is zo goed als droog op de onderkant na als we de boel opbreken. Het extra zeiltje heeft de modder tegen gehouden, het is schoon water. Eraf vegen en thuis een uurtje op zijn kop laten drogen.

De terugweg slingert met een kronkel naar Giethoorn en Urk naar die stomme Markerwaarddijk. Pal tegenwind natuurlijk, maar Dyaantje trekt het best. Thuis brandt de kachel. We zijn afgeknoedeld, bekaf van vier dagen rijden. Het was mooi proefkamperen: zo weten we dat het luchtbed echt lek was, kon Gijs de stoel repareren en hadden we verder alles bij ons. Maar om nou te zeggen dat we dit weekendje-weg uitgerust zijn?


Wordt het al saai? Al die verhalen over al die weekendjesweg, de toertochten? Tantpis, hier is er weer eentje.

Op de vroegere Koninginnedag organiseert de 2CV Club een rit door Twente. We maken er een weekend van zodat we zondags het Citroën evenement Citro Classica kunnen bezoeken.

We vertrekken vroeg om net op tijd 2,5 uur later te arriveren bij wegrestaurant Frans op den Bult in Hengelo (O). Hier krijgen we een geestig bolletje katoen op een metallic-roze haaknaald, een verwijzing naar het thema van vandaag: ‘Industriële Revolutie’. We laten ons de koffie en een plak krentenwegge goed smaken, Ravi wordt evenmin vergeten. Er verschijnt een bak met water en hij wordt door iedereen verwend met hondenkoekjes.

Uiteindelijk vertrekken we met het laatste koppel Eenden. We hebben het parcours in Tom ingevoerd, ik houd de papieren beschrijving op schoot. Vrij snel na de start gaat het al hilarisch fout… De weg die we ingestuurd worden is afgesloten. Of misschien wel niet? Sommigen proberen het toch, een paar keren om en wij rijden door. Na enkele gravelpaden hervatten we de route vanaf Papier, Tom volgt later.

Bij Aamsveen stuiten we bij een parkeerplaats aan de rand van het bos op wat clubgenoten die daar picknicken. Gijs is direct in gesprek met deze en gene terwijl ik koffie maak en wat te eten pak. Ravi snuffelt zich suf. Best gezellig, al koelt het snel af. De zon laat verstek gaan.

In colonne rijden we door… tot er in Haaksbergen een straat is opgebroken. De colonne valt uiteen, ik lach me gek. Dankzij Gijs’ goede richtingsgevoel weten we Haaksbergen te ontvluchten. Opeens rijden we alleen. Tom en Papier verschillen nogal eens van mening waardoor we nu eens op Tom vertrouwen, dan weer op Papier. Soms is dat grappig, evenzo vaak is het frustrerend. Hierdoor is ons weinig Industrieels of Revolutionairs opgevallen. De -overigens leuke- rit is zo een waar avontuur geworden.