Er was eens… een boot. Een catamaran om precies te zijn, van oom en tante die gek waren op reizen, zeilen en Scandinavië. Die catamaran voer onder de naam Akka. Alle neven en nichten zijn weleens een end met hen wezen varen, IJsselmeer, Waddenzee, Noordzee. Alleen ik, de jongste, viel buiten de boot.

Er was eens… een boek. Ja, echt, voordat er een tekenfilmserie van gemaakt werd, was er een boek. Wij hadden dat boek. “Niels Holgerssons wonderbare reis” geschreven door Selma Lagerlöf, bijna verplichte literatuur in de vorm van voor-het-slapen-gaan-voorlees boek met schitterende platen van Anton Pieck. Ik ben tegenwoordig de hoeder van dat boek, ik heb het geërfd.

En nu is er… een autootje. Een Acadiane Mixta,  om precies te zijn. Dat verhaal is jullie bekend. Maar hoe zullen we het blauwe blikken vrachtwagentje noemen? Het is de eerste van onze auto’s die ik een naam wil geven. Een echte naam. De naam van de boot en uit het boek, Akka, is altijd blijven hangen in mijn achterhoofd. Akka van Kebnekaise, leidster van een vlucht wilde ganzen die een tocht onderneemt naar Lapland waar Maarten de tamme witte ganzerik en Niels Holgersson, op zoek naar vrijheid bij aansluiten.

Dat idee, op zoek naar vrijheid, past nou precies bij het gevoel dat ik in mijn Acaatje heb. Daarbij is het sprongetje van Aca naar Akka niet zo groot; een 2CV is een eend; een Dyane wordt vaak de zwaan genoemd dus waarom zou mijn Acadiane dan geen gans kunnen zijn? De naam was snel gekozen. Nu nog de belettering.

Nadat ik vorig najaar de pompeblaêdjes van de zijkanten afgepeuterd had, begon ik te schetsen. Haha, tekenen, schetsen, dat kan ik helemaal niet. Met behulp van sjablonen van internet fabriekte ik een soort opvliegende gans met riethalmen, want ja we zitten nou eenmaal in de polder, omhuld door een enso, een open cirkel**. Tenslotte had ik een word-document met een plaatje. Ik vond een lettertype dat lijkt op mijn eigen handschriften daarna moest dat geheel gespiegeld worden voor de andere kant maar de letters niet, afijn je begrijpt, ik ben lekker een poosje aan het fröbelen geweest.

Aangezien ik ’t Letteratelier op facebook volg, heb ik daar op 31 oktober vorig jaar een mail heen gestuurd. “Jongens, hierbij een pdfje van mijn geknutsel, kunnen jullie hier iets netters van maken voor stickers voor mijn Aca.” Niet geschoten altijd mis, nietwaar? Onmiddellijk volgde er een autoreply: “Wegens enorme drukte duurt het langer dan gebruikelijk voor we uw mail kunnen beantwoorden.”

Oudjaar ging, nieuwjaar kwam, de eerste ritten werden alweer gereden en toen ik het niet meer verwachtte ontving ik in mei ineens een mailtje. Ik had de hoop al bijna opgegeven. “Kijk, dit hebben we ervan gemaakt, is dat ongeveer wat de bedoeling is?”.

Na een paar mailtjes over en weer hebben we gebeld om details te bespreken. “Mag ik wat vragen? Is dit de Aca van Tien?” Ik grinnikte, “waren die pompeblaêdjes van jullie?” Inderdaad, die hadden zij verzorgd. Zodoende was het formaat voorhanden en konden we snel tot een afspraak komen. Opsturen of langskomen? Ik besloot stoer zelf naar Blaricum te rijden, dan kon ik bij zuslief in Hilversum lunchen. Een datum geprikt, het plan stond.

Nu de praktijk. Om eerlijk te zijn zie ik als een berg op tegen een uur lang snelweg razen met het herriebakkie en daarbij zijn de weersvoorspellingen ook nog eens abominabel. In Middenmeer stormt het en zodra ik bij Medemblik ben, gaat boven de kraan wagenwijd open. Mijn ruitenwissertjes kunnen de zondvloed amper van de voorruit bezemen. Die stortbui inclusief wat hagel duurt met tussenpoosjes ongeveer tot de Zeeburgertunnel. Wat een kabaal. Achter een vrachtwagen blijven hangen bij forse tegenwind is geen succes, het bakkie waggelt van links naar rechts. Gas geven en erlangs scheuren is het devies. Zo knor ik met gemiddeld 100km/u door tot afslag Blaricum/Huizen. Als je een constante snelheid houdt, is het lawaai te doen. Ik had op anderhalf uur gerekend wat uiteindelijk iets meer dan een uur wordt.

Johan en zijn partner Edo ontvangen me allerhartelijkst. In hun hal staat een knalblauwe HY bus gepropt tussen allerlei dozen en rollen. Leuk, we hebben hier te maken met regelrechte Citro-fans. Edo moet op locatie in Amsterdam aan het werk en Johan gaat aan de slag met mijn stickers. Ik heb amper tijd om een foto te maken of ze zitten er al op. Johan en ik doen in het kantoor een kopje koffie. Kan ik van bovenaf mooi een fotootje schieten. Johan vertelt over hun Citriën-verzameling: pak ‘em beet 3 eenden, een bestel-eend, een mehari en 1 of 2 HY’s. Altijd wat te kletsen met gelijkgestemden en leuk om complimenten over mijn houtje-touwtje ontwerp te krijgen.

Ik vertrek naar Hilversum en word daar zoals gebruikelijk verschrikkelijk verwend met eigengemaakte soep, brood van de Franse Bakker en deftige chocolaatjes toe. De terugreis start wederom met een gigantische hoosbui. Hiervandaan ken ik de weg en heb nu wind mee.

En thuis maak ik trots een paar foto’s van mijn stralende Akka op de oprit.

*) Niels Holgerssons wonderbare reis, © 1906-1907 Selma Lagerlöf

**) Wat symboliseert de Ensō?

Verlichting en Leegte: Het staat voor het universum, de oneindigheid en de staat van ‘geen geest’ (volledige leegte en vrijheid).

Imperfectie en Acceptatie: Een Ensō wordt vaak bewust niet perfect gesloten getekend. Dit symboliseert de schoonheid van onvolmaaktheid (wabi-sabi), acceptatie van het moment en de cyclus van het leven.

Persoonlijke Groei: Een open cirkel geeft ruimte voor beweging, ontwikkeling en openheid.

Bron: wikipedia


Er moest een extra luifel voor de tent komen. Ik vond het onzin, stom ding, ziet er belachelijk uit en ik zag het nut niet. Maar hé, het ding is niet te duur en zit in een vrij kleine tas, die kan makkelijk mee ook met de Dyane. Dus vooruit, wij kopen een luifel en gaan hem in Nederland uitproberen.

De traditie vereist met Hemelvaart (of Pinksteren) te kamperen met de vrienden. De weersvoorspellingen zijn schrikbarend maar we gaan het wel zien. De zon schijnt in Middenmeer, maar ik hou mijn hart vast wat ons in Brabant allemaal te wachten staat. Na een vlotte snelwegrit is het nog een stukje krauten door het Brabantse land. Smalle weggetjes, weidse landerijen, het ziet kalm uit. Schijn in Schijndel: de camping blijkt aan de grote doorgaande weg te liggen. Da’s nou jammer.

Op de camping wachten we in de auto een buitje af voor we de boel opzetten. De haringen kunnen we gemakkelijk in de grond duwen. Het gras zompt enorm, wat een hoop regen hebben ze hier gehad. De luifel opzetten is een vreselijk gepruts, we hopen het nu te snappen zodat het een volgende keer gemakkelijker gaat. Het “voorportaal” scheelt direct een hoop natte inloop. Ik geef het toe, misschien is het best praktisch. Wist ik veel.

De vrienden zijn er aan het eind van de middag, die zetten een stuk vlugger op. De bij de camping bestelde borrelbox wordt vervolgens onder gekeuvel een koppie kleiner gemaakt. In het zonnetje, de dreigende lucht drijft verder. De keuze waar we zullen eten is niet zo ingewikkeld, het pannenkoekenrestaurant aan de overkant van de drukke weg. Na het eten duiken we vroeg ons bed in, met het kacheltje en de elektrieke dekens aan.

Vrijdag is een niksnutterige dag. Oftewel vakantie. Lang uitgeslapen na een koude nacht. De zon staat op de tent, het lange gras glinstert groen van dauw en/of regen. We gaan een wisselvallige dag tegemoet, maar ontbijt met eitjes, allerhande lekkers en koffie hebben we in de zon terwijl de zwarte lucht langs ons heen drijft. Vooralsnog.

Na een wandelingetje met Ravi stappen we gevijven in de snoek om naar het fenomeen “de Wit in Schijndel” te gaan. Het parkeerterrein is zo groot als die van de Efteling en navenant druk. Bizar. Optimistisch duiken we in het kampeerwinkelgekkenhuis en dompelen ons onder in (te) dure en (te) grote tenten, vouwwagens en daktenten. Tentzakken van 60-65 kilo. Ik zie de Dyane al door z’n wieltjes zakken, hilarisch.

