Om de ergste blafhitte voor te zijn staan we vroeg op en zoals te doen gebruikelijk hebben we slechts twee uur nodig om klaar te zijn voor vertrek. Ondanks de hoosbui van twee dagen geleden pakken we de tent droog in. We zeggen de Vogezen gedag en maken ons op voor een rit van 450 kilometer naar de Ardennen. Laten we gaan – liefst richting schaduw.

Met het dak halfopen zodat Ravi beschut op de achterbank ligt maar we wel een beetje verkoeling van de wind hebben, golven we door Noord-Frankrijk. Het eerste stuk tot Toul is snelweg, daarna slieren en slingeren we lekker over een D-weg. Als we trek krijgen, lunchen we naast een graanveld onder de bomen. Daar programmeren we de Tomtom op de snelste route, de warmte put ons uit.

Zelfs die ‘snelste’ route leidt ons door dorpjes en gehuchtjes. We passeren meerdere Duitse soldatenbegraafplaatsen uit WO I en zien vier ooievaars op een nest. Allemaal leuk en aardig, maar het schiet niet op.

Via hun website heb ik Camping du Faucon gereserveerd, aan de Franse kant van de Ardennen, bij de Semois. Met aanbetaling nota bene; dat is me nog nooit overkomen. De camping ligt pal naast de drukke doorgaande weg. Balie-Miepie is niet erg slim en nog minder behulpzaam. Ze begint direct over het restantbedrag dat we nog moeten betalen. Ook goeiemiddag zeggen we dan. Zonder dat we weten hoe het terrein eruitziet of welke plek we zouden krijgen? Echt niet.

We lopen een rondje. Veel zonplekken, weinig campeurs. Wel heel grote tenten voor jeugdgroepen richting het water. Het sanitairgebouw staat veel te ver weg. En dan Miepie er nog bij? We zijn er helemaal klaar mee.

Ik plof in het gras en open de Archies-app. Er zijn veel campings langs de Semois, van die zonrijke caravandorpen, eveneens aan deze zelfde weg. Niet helemaal ons ding. Ik vind er eentje bij Vresse-sur-Semois, het plaatsje waar we in maart waren (zie wegwezen). Toen hebben we daar in de voorjaarszon pizza gegeten en een mooi stuk langs de rivier gelopen. Net als La Bresse is Vresse een leuk stadje. Ter plekke bel ik de camping op. Gelukkig word ik in het Nederlands te woord gestaan; ik zit er teveel doorheen om nog Frans te moeten praten. Er is plek, er is schaduw en er is de rivier. Klinkt goed.

Ik deel Balie-Miepie mee dat het ons hier “niet bevalt”, dat we weggaan en dat ze de aanbetaling mag houden. Ja, ik hou het netjes; zo goed is mijn Frans nou ook weer niet. Ze vertrekt geen spier. Het interesseert haar niks.

Een halfuur later duikelen we bij Camping le Trou du Cheval uit de auto. Er zijn tentplekken beschikbaar langs de rivier; de plekken zelf staan in de zon. Ervoor, aan het water, is veel schaduw onder de bomen. Dat klinkt als een plan. Stoelen en cola uit karretje en koelbox, en zitten. Kijken hoe het water stroomt; de rimpelingen spiegelen hypnotiserend op de onderkant van de platanenblaadjes. Kikkers kwaken, eenden kwaken terug.

Er staan wat Hollanders en wat Belgen op ons ‘straatje’. Wij zijn niet de enige rariteit op de camping: een jongeman met een VW T3 busje van pak ‘em beet 40 jaar oud en zijn ouders met een ongeveer even oude koddige Jamet-vouwwagen met bijpassende stoeltjes komen vlak na ons aan. De grote stacaravans en vaste staanplaatsen op de hoger gelegen plateaus zijn praktisch onbewoond.

Na het eten verzamelen we moed en gaan we aan de gang. Het zweet stroomt in watervallen van ons af terwijl we de tent opzetten. Smerig. Wanneer de zon achter de heuvels floept, zijn we klaar en koelt het wat af. Het opdrogende zweet laat me rillen; ik trek gauw iets schoons aan.

‘Klam’ is een understatement: alles wordt zeiknat. We zitten tot vreselijk laat naast de tent te lezen met de fan aan. Eén voor één zien we de maan, Saturnus, dan Vega en satellieten verschijnen. De nachtelijke hemel is diepzwart en bezaaid met ontelbare zilveren sterren.

Haha, ik weet nog dat we in de Haute-Savoie op ons weitje zaten en tegen elkaar zeiden: “Eindelijk ontbijten in de zon!” Hoe konden we vermoeden dat we de zon een week later zouden verfoeien, dat we zo blij zouden worden van wat schaduw…

Ontbijten doen we vandaag onder de bomen, déjeuner sur l’herbe. De hele dag kun je hier luieren en niets doen dan kijken. ‘Kijk’ maar mee:

Langs de oever aan de overkant zwemt iets. Tussen de wortels van een grijze, dode boom kruipt de beverrat zijn burcht in. Iriserend blauwe libellen dansen tussen de netels. Kwikstaartjes kwieken over het pad, als mussen zo tam. Een zwaan zeilt voorbij; een eendenfamilie graast tussen wier en algen in de laagstaande rivier. Een moedereend met een stuk of acht tweede-legpulletjes dobbert kalmpjes langs de kant. Een stel kanoërs laat zich stil en bedachtzaam door de stroom meevoeren, met slechts een enkele drup die van een peddel valt. Het is net een stille film.

Gewoon vanuit je campingstoel de capriolen volgen van een turquoise ijsvogeltje dat roepend over het water fliedert. Kijken naar de vissen die traag door het water glijden en af en toe naar adem of vliegjes happen. Plotseling stort het ijsvogeltje zich vanaf een tak het water in en schiet terug naar zijn uitkijkpost. Een lichtgevend blauw vlekje tussen al het groen aan de overkant.

De plastic huurkajaks die ’s middags langspeddelen, zijn beduidend minder bedreven dan die van vanmorgen; het levert vermakelijke, maar rumoerige schouwspelen op. Wat horen we verder nog? Een enkele trekker die langsrijdt, een vliegtuig dat overkomt. Verder niets? Verder niets.

Vandaag hebben we geleefd op water en nog meer water, maar het schijnt dat we toch iets moeten eten. We gaan naar ‘ons’ pizzatentje La Rivièra, waar we nu eens iets met pasta