Maar we vinden ook fleecedekens (mijn elektrische deken heeft de geest gegeven) en een miniatuur Dyaantje. Gijs ook blij. Blijkt de nutteloze dag toch zin te hebben. We neuzen tussen lange paden vol allerhande onnodige en vast handige accessoires. Als de buien overgedreven zijn gaan we verder: er moet geboodschapt worden en een ijsje genuttigd voor we terugkeren naar de camping.

Na het borreluurtje wordt er serieus werk gemaakt van het eten. Veggie Tikka masala. Mafkezen. Hij die tot 4 jaar geleden geweigerd heeft óóit te gaan kamperen heeft zich ontpopt tot een ras-campeur. Hij wil kóken op de camping. Ach ja, koken is zijn hobby, maar om dat nou in de regen op de camping te willen doen? Het gaat mijn pet te boven. Pas bij het afwassen zal ik me wel nuttig gaan maken. Op twee tafels onder de luifel snijden, roeren en prutsen de drie koks terwijl er een vette bui overkomt. Ik blijf veilig bij het kacheltje zitten, dan loop ik niemand in de weg. Koken. Nooit mijn hobby geweest en op de camping al helemaal niet. Maar zo, onder de luifel is het heel gezellig en het eten is heerlijk. En die afwas? Zo gepiept.

Na de afwas zeggen we welterusten en kruipen ieder in ons eigen tent. Het is bar koud geworden. Vannacht heb ik een extra, extra deken.

’s Nachts was het 3 graden zag ik op het thermometertje op tafel onder de luifel. Zo handig die luifel! Een royaal ontbijt, nu met pannenkoeken. Zelfs na twee dagen kletsen we nog steeds 5 kwartier in een uur. Na drie bakken thee en twee keer koffie lopen we een rondje met de hond. Stuiten op een boerderij met een paar geinige Dafjes. Hierna is het tijd voor de lunch, wederom veel te uitgebreid. We worden hier vetgemest.

’s Middags krijgen we een rondleiding langs de kruidentuinen en druivenpercelen voordat de wijnproeverij begint. Ravi mag niet mee, Gijs blijft met hem bij de tent.

Bij de inleiding op het terras worden er uit het kruidenperk blaadjes en takjes rondgedeeld die we moeten ruiken en proeven en dan raden wat voor plantje het is. Aan mij heeft-ie een slechte. De eerste drie, citroenverbena, citroenmelisse en munt, verpesten mijn reukvermogen voor de rest van de middag. Citroen en munt STINKEN! (postcovid)

De kruidenperken zijn geen nette vierkanten met de kruiden op een rijtje maar cirkels en slingers en álles staat rammelend door elkaar, een waar paradijs voor bijen vlinders en vogels. De eigenaresse, Myriam, is herborist en weet precies wat je waarvoor kunt gebruiken en welke kruiden nuttig zijn voor elkaar in de tuin. Ze maakt hiervan theeën, siropen, azijnen, muggenspray en zo meer. In het eerste kruidenperk bij de receptie staan zeven kaarsrechte ginkgo’s. Het hele domein is omgeven door een verscheidenheid van loof- en naaldbomen, ook weer goed voor beschutting, bestuiving etc.

Verder lopend over de graspaden vol klavers, paardenbloemen en andere “onkruiden” komen we bij de eerste wijnranken, 15 verschillende rassen. Hier krijgen we uitleg over de bodemgesteldheid, de druivenrassen, de snoeiwijzen… ik ben de draad na een halfuurtje echt wel kwijt en ik krijg het koud. Goddank is het de hele tijd droog.

Verderop komen we bij een wilgenbosje met daarin een soort heksenkring, een beschutte cirkel met boomstamkrukken als zitplaats plus eentje in het midden, onder meer gebruikt voor meditatie-sessies. Daar tegenover is het druivenlabyrint, in de lay out van het labyrint van de kathedraal van Chartres. De term “labyrintwijn” zet zich in mijn brein vast, dat moet lekkere wijn zijn. Wij gaan het labyrint niet in, dat is een individuele aangelegenheid (zie de website). Er volgt nog veel meer informatie, ik begin nu echt in te kakken. We zijn al anderhalf uur verder en ik heb nog geen wijn gezien. Gijs appt al waar we blijven.

Binnen staat alles klaar voor de proeverij. Wijnboer Geert is enthousiast en trots op zijn bedrijf, hij vertelt er vol humor over. Soms een beetje té, alsof hij een one man show weggeeft. Ach, ik lach er maar om, het vette Brabantse accent is vanzelf al grappig.

Bij het ruiken van de wijnen krijg ik kortsluiting. Werkelijk alles, áls ik al iets ruik, ruikt naar citroen. Bah. De wijn doet mijn mond samentrekken zo zuur. Is dit nou labyrintwijn? Ik blijk de enige te zijn in de hele groep met deze reactie. Pas de derde witte (de eerste twee heb ik weggegoten wat nix voor mij is, dus dat zegt iets) vind ik wel aardig. Dat blijkt appelwijn te zijn. We worden genept waar we bij staan.

De rode wijnen kunnen me evenmin bekoren, het bakje raakt vol van mijn restjes. De laatste wijn lijkt bruinig als hij uit de fles geschonken wordt. Mensen vinden de kleur naar sherry neigen. Ik heb geen idee maar dit is letterlijk de éérste wijn waar ik íets ruik. Iets zoetigs als pruimen of rozijnen. Hoe de wijn smaakt? Deze vind ik wel lekker, iets voor bij een chocoladetoetje ofzo. De aap komt uit de mouw: de wijn is gemaakt van de appelbes en zwarte bes plus nog wat andere fruitsoorten. De ondertitel op het etiket zegt “hij is bes lekker”. Dat verklaart een hoop.

Precies om 6 uur rollen we weer naar buiten, 3,5 uur later. Eten doen we voor het gemak weer aan de overkant. Voor het éérst in mijn leven krijg ik mijn kaas-gemberpannenkoek helemaal op, ik zit dan ook bommetjevol. Kacheltje aan en uitbuiken. Tot morgen!

Dreigende wisselvalligheden. Toch buiten ontbijten, laatste eitjes en restjes appel- en notenbrood opmaken. Gezellig. Nog steeds niet uitgebabbeld. De luifel is wederom ideaal: karretje eronder en droog inpakken. Tent en luifel opbreken is dan nog een makkie, ze zijn zo goed als droog. Tegen het middaguur nemen we met dikke knuffels afscheid. De tijd gaat altijd te snel, die paar dagen zijn zo voorbij. Tot gauw!

Op de snelweg aan de andere kant is de grijzeduivenuittocht zuidwaarts begonnen, elke 3e auto is een camper of trekt een caravan. Bij Hoorn verwelkomt een gigahoosbui ons in West-Friesland. Lekker dan. In de thuispolder is het weer droog en licht. Die gekke maar toch o zo handige luifel hangen we vijf minuten over de waslijn. Klaar voor de junivakantie!


Daar staan we dan. Een lange sliert, de dag voor Koningsdag toepasselijk vooral rood-wit-blauwe auto’s, uitwaaiend op een waddendijk op Texel. Waarom hebben we dat nooit eerder gedaan?

Voor ons een dagtochtje, in tegenstelling tot Limburg is dit lekker dichtbij. Schoonzoon liet weten een keertje mee te willen rijden met een clubrit, dit is de uitgelezen kans. Dochterlief moet helaas werken, wat we allemaal erg jammer vinden. Daags voor vertrek zetten we het bankje achterin de Aca, want ook onze jongste zoon en een vriend van schoonzoon willen mee. En na een laatste poetsbeurt om het Limburgse stof eraf te krijgen zijn we er helemaal klaar voor.

Om 8 uur staan schoonzoon en vriend al voor de deur. Na de koffie en croissantjes krijgen de jongelui eerst rijles, want ja, dit is een iets andere auto dan waarin zij hun rijbewijs gehaald hebben. Rond half 10 vertrekken we vervolgens in de twee auto’s naar Den Helder. Pech, de boot van 10 uur met aan boord een stuk of wat eenden vaart net af. Genoeglijk staan we buiten in de zon te kletsen, het is echter nog hufterig koud.

We hebben het eerste deel van de route voor de Tomtom gekregen, daarna wordt het ouderwets navigeren ben ik bang. Bij het startpunt, restaurant Veronica in Oudeschild, is al veel volk op de been, met een beetje manoeuvreren prakken we onze karretjes ertussen. Lopen een rondje, zeggen wat mensen gedag, drinken een bakkie koffie. Onze drie jongens brengen de gemiddelde leeftijd flink omlaag.

De papieren ritbeschrijving beslaat 1 (één!) kantje, jemig, dat wordt lastig. Nouja, vanaf de start crossen we toch allemaal achter mekaar aan. Druppelsgewijs worden na het uitlegpraatje de 41 auto’s in gereedheid gebracht voor vertrek. Een feestlint van kleuren, een regenboog aan autootjes vertrekt, het eerste dijkje op tot iedereen stilstaat. Opstellen om in colonne te rijden? Welnee, de bestuurder van de gele eend gaat op zijn dooie akkertje het dak oprollen. We schuiven er één voor één langs.

De jongelingen hebben een onderling wisselsysteem ingesteld zodat ze alle drie: een keer aan de beurt komen om te sturen; ruim achterin kunnen zitten doch met stijve nek om iets door de vooruit te zien; op de krappe bijrijdersstoel mogen navigeren.

Wat hebben we ongelooflijke mazzel met het weer. Oké, de wind snijdt maar de zon schijnt en de windveren en wolken die in de Dyaneblauwe lucht zweven maken elke foto tot een plaatje. Op de Lancasterdijk aan de Wad-kant wordt er massaal gestopt voor een fotoshoot in rood-wit-blauw.

Met de Aca nu vóór ons kachelen we met een klein plukje verder. We komen langs het geinige winkeltje, Pier 53, waar we een paar jaar geleden onze eerste molen voor in de tuin gekocht hebben. Nog steeds een mooie winkel, maar geen tijd om te stoppen. We moeten de rest bijhouden!

Eindpunt van de Tomtomroute is de vuurtoren bij De Cocksdorp. Ook daar staan de parkeerterreinen behoorlijk vol. Helemaal aan de buitenrand bij de strandopgang vinden we een plekkie in de luwte. Koffie, krentenbollen, bananen, pakjes frisdrank en uit de kofferbak van de jongens komen eveneens behoorlijke lunchpakketten tevoorschijn. Heb ik daarvoor voor een weeshuis broodjes ingeslagen? Er zijn wat restaurantjes, terrassen en een strandtent waar wat clubjes clubleden zich in terugtrekken. Wij eten daarentegen gewoon uit de kofferbak, lekker makkelijk. Hèhè, wat benne me uit hè.

De één loopt naar de vuurtoren, de andere twee gaan met Ravi het strand op. De hond wordt helemaal maf. Het duurt een poos voor ze terugkomen. Blijkbaar wilden ze tot aan het water lopen, het strand was alleen veel breder dan verwacht…

Om een uur of 2 vinden we het welletjes, de twee vrienden moeten immers nog een heel eind verder reizen. Het enige probleem is dat we nu geen Tomtom meer hebben, slechts de laatste regeltjes van de routebeschrijving. We noemen het avontuur. Of cursus navigeren. We hebben ieder zes ogen nodig: twee op het papier, twee op de weg en straatnaamborden en twee op de Tomtom om die straatnamen terug te vinden. Splitsingen zijn soms niet vermeld omdat de straat waar we op zitten schijnbaar logisch alleen naar rechts te volgen is. Of naar links. Voor een Tesselaar vast heel logisch, voor de vastelanders een raadsel. “Rechtdoor over de rotonde” maar waar blijft die rotonde nou toch? In De Koog is een afsluiting waar we bordjes volgend omheen karren en op goed geluk weer op de goede weg terecht komen. Eindelijk zien we Ecomare verscholen in de duinen liggen.

Van daaruit komen we bij het bos. Ik wist niet eens dat er op Texel een bos was. Onderscheid tussen weg en fietspad is af en toe een gok, ze zijn namelijk even breed en op beide wordt er gefietst. Het is er echt mooi én uit de wind. Bij restaurant/snackbar Turfveld bij Den Burg is het zo te zien goed druk, logisch want hiervandaan starten wandel-, fiets- en trimpaden. Ergens bij de laatste aanwijzingen vlak voor Den Hoorn missen we een straatnaam, slaan we te snel af en rijden we te ver door. Ach, één missertje op de hele reis valt nog wel mee. Omdraaien en straatje-keren, wat met de Dyane makkelijker blijkt te zijn dan met de Aca.

We hebben het bootje terug om drie uur, kunnen gelijk inschepen. We worden op een ijsje getrakteerd dat precies op is als het tijd is om de auto’s op te zoeken. Bij het ontschepen raken we de Aca kwijt. Wij hebben het stoplicht mee, zij niet. Wij hebben de brug mee, zij niet. Zij nemen daarna een andere (leukere) omweg en zijn toch slechts 5 minuten na ons thuis. De jongens zijn laaiend enthousiast en blijven maar “dankjeweldatwemeemochten” zeggen. Wij zeggen: “Dank jullie wel voor de gezelligheid!” Volgende keer zorgen we dat dochterlief ook mee kan!


 

PS: de meeste foto’s zijn van mij, voor de rest © Gijs, Casper, Kevin, Stan.

Half april, een zonnige waaibomendag. Als dit zo blijft hebben we morgen mazzel met de 2CVclub-rit in Limburg. Gijs heeft een grappige B&B in de buurt geboekt. Daar kunnen we vanaf 4 uur terecht, ruimschoots tijd om eerst bij redactie-collega Els een bakkie te doen. En met dat plan gaan we op pad.

Bij Els aangekomen worden we gastvrij ontvangen in een heerlijke woonboerderij die aan allerlei verbouwingsperikelen onderhevig is. Wat een ruimte! Hoewel het fris is, drinken we in de tuin thee en kletsen we 5 kwartier in een uur. We bewonderen uiteraard haar nieuwe Aca-aanwinst. Geen foto’s gemaakt stom genoeg. Buiten naast het huis doen we wel een fotosessie bij de Citroëns op de oprit.

Tegen vieren zwaaien we vrolijk “tot morgen!” Binnendoor crossen we naar Ospel. Ik zie onderweg topzwaar bloeiende prunussen, uitgebloeide magnolia’s en paarse seringen die aarzelend beginnen open te komen. Bij B&B De Turfstaeker aangekomen blijkt dat we gewoon binnen hadden kunnen lopen. Ja, weten wij veel, we zijn onpersoonlijke Ibissen en Novotels gewend… We krijgen koffie, thee en een dikke plak verse cake toegestopt en praten wat met de twee andere gasten. Een halfuurtje later deponeren we alle spullen in de ruime kamer. Een privé tegelterrasje kijkt uit op een groot weiland met een vijver waar een husseltje loopeenden rondkwaken. Langharige geiten met vier jonkies kuieren er rustig tussendoor, kijken zelfs niet op of om als er twee lompe pony’s langs komen denderen.

Op weg naar het restaurant, Peerkesbosch, verbaas ik me over de vele hypermoderne, om niet te zeggen M. Hulot futuristische villa’s. Van boerderettes tot walgelijke nep-kasteeltjes, het cliché “hoe meer poen hoe minder smaak” lijkt maar al te vaak van toepassing. Passeren in Nederweert een nieuwbouwwijk met absurd grote huizen op ieniemienie kavels, mannetje aan mannetje. Welke architect dit verzonnen heeft, hij mag terug naar de tekentafel. De volgende morgen maak ik er foto’s van ter bewijs.

Via een onverhard zandpad komen we bij het bosrestaurant. We schuiven aan ons gereserveerde tafeltje in de hoek, Ravi aan de voeten. Het restaurant zit goed vol, wat voor de Indiër geldt, geldt ook hier: als de locals er eten, is het goed eten. De gigantische burratasalade krijg ik voor driekwart op. De gekarameliseerde perzik en geroosterde walnoten snoep ik er nog tussenuit en dan zit ik bommetje vol.

We lopen een stuk naar de bosrand, langs de alpaca’s en de walibi’s, de kippen en de paarden. Het grote terras zal ’s zomers stampvol zitten, nu is het te koud.

In de schemering tuffen we terug. Op ons kamerke is het stil. Welterusten.

De volgende morgen staat er een prima ontbijt met een grote pot thee, verse jus, eitjes, afbakbroodjes en zelfs een gekookt eitje voor de hond klaar. We hebben tijd zat voor we kallum-an naar Stramproy vertrekken.

Bij het startpunt is een grote parkeerplaats opengesteld voor de eenden. Buiten is de wind koud, bibberend schiet ik wat willekeurige plaatjes. Het kleine kroegje kan de vraag naar koffie amper aan, de wachttijd loopt op aangezien elk kopje koffie per stuk klaargemaakt wordt in de keuken. Lekkere koffie, dat wel. Na het praatje kunnen we eindelijk op pad. Met alleen een papieren routebeschrijving, oei. Met een stuk of wat spontane aanwaaiers meegerekend zijn we met meer dan 60 auto’s.

We zitten in de voorhoede-colonne. “Follow the leader”, dan kom je er wel. Tot Peer zitten we continue achter dezelfde Charleston. We scheuren van het ene onverharde pad naar het volgende, geweldig stoffig maar leuk. Met die boerenlandpaadjes is het logisch dat de Tomtom daar geen GPX route van kon maken, volgens dat schermpje rijden we door het grote niets.

In Peer stopt de meute bij Poire et Provence. De hele winkelstraat en verder is volgepakt met 2CV’s tot een kleurrijk feestje. Poire et Provence zelf is een curiosa en tuttemezooi souvenirwinkeltje zoals overal in Zuid-Frankrijk, heerlijk om in rond te snuffelen. Bij Léonidas ertegenover krijgen we een bolletje ijs.

Hierna zoeken we het dichtstbijzijnde tankstation. Tank en reservetankje volgooien, duurder dan vorige maand scheelt het toch nog steeds twee kwartjes de liter met de pomp in Middenmeer. Bij de kerk in Peer hervatten we de routebeschrijving. In ons uppie, dus ik moet aan de bak als navigator. En meeschrijven. En fotograferen. En op de weg letten. En op het papier letten. Leve de reispillen.

Vrij snel na de bebouwing ziet Gijs een bankje dat we gelijk bezetten. Tijd voor koffie en een broodje. Als ik net een hap genomen heb, stopt er een stel clubgenoten. Ze vissen stoeltjes uit de kofferbak en komen er gezellig bij zitten lunchen. Gaandeweg komen er steeds plukjes eenden langs toeteren, ik krijg een lamme arm van het terugzwaaien.

Brood op, koffie op: we gaan door! Een tankstation wordt overvallen door de halve club, blij dat wij dat al gedaan hadden. In België is overigens net als in Weert weinig te merken van enige economische crisis als we afgaan op de vele nieuwbouwvilla’s en bouwprojecten. Na een paar kilometer duiken we gelukkig weer de zandpaden op. Het is te koud om met open dak te rijden, de foto’s door de voorruit worden al stoffiger.

Vlak vóór de laatste rotonde, op 100 meter van het eindpunt klappen er twee 2CV’s op elkaar. De weg wordt ineens versperd door een zwerm eenden. We kunnen niet goed zien wat er nou aan de hand is, dat wordt pas duidelijk als we erlangs kunnen schuifelen. Beide wagens hebben veel schade. Wat een naar einde voor de eigenaars, en dat na zo’n gave tocht!

Bij het maffe cafeetje zeggen we wat mensen gedag en zetten koers naar huis. Het hoost van de lucht, de hele terugweg. Als het verzamelde stof tijdens de rit vandaag spoelt in vuile stroompjes van de ruitenwissers af. Op de Veluwe knoertharde wind pal schuin tegen. De auto stuitert alle kanten op.

Na ruim 3 uur snelwegrumoer zijn we eindelijk thuis. We zijn kapot. Volgende keer Limburg: twee overnachtingen boeken!


 

Weg uit sleur en drukte, gewoon een paar dagen er helemaal tussenuit. Dat is het plan. Om nou voor een weekje naar Thailand te vliegen en daar dezelfde dingen te gaan bekijken die we al vaker gezien hebben, dat is teveel gedoe op niks af. We zoeken het iets dichter bij huis, dan kan de hond ook mee. Wel zo gezellig.

File-ontwijkend via Eindhoven rijden we Nederland uit. Na de koffie net over de grens in België gaat het dak open en het vest uit; de zon wordt weliswaar gesluierd door hoogvliegend Saharastof, de temperatuur is heerlijk. Het laatste uur tot onze bestemming zetten we de Tomtom op kronkelen door de Ardennen, we hebben tijd zat. Ineens dwalen we door een totaal ander landschap. Weides, bossen, dorpjes en tsja, daar word je plotsklaps een off-road pad ingestuurd. Leuk met de Dyane, de Snoek heeft er evenmin problemen mee.

Precies om 4 uur arriveren we in Six-Planes (70 inwoners) waar we worden verwelkomd door een oud dametje dat ons meeneemt de oprit naar het huisje op. La Petite Maison is precies wat het belooft: een knus-kneuterig natuurstenen huisje met een later aangebouwde vestibule zoals je dat vaak ziet in België en Frankrijk. De grote tuin is geheel voor ons, in die verre schuur ligt voldoende hout als we meer nodig hebben om te stoken. Het huisje is compact maar alles is er. Op zijn Belgisch aan elkaar geknoopt doch functioneel, tot de plastic bloemetjestafelkleden aan toe. Elke wand is voorzien van minimaal één of twee schilderijtjes, terwijl je, als je naar de voorste muur kijkt, een levend schilderij omlijst door een 80cm diep kozijn ziet. De stoelen buiten lonken. Omringd door vogels en stilte, proosten we op een paar dagen weg-zijn.

Op een prent aan de wand zie ik dat la Petite Maison 100 jaar geleden een schooltje was. Op de foto zien we de schoolmeester poseren met zijn 23 leerlingen voor het raam van wat nu de keuken is. Helaas zijn veel oude kenmerken, zoals de stenen raamomlijstingen verdwenen door isolatie- en moderniseringswoede. De robuust-eiken raamstijlen zijn lang zo mooi niet.

Het koelt snel af als de zon weg is. Het aansteken van het houtkacheltje is een uitdaging: de beloofde aanmaakblokjes en lucifers ontbreken. Gelukkig had Gijs die laatste thuis nog snel in het krat erbij gegooid. Hij weet met de láátste lucifer het vuurtje aan te krijgen.

De rest van de avond zitten we moe en rozig maar bar tevreden voor het kacheltje dat gezellig sputtert en vlamt. Ravi maft aan Gijs’ voeten.

We beginnen de dag met het verkennen van het slaperige dorp. Ergens zit een specht in zijn boom te beitelen. Honderden mussen, mezen, groenlingen en een blaffende hond in de verte versterken het geluid van de stilte.

Na de koffie in de tuin rijden we naar Alle, daar zit een boulangerie en een kleine supermarkt waar Gijs lucifers en aanmaakblokjes haalt. De Semois staat hoog. Overal langs de slingerweg passeren we watervalletjes en snelstromende greppeltjes, langs de rivier zijn veel gîtes en campings. In Alle staat de kerstversiering tussen de carnavalsconfetti.

We nemen een spannende route terug. Wanneer we op een wegkapelletje met gebrandschilderde glas-in-lood ramen stuiten, stappen we even uit. Het blijkt een grafmonument te zijn voor een verzetsstrijder in WO2. De klok heeft een mooie galm, we kunnen het niet laten om het touw een zwengel te geven.

We lunchen met de gekochte lekkernijen buiten. Langzaamaan wordt de zon weer stoffig. Ik hou het tot half 5 uit, dan gaan we naar binnen.

En ook zondags is het prachtig weer, waar hebben we het aan verdiend. We gaan voor de lunch naar Vresse, een pizzeria is open en we kunnen lekker buiten zitten. Een derde van mijn pizza wordt ingepakt, avondeten voor vanavond.

Uitbuikend lopen we naar de Semois. Op de grasvelden langs de oevers wordt volop gepicknickt. Na het rustieke stenen boogbruggetje volgt een asfaltwandelpad de rivier. Honderden soorten mosjes en felgroene varentjes hebben de stenen muurtjes langs het pad gekoloniseerd, overal sijpelt helder gedruppel. Om een rondje te maken is er ’s zomers als de rivier laag staat een brug, een soort vlot-/touwbrug waar vroeger de tabakstelers gebruik van maakten om van de ene akker naar de andere te kunnen lopen. Wij keren om en lopen dezelfde weg terug.

Wordt het al eentonig? Ochtendkoffie in de zon. Een dikke reuzenhommel zoemt om ons hoofd, verdwijnt af en toe tussen de warme leistenen van de muur en komt ergens anders weer naar buiten.

Suf genoeg ontdek ik nu pas de stapel folders en infoboekjes in de vestibule. Ik vind een makkelijke wandeling van 5,5 kilometer, de “Route de Maquis”, route van het verzet. Startpunt: de Millennium toren in Gedinne. Het pad is op veel plaatsen van een informatiebord voorzien. Hoe het verzet hier in 1944 georganiseerd was, wat de omstandigheden toen waren, etc. In die dagen was er natuurlijk geen keurig bewegwijzerd pad, slechts dicht bemost bos. Er is van alles te lezen wat ik niet doe. Ik onthoud het toch niet, ik maak er wel een foto van als het me interessant lijkt.

Het eerste deel van de tocht is een dalende asfaltweg door gekapt boslandschap met wijd uitzicht. Halverwege slaan we af, het bos in. Het steenslag-pad stijgt licht, in de greppels en geulen naast het pad gutst water. We zien een paar stammetjes als potloden geslepen rond een kreekje liggen, een beverdam heeft een vennetje gecreëerd (geen foto helaas). Het pad wordt al drassiger en als de plassen te groot zijn, tilt Gijs Ravi eroverheen. De arme hond gaat in de vertraging, het is best een end al met al.

Thuis is er thee op het terrasje. Elke middag voeren twee of drie buizerds een luchtshow op, geweldig gezicht.

Laatste dag. Omdat het vanmiddag schijnt te gaan hozen gaan we vroeg aan de wandel. Er is een wandeling (route 7, groene rechthoekje op de kaart bij de kerk) vanaf Six-Planes, 6 kilometer moet te doen zijn. Heuvel op, heuvel af, door de weilanden en bos, mest, modder en blub. De kerk in Gros-Fays heeft een oude façade en een lelijk-moderne zijkant. Blijkt afgebrand geweest te zijn en “economischer” herbouwd.

Die 6km zijn er 7,5, ruim 10.280 stappen, ik ben kapot. Koffie.

Gijs rijdt ff naar de super, ik doe niks meer behalve theedrinken. De lucht is nu helemaal dichtgetrokken, de regen laat niet lang op zich wachten. Gijs haalt een kruiwagen hout, de kachel gaat aan. Zo redden we wel de avond door.

Ik borstel Ravi in de vestibule, eerst nog begeleid door vogelkoren maar algauw worden die overstemd door het geroffel van de volgende bui. Net een tentdak, dat geratel op het plexiglas-golfplaten dak.

Het blijft op en af plenzen. Ravi verzet geen stap meer. Ik ook niet.

De laatste nacht slapen we altijd wat onrustig en zijn we er bijtijds uit. Anderhalf uur later zijn we klaar voor vertrek, inclusief het huisje aan kant gemaakt. Gijs zegt mevrouw gedag, inspectie gelooft ze wel. On y va. Il pleut.

Bij Thynes spotten we een picknickhutje. De thermosfles doet het niet goed, dus de koffie gieten we zo naar achteren. We staan droog maar bagger, wat is het koud!

We slingeren verder. Door de mistroostige voorruit maak ik geen foto’s hoewel er genoeg te zien is. Vakwerkboerderijtjes en kerkjes met leien daken glimmend van de nattigheid; wit en roze prunussen, knalgele forsythia’s en grote solitaire magnoliabomen vol in bloei. In elk zichzelf respecterend dorp ligt een stapel snoei- en afvalhout klaar om in het weekend voor Pasen te worden aangestoken. Borden waarin het “Grand Feu” wordt aangekondigd staan al van verre langs de weg. We krauten door weilanden, de modder spat tot op het dak bij de diepe plassen en vervolgens kriskras door bossen via een superspannend-steile afdaling  tot we uitkomen bij Yvoir aan de Maas. De rivier is hier heel breed en stroomt snel.

Genoeg gekronkeld. Na het tanken wordt Tom ingesteld op snelste route, nu wel via Brussel en Antwerpen. Op de snelweg is het zicht nagenoeg nihil. Wát een nattigheid! File bij Brussel, Antwerpen rijdt aardig door. Vooral laatste uur file, A8, A7. En thuis schijnt de zon.

á la prochaine!


 

Na een paar proefritjes nu het nog mooi weer is, gaan “we” aan de slag. Ik zeg wel “we” maar iedereen weet dat ik Gijs bedoel.

We beginnen met ontroesten aan de binnenkant. Een Spaans slakkenhuisje komt tevoorschijn bij het lostrekken van de oude, mee-gespoten, geluidsisolatie bij onze voeten. We constateren dat daar slechts wat kleine plekjes aandacht behoeven.

Gijs gaat verder met de laadvloer. Roest zoveel mogelijk wegkrabben, vervolgens met rust-preserver (RX5) insmeren om de roest te impregneren en neutraliseren. Dat is doorzichtig spul dat er helemaal in en tussen kruipt. Als dat gedroogd is kan er antiroestbeschermspul (RX10) op, een zwart, haast rubberig goedje. Ook dat moet lang drogen en pas dáárna kan ik kwasten.

De industrielak die ik bij de bouwmarkt op de kleurcode heb laten mengen, is, nadat Gijs er wat wit doorheen gemengd heeft, goed genoeg voor de binnenkant, al is het iets te blauw in vergelijking met de originele lak. Een plat vlak schilderen lukt mij zelfs.

Als het antiroesten en verven is gebeurd, kunnen de anti-dreunplaten tegen de voorkant van de voetenbak geplakt worden, waarna de nieuwe vloermatten erin kunnen. De laadvloer krijgt een nieuwe mat en dan mag ik het wagentje pimpen. Het vliegend vloerkleed arriveert, Ravi komt eens inspecteren. Het duurt niet lang voor hij erop staat, eens links krabt, dan rechts, vier rondjes om zijn as draait waarna hij zich als een tevreden pasja in het midden van het tapijtje uitstrekt. Beproefd en in orde bevonden.

Lak voor de buitenzijde laten we na een zonnig ritje mengen bij Fraay in Purmerend. We hadden wel een potje tweecomponentenlak op kleur meegekregen, maar Gijs gebruikt in de airbrush liever metaallak. Na meting blijkt het bleekblauw een ‘reguliere’ industriekleur te zijn waarmee ze in Spanje hebben overgespoten. Frappant.

Inmiddels is het november en gaat Gijs met de onderkant van de bodem aan de slag. Die ziet er op zich prima uit, een laag antiroest is alleen wel noodzakelijk. Eerst in de wasbox de boel schoonspuiten: de modder zit in alle hoeken en gaten. Na een dag drogen met de ventilator erop wordt de Aca op de brug gehesen. Een hogedruk-luchtblazer perst er nog veel bende onderuit. De naast de brug geparkeerde bolide wordt beschermd door twee grote schermen. Als dat gebeurd is, gaat Gijs met de honden-waterblazer de laatste hoekjes en gaten na.

Nu kunnen we echt aan de gang. Gijs demonteert de voorspatborden zodat hij overal goed bij kan. Nu is goed te zien hoeveel vuil er nog steeds is achtergebleven, dat wordt eerst weggeveegd. Daarna spuit hij met een slangetje aan de spuitbus de binnenkanten in met de rustpreserver. De brug en de vloer zijn bedekt met zeilen om de garagevloer niet te smerig te maken, het spul lekt namelijk overal langs.

Elk blootgelegd stuk metaal wordt zorgvuldig bedekt met het glimmende goedje. Ook het uit elkaar gehaalde en schoongemaakte rooster achter de grille krijgt uit voorzorg een laagje. De kunststof grille zelf krijgt direct nieuwe glanzende chevronnetjes. Staat wel zo sjiek.

Wanneer alles ingesmeerd en gedroogd is wordt in de holle ruimtes een schuimachtig spul gespoten (RX7). Dat blijft flexibel en kleverig. De rest wordt ingespoten dan wel ingesmeerd met de zwarte antiroestbeschermer. De beugels van de grille krijgen een nieuw laagje Hammerite verf.

Na een paar dagen drogen gaat de Aca terug de geprepareerde wasbox in. De vloer wordt beschermd met een verse laag plastic. De achterkant van de auto is zo hoog mogelijk opgekrikt zodat alle gaten en kieren van de onderkant verder bewerkt kunnen worden. Gijs hult zich in een witte wegwerpoveral, schudt de nieuwe spuitbus met “underbody coating” en kruipt onder de auto om alle hoeken en kieren grondig te behandelen.

Wanneer de roestprotector gedroogd is en de hal, brug en wasbox zo goed gepoetst zijn dat het net  is of er niks gebeurd is, staat de Aca weer in zijn eigen hok. Hier hebben we de komende maanden rustig de gelegenheid om kleinere plekjes bij te werken en te verfraaien.

Op een mistige vrijdag in december maken we om het resultaat te vieren een ontspannen toertje door de Noordkop langs de Helderse duinen. Een paar dagen later wordt er zóveel gepekeld dat het zonde zou zijn van het vele werk om nog meer tochtjes te maken. Hoe hard de zon ook schijnt…


“Zijn jullie nou helemaal gek geworden?”
Nou, laat ik het zo zeggen. We worden wel steeds ietsje gekker, maar nog niet zoveel dat we helemáál gek zijn geworden. Denk ik toch.

Want wat gebeurt er wanneer je plotseling de vraag krijgt of we interesse zouden hebben in een Acadiane Mixta? Dan word je toch vanzelf heel begerig? Niks geks aan.

De eigenaar die ons het mailtje stuurt, is Tien, die we kennen van de Dyane Vereniging. Zij werkt onder meer bij de Eendengarage in Wormer. Motorisch, technisch en qua onderhoud zit het goed met deze auto, daar kunnen we zeker van op aan. Of we nou echt dríe oldtimers nodig hebben, vragen we ons vervolgens af. Nee natuurlijk niet, met zijn tweeën vier auto’s hebben is lichtelijk overdreven, milieuonvriendelijk en ga zo maar door. Maar het is wél leuk. Twijfels omtrent stalling worden snel door onze buurman verholpen, de Snoek mag in zijn grote hal gestationeerd worden zodat de Aca in onze box kan slapen. Aldus kunnen we antwoorden dat we inderdaad geïnteresseerd zijn.

Enkele dagen later ontvangen we meer details. Leeftijd, kleur, datum tenaamstelling in Nederland, kilometerstand en de hele restauratiegeschiedenis.

Een Acadiane Mixta is een Spaanse bestel-Dyane met een bankje en schuiframen achterin. Het staat te boek als een personenauto, een stationwagen met geel kenteken zogezegd. De benaming is Dyane 6-400 Mixta, Spaans voor gemengd gebruik. En die stond, zoals Tien wist, met potlood in de kantlijn van ons verlanglijstje geschreven…

Hij is van 24 februari (Ma’s verjaardag!) 1984 en in 2021 is hij naar Nederland gekomen. De kleur Bleu Camarque, code AC 635, is alleen in 1984 gebruikt. Het vergrijsde blauwgroen doet denken aan de zinderende zomerlucht boven de Rivièra. De Nederlandse kentekenplaat achterop begint met N-7. Charles Trenet zong erover, de route nationale N7: “Le ciel d’été remplit nos cœurs d’sa lucidité […] on est heureux Nationale 7” [“De zomerhemel vult onze harten met zijn helderheid, […] we zijn gelukkig op de N7.”] I rest my case. Eén en al vrijheid.

We worden steeds enthousiaster en op een zonnige dinsdagavond in augustus rijden we de dijk over naar Friesland. In het echt ziet de auto er nog mooier uit dan we ons herinnerden. De Mixta staat aquamarijn te glimmen in de avondzon, met aan weerszijden een knalrode pompeblêd-smiley. We babbelen wat, tasten wat af en bladeren door de stapel papierwerk. Tien heeft werkelijk álles bewaard en gedocumenteerd, de importpapieren, de originele Spaanse papieren, de keuringsrapporten en wanneer ze welk probleem en reparatie heeft aangepakt.

Na een rondje om de auto, klep open, deurtjes open enzovoort wordt het tijd voor een proefrit. Tien neemt plaats achter het stuur, ik ernaast. Starten gaat soepel… té soepel. De grote sprong voorwaarts!

Er is iets mis met de versnelling. Vanmiddag is er nog mee gereden en nu dit. We balen er gedrieën van, wat een domper. Telefonische hulplijnen kunnen zo gauw geen oplossing bieden. Evengoed komen we overeen dat we de auto graag willen hebben.

Enkele dagen later gaat de Aca op transport naar Wormer. Daar wordt de motor eruit gehaald, geconcludeerd dat het niet de koppeling is. Dat is jammer want nu moet de versnellingsbak open gemaakt worden. Gelukkig is hij in goede handen, we hebben er alle vertrouwen in. De pignon-as in de versnellingsbak blijkt gebroken te zijn. Er komt een andere, weliswaar gebruikte want nieuw niet te krijgen, in. Na deze versnellingsbakrevisie en wat andere reparatietjes rolt de auto in één keer zonder opmerkingen door de APK keuring. Zitten we de komende twee jaar goed.

We hebben mazzel, de auto mag tijdens onze vakantie tussen de stellingen bij de Eendengarage blijven staan. En de eerste de beste vrijdagmiddag dat we thuis zijn, zetten we koers naar Wormer. Likkebaardend kijken we in de snoepwinkel van Sander Aalderink rond, wat een enige auto’s staan hier. De leukste staan buiten: de Aca en onze eigen Dyane.

Het op naam overzetten kan ter plaatse en is in mum van tijd gebeurd. Daarna maak ik samen met Tien een proefritje. Bloednerveus ben ik en Tien zit met kromme tenen naast me als ik het stuur heb overgenomen. Heel begrijpelijk want het is alweer een poosje geleden dat ik in de Dyane reed. Ze geeft me een boel tips, die ik op de terugrit kronkelend door Noord-Holland hardop in mezelf herhaal. Achter Gijs aan scheurend langs Knollendam, Driehuizen, door de Schermer, langs Heerhugowaard zweet ik me peentjes. Hard werken, dit vrachtwagentje, al hoef ik hoegenaamd geen kracht te gebruiken. Sturen zonder stuurbekrachtiging is voor mij echter een complete workout. Heelhuids bereiken we het thuishonk.

In de dagen die volgen maken we een lijstje wat we allemaal aan de Aca willen doen. Hoewel het lijstje gestaag langer wordt, volgen de eerste groene vinkjes erachter al snel. Anti-roest behandelen heeft prioriteit, ik wil hem zoveel mogelijk als dagelijkse auto gebruiken. Nieuwe vloermatten en antidreunplaten tegen het geluid. Kleine dingen zoals een alarm zodat ik mijn lichten niet vergeet uit te doen. En ja, die “pompeblêdjes” gaan eraf, hoe vrolijk ze ook de wereld in kijken. In dit Noord-Hollandse kassengebied zien ze me aan voor de groenteboer die tomaten langsbrengt…

Terug naar de vraag of we helemaal gek zijn geworden. Waarom anders zou een mens zoveel oldtimers willen hebben. Toch is het antwoord heel simpel, en iedere oldtimerfan of citrofiel zal het herkennen. We zijn gewoon hebberig.

Wordt vervolgd…


Net als de rest van Frankrijk staat ook Entrevaux een hoop bagger te wachten komende week. Het wordt tijd om te verkassen. In Cavalaire zal eveneens een plens gaan vallen, maar dat kennen we, dat duurt waarschijnlijk niet langer dan 24 uur. In plaats van noordwaarts -wat logischer zou zijn- trekken we zodoende nog zuidelijker.

Vandaag geen snelweg, Tom stuurt ons de klamme-handjes-route op die we een paar dagen eerder vanuit Tourettes terug reden. Nu gaan die 480 haakse smalle haarspelden met 8% omhoog. Gelukkig zijn er weinig tegenliggers. Bovenop de Col de Félines komen we met een koppie koffie even bij. Een oudere fietser die we zopas ingehaald hebben komt de DS bewonderen, denkt dat we uit de buurt komen vanwege de 04 aan het end van de nummerplaat (Alpes de Haute Provence). Leuke man.

Na deze bult volgt direct de volgende, Col de la Buis met 10% en haarspeldbochten tot 1142 meter. Een hertje huppelt naast mij de berg af.

Vlak voor Saint Auban komen we lang het grotkapelletje, Notre Dame de la Clue. Er rijdt niks achter ons en het zit nu aan mijn kant, ik kan nu proberen door mijn ruit te fotograferen. Ik was benieuwd hoe zoiets bedacht is, de naam is een link naar informatie over de 138 jaar oude bedevaart plek.

Terwijl we door het landschap meanderen, verandert het decor. De kleuren van helder groen en glinsterend grijs naar het stoffig bruin van enorme kale militaire terreinen omheind met prikkeldraad. Het verkeer wordt al drukker, de lontjes al korter. Vervuiling in de bermen. De ruige schoonheid van de Mercantour en de Alpen ligt duidelijk achter ons en is overgaan in een over-geciviliseerde, over-bebouwde, overbevolkte toeristenfuik. Alleen het stabielere klimaat krijgt ons nog deze kant op.

Gijs moet op de weg letten en ik zie deze gave muurschildering in Comps-sur-Artuby, tegenover Restaurant l’Artuby, uiteraard te laat om te fotograferen, ik heb hem hierbij stiekem gejat van internet.

Een gekke route volgt door Plan de la Tour wat duidelijk een sluipweg voor de locals is, heel druk, smal en bochtig. Hebben we dat ook een keer gezien. De parasols bij Saint Tropez La Foux trotseren het gekkenhuisverkeer als vanouds.

Als we op de camping naar beneden rijden krijgen we van de bovenburen een staande ovatie, “Bravo!” en “C’est magnifique ça!” Wild enthousiast zijn ze. Grappig. Het duurt echter wel een poos voordat bij ons de tent staat, het is nog ruim 30°.

We dineren met uitzicht in het restaurant van de camping waarna we in het aardedonker de tent opzoeken. Warm genoeg om buiten te zitten, de kerstverlichting wordt opgehangen. Kneuterig hoor.

Campingleven

Een rustig campingdagje volgt na een broeierig warme nacht. Overdag benauwd, klam, dikke wolken met grote stukken blauw ertussen. Om 5 uur: drup. Drup. Drup. Drupdrup. Drup drupdrup drup. Drupperdedrup. Binnen zitten. Na half uur droog. Soep met brood. Het spookweer wordt vanavond om 10 uur pas verwacht. Ik zit goed met mijn boek….

…en dan gaat het ineens enorm los. KLABÀM! We zitten al een uur naar het weerlichten te kijken tot met een donderslag om klokslag 10u de hel losbreekt. Zulk noodweer. We kennen het, waren voorbereid en nog laten we ons overvallen. De meeste spullen waren gelukkig binnen, Gijs had uit voorzorg vast extra lijntjes met haringen in de grond gestampt. Het is warm en klam als we gaan slapen.

Oh wat een nacht

Sodemeknetters! Als ik net ben ingedommeld gaan beide telefoons gillen, een FR-alert. Moeten we vertalen met ons slaaphoofd, zie je het voor je? Een zondvloed stort de berg af.

We gaan weer slapen, het is wat het is, wij zitten droog. Ineens rechtop schrikken van een KNAL die ergens inslaat. Sooheee wat een nacht. Je rust er niet echt van uit.

De volgende morgen? Alles is meer dan doorweekt, de wijnglaasjes dobberen verzopen in de afwasbak. Zon schijnt. En als we stroom hebben kunnen we ontbijten.

Struinen

Het is Gijs gelukt mij uit mijn luie stoel te krijgen voor een simpele wandeling. We zetten de auto voor Hameau du Dattier en lopen door het tunneltje over het oude spoortracé van de Train des Pignes (daar issie weer, volgens mij heten die boemellijntjes stiekem allemaal hetzelfde). Nu is het pad vooral in gebruik door iets te dikke mannen op iets te stoere fietsen. Zonder bel. Af en toe best irritant.

De lucht is super helder, Maison Fonçin ligt te stralen op de bult. De eilanden Porquerolles en Port Cros scherp tekenen scherp af tegen de horizon. Van bovenaf kiek ik door wat hekken heen naar de tuinen van Domaine de Rayol.

Alweer zo’n dag

Volgende morgen bij het ontbijt. In de heg voor ons en de struiken boven ons zit een troep zwartkopjes rinkelend met elkaar te roddelen. Twiedeliediedie twiedelieliedie.

De kilometerteller doet het niet, Gijs weet het in mum van tijd te fixen. Wel zo handig dat we kunnen bijhouden hoeveel we gereden hebben. We zetten koers naar de haven waar we op een van de vele terrasjes van een café crème genieten. Terug de tent volgt meer koffie en de zaligheden die we bij Léone, onze hof-patisserie, ingeslagen hebben voor ik naar het zwembad verdwijn.

Visite

Het werd vannacht kouder en kouder. Ontbijt bij 15°, er komt meer en meer wind. Vriendin Mireille die op de koffie komt met haar nieuwe hondje Sushi de Chinees, sterft ook van de kou. Ze rollen bibberend uit de auto. Zelfs de locals moeten bij deze temperatuuromslag even schakelen.

’s Avonds zit ik dik ingepakt in mijn nomadendekenvest aan tafel. Sla met patat, passend nomadenvoer.

Laatste dag

De boel moet op. Dat wil zeggen dat Gijs heel gezond de laatste wilde perziken soldaat maakt en ik het schuimpje. De meringues van Leone worden steeds groter, dit is een ijsberg waar ik 3 dagen over ga doen.

Ik hoor een buurvrouw aan de telefoon vertellen: “Ja, het sanitair is oké, er is een klein winkelke waar ge brood kunt kopen enzo, het is alleen niet echt een superdeluxe camping verder.” Ik gniffel in mezelf. In de afgelopen 37 jaar hebben de eigenaars niets anders gedaan dan sterren verzamelen. So far van 2** naar 4****. Sjonge. Geen superdeluxe camping. Ik lach me dood.

Ik ga inpakken dus moet ik afwassen. Niet zo heel ingewikkeld. Avondeten doen we binnen in het restaurant. Vroeg te bed met elektrieke deken op 3. Morgen vangen we de terugreis aan.

Terugreis

In twee uur tijds klaar voor vertrek, je kunt het je haast niet voorstellen bij het zien van de chaos. 10.20u stoppen we bij de boulangerie voor proviand voor onderweg, 10.45u passeren we de parasoldennen bij La Foux en 11.25u draaien we de péage op. Keurig volgens planning.

Ik was vergeten hoe saai deze snelweg is… Zo niet voor Gijs, die moet erg opletten. De weg zit bomvol blik. Gauw een foto van de Montagne Sainte Victoire, die blijft mooi. Daarna is alles groen-bruin.

Of we al dan niet met deze auto door Lyon mogen zal ons een worst wezen, we sluiten gewoon aan bij de file. Het geeft mij de kans het Musée des Confluences te fotograferen. De Rhône is grauw, het museum grijs. Ik ben in één klap een illusie armer. Een halfuur later zijn we de tunnels door.

Na een volle inpak- en reisdag is het eten in het restaurant van Novotel Macon-Nord “bijzonder.” Gegrilde romaine-sla, hoe kom je op het idee. Als vegetariër heb je nou eenmaal weinig keus, maar eerlijk gezegd? Niet te hachelen. Wat is er mis met een omelet en frietjes?

Bis bis

In grijze nattigheid maken we ons op voor de Bis-route. Lange broek, trui en sokken aan, het is kil. Overal langs de weg staan bordjes met “Chasse en cours!” en in de wegbermen staan her en der oranje geheste mannetjes, soms met een blaffend jachthondje naast zich, zodat het opgedreven wild niet plotseling de weg opvliegt. De zonnebloemvelden ogen als zwarte doodse akkers.

We duiken het dorp Saint-Germain-lès-Arlay in terwijl we veelbelovende bordjes Aire de Jura volgen. Er is een parkeerterrein aan de rand van het dorp, ik zou het niet echt een Aire willen noemen. De koffie en lekkernijen smaken er niet minder om. En ons geitje geniet van vers bedauwd gras. Het is nu zo zonnig dat het dak een stukje open kan.

Vésoul rijdt onverhoopt goed. De hele rit is het zo’n 12-13°, met kachel en vest is het toch lekker met het dak wat open. Lunch bij Fougerolles, twee uur eerder dan vorig jaar. Thionville volgt om 16.00u.

Hèhè, we benne d’r. Ons galgenmaal gebruiken we bij een McDonalds vlakbij ons hotel, we hebben geen zin meer om nóg een keer in een restaurant te eten. Bij het Campanilehotel -we proberen eens wat anders- verloopt het inchecken niet zo soepel, mijn lontje is op. We hebben de laatste kamer, de vérste op de 1e etage aan de àchterkant van het motel. Lekker rustig. Een rolgordijn buiten tegen het licht en de stadsdrukte valt -op een incidentele sirene na- erg mee.

(Bijna) thuis

Het is echt koud vanmorgen, de auto is totaal beslagen. Na een rumoerig ontbijt gaan we eerst op zoek naar een tankstation, dat scheelt een paar kwartjes op de hele vakantie. Daar gaan we, het laatste hortje.

Gaan we expres op zóndag door Nederland, staan we nog dik in de file. Het is wat het is. Het dak is open, de lucht is blauw en weet je wat? We zijn er gauw. Afgezien van die file is het een stuk rustiger op zondag. De weg zit wel vol maar het is breed genoeg voor z’n allen.

Aan het begin van de middag draaien we oprit op. De notenboom heeft in onze afwezigheid twee kratten vol plus nog meer noten gedoneerd en het grasveld is keurig gemaaid. Fijn weer thuis te zijn en als bonus in het zonnetje te kunnen terugkijken op een schitterende vakantie.

á la prochaine!

Deze vakantie: 3760 km, veilig gereden door Gijs.


We zouden vandaag terugtrekken naar het Noorden, maar voor de derde keer hebben we ons verblijf verlengd. Er is hier zoveel te zien…

We prikken een nieuw “tochtje”. Via Frankrijkpuur.nl heb ik de Gorges du Verdon-route gedownload en Gijs heeft deze in Tom gezet. Het eerste stuk naar Castellane kennen we de weg, daarna pakken we de aanwijzingen op. Allez-óu!

Bij Saint Julien du Verdon staan we even in de file omdat de berg-klimmende werkers van alles naar beneden doen keilen. Struikjes, rotsblokken, grind, alles blijft mooi in de struiken achter de hekken liggen. Net als ik uitgestapt ben om foto’s te maken, beginnen de auto’s voor ons te starten. Ik duik nogal lomp terug in de auto. Dan maar geen foto’s.

Wat een weer weer, wat boffen we toch steeds. Zo bevoorrecht zijn we dat we ons deze trips, deze auto, kunnen veroorloven dankzij Gijs’ harde werken; dat we die vrije tijd hebben, dat we samen die vrijheid hebben om avonturen aan te gaan en ervan te genieten, te gaan en staan waar we willen, te eten wat we willen en te nietsen als we dat willen. En als het zonnetje lekker zijn best doet, dan is geluk heel gewoon.

Op een plateautje tegenover Trigance gaan een broodje en koffie er grif in. Hierna volgen talloze hellingen waarbij Gijs steeds opmerkt: “Met de eend had dat in zijn één gemoeten.” Oftewel, hij is blij dat we deze rit met de snoek maken, dat is minder hard werken.

Oeps! Vlak naast een doodeng doorgangetje is een stel jongeren ondersteboven aan het rotsklimmen op de steenklomp langs de afgrond naast de weg. Voor de lol. Mafkezen.

Het uitkijkpunt Balcon de la Mescla hangt uitnodigend aan de rotswand. Ik heb de bibbers in m’n buik en benen en alles daartussen terwijl ik afdaal naar het lager gelegen terrasje om foto’s te nemen van de rivier honderden meters naar beneden. Ik snap nu die uitdrukking “Grand Canyon van Frankrijk” die altijd zo overdreven vond. Bovengekomen op straatniveau ziet Gijs de beloofde gieren, ik zwarte vlekken voor m’n ogen. Het is warm, het was eng.

We klimmen naar 1180 meter. Je kunt je hier makkelijk voorstellen dat er eeuwen geleden al mensen over smalle paadjes van dorp A naar dorp B wilden reizen. De karren en transportmiddelen werden groter, de ezelpaden werden meermaals verhard, verbreed en uitgebreid. Dat is niet in één dag gebeurd. Vooruitgang voor de mens betekende achteruitgang voor de omgeving. Als je echter door al dat menselijk ingrijpen heen kijkt, neem je wel degelijk de schoonheid van de overweldigende natuur waar. We prijzen ons gelukkig dat we dit allemaal nu kunnen beleven.

En bedenk je goed: de hemel en de bergen, hoe afwisselend ook, zij veranderen niet wezenlijk. Ze zijn hoog. Kleuren en klimaat veranderen, ze blijven hoog, de hemel en de bergen.

Opnieuw kijken we de diepte in naar de flesgroene Verdon. Wat een land…

Een apart slingertje in de route leidt ons naar Moustiers-Sainte-Marie. Een compleet gekkenhuis ineens, hordes tegemoet komende fietsers, motorbendes en Engelse campers aan de verkeerde kant van de weg. En allemaal heten ze Remi. Zó knap dat Gijs na al die uren met dat krappe bochtenwerk zo gefocust kan blijven. Zoveel concentratie kan ik allang niet meer opbrengen, hij blijft doodkalm. In het voorbijgaan spot ik twee Acadianes en een rode eend op een parkeerpleintje, het is me er veel te druk om te keren en stoppen, enkel om die auto’s nader te bekijken. We gaan verder, langs het Lac de Sainte Croix.

Bij La Palud volgt nogmaals een extra rondje, de eenrichtingverkeer Route des Crètes. We stoppen bij diverse Belvédères, elk uitzicht is verschillend van het vorige. Allemaal zijn ze onvoorstelbaar indrukwekkend mooi. Wat een land. Die maanlandschappen, die diepe kloven, die lazuren hemel… wat een land! Oh, dat zei ik al.

Altijd leuk, een ontmoeting. “Mag ik een foto maken van Ihre Ente?” “Ja, als ik jullie DS mag fotografieren.” “Aber natürlich!” We spotten er zowaar nog meer gieren. Vale gieren als het goed is. Prachtig. Enorme beesten.

Tegen de zon in volg ik een doorschijnend blauwe parasailer, die net als de gieren profijt heeft van de thermiek.

Het lusje, dat we niet gemist hadden willen hebben, eindigt weer in La Palud. Van daaruit is het zeker een uur rijden naar Castellane plus een uur tot de camping. Ik ben doodop van alle indrukken en blij als we om 6 uur de camping oprollen. Wat een dag. Wat een land…

Dan echt onze laatste dag hier. Tijd voor een wasje, dat droogt supersnel met deze temperaturen. Gijs zet nieuwe V-snaren in de auto, knutselen hoort erbij op de camping. De hond bekijkt alles vanuit koelere schaduwplekjes. De lunch: makkelijk. Crèpes natuurlijk.

Tegenover de crêperie zit een enig galerietje. Altijd heerlijk struinen in zo’n verzamelwinkeltje van een paar kunstenaars; iets met vilt, wat aquarellen en verschillende soorten aardewerk waaronder een leuk vaasje. Een aardige dame die rustig zit te schilderen komt in het Frans uitleg geven over het werk van haar collega. Er komen foto’s ter illustratie van het proces tevoorschijn en als ik het goed begrepen heb, vertelt ze me: “Een voorgebakken stuk aardewerk wordt ingewreven met sulfaten waarna het de vuurton, de “pit fire”, in gaat en bedekt wordt met houtjes, spaanders en zaagsel. De hitte, rook en zuurstof geeft het kleureffect op de klei. Dan wordt de brandweer gewaarschuwd en gaat de fik in de ton. Het mag ook alleen ’s winters gebeuren, maar da’s logisch.”

Wanneer de avond als een warme klamme deken neervalt, horen we een brullend geluid uit de bossen boven ons komen. Wilde dieren? Wolven? Beren? We zoeken het op. Het zijn burlende herten, het is paartijd. Heldere nacht, veel sterren.


Het vaasje staat nu mooi te wezen op de piano, een vleugje roestrood, een smeer asgrijs.
Het wobbelt zachtjes op zijn voetje als we langslopen. Een paar berkentwijgjes maken het compleet.


Vannacht wederom een heel heldere nacht. Zóveel sterren zien we thuis niet. Hier is het aardedonker met afnemende halve maan. ’s Ochtends is alles klam, het is een graad of 13. Brr. Strakblauwe lucht belooft het goed te maken. We trekken er weer op uit, een rondje naar Tourettes-sur-Loup, boven Nice. Daar ben ik in mijn jonge jeugd geweest, wie weet herken ik wat.

We nemen de donkerblauwe route heen, over de Route des Alpes d’Azur. Een brede weg, geen gekkigheden. Een groot stuk langs industriegebieden, de tentakels van Nice, waarna we met onze karos in Carros afzwenken naar Vence.

Zigzaggend door de bebouwingen, de bergen zijn compleet volgestampt. La Chapelle Rosaire van Matisse ligt ingeklemd tussen een paar grote panden, een klein bordje is het enige herkenningsteken. Ten langen leste komen we in Tourettes aan.

Eerst maken we een ontdekkingstochtje door de smalle straatjes en trappen. Diverse kunstenaars hebben hun tokootje geopend voor de toeristen. Olijfhoutsnijwerk, pottenbakkers, kunst, sieraden en vooral tuttemerul vinden gretig aftrek. Niet door mij.

We zitten ineens in een totaal andere klimaatzone, mediterraan met olijfbossen, palmen, parasoldennen, oleanders en bijna uitgebloeide bougainville. Een beetje ‘thuis’ zoals we aan de Côte d ‘Azur gewend zijn. Van over de Table d’Orientation zien we een glimmer van de zee in de dampige verte.

Bij een bakkertje halen we een vette pizzapunt en goeie koffie. Gevoederd en gelaafd vangen we goedgemutst de lichtblauwe terugtocht aan.

Andere route terug

We rijden in feite dóór, de D2 richting Grasse. Hier is niks geen industrie, niks geen saaie bebouwingen. Dit parcours is eerder het volledig tegenovergestelde. Het fabuleuze licht op de bomen, de geheimzinnige doorkijkjes op de bergen in de verlangende verte, je merkt al: ik zoek naar superlatieven.

We doorkruisen een Réserve Naturelle Biologique, waar kuddes bizons grazen. Bizons, een gek idee hoor. Die ken ik alleen uit Westerns. Dan de D5, al even geweldig, naar de Col de Bleine haarspelden tot zowat 1500 meter. Daarna volgt de Col de Buis met opnieuw die waanzinnige weidsheid. Dus vergis je niet in de tijdsduur indicatie van Google, die klopt namelijk van geen kanten.

Bij de Clue de Saint Auban, met de overhangende rotsen, bega ik de fout naar beneden te kijken. Die kloof duikt loodrecht de diepte in. In een overhangende rots naast de weg is een soort Lourdes-grot, een kapel compleet met altaar en banken, ingericht. Alsof je hier kunt stoppen. Je kunt enkel bidden dat er niemand aankomt, het asfalt is nauwelijks breed genoeg voor de DS.

Tenenkrommend, dit geslinger. Steil, hoog, diep, smal, maar jongens toch, die panorama’s, die vergezichten… daar heb ik de tenenkramp graag voor over. We komen recht tegenover Entrevaux en zijn citadel er zigzaggend bovenop, uit.

’s Avonds maakt Gijs een omeletje van de laatste eieren. Als de avond valt lijken de heuvels geverfd in het avondlicht. De hemel kleurt als donkerblauw fluweel, een volmaakte achtergrond voor de kristallen sterren.

Op de camping

Als ik ’s morgens wakker word, ruik ik de herfst in de lucht. Een beetje rottend luchtje van de afgestorven berkenblaadjes, het harsachtige parfum van de gevallen dennennaalden op het pad. Niet te vergelijken met het droge Mediterraanse weer van gistermiddag.

We houden een rustige campingdag. Gijs kanoot, hond ligt op wacht, ik puzzel. We gooien vanwege het weer weer onze plannen om. Vertrekken toch niet, morgen. Misschien van het weekend?


Souvenirs

Later zoek ik op wanneer ik in Tourettes was. Ik was net 7, in 1973 logeerden we er in het huis van vrienden. Pa had een paar mooie stukken olijfhout bemachtigd. Niet alleen daar, maar overal in Frankrijk struinden we houtzagerijen af in de hoop een paar mooie olijfplankjes op de kop te tikken om snijplanken van te maken. Altijd gewilde souvenirs voor de thuisblijvers. Ik heb er nog een paar in de keuken in gebruik.

Uit het grote blok olijfhout werd ter plekke door Pa met bloed, zweet en tranen de fruitschaal gebeiteld. Die fruitschaal wordt nu, meer dan een halve eeuw later, bij ons gekoesterd als notenschaal. De mooiste olijfhoutkunst maak je zelf, zei pa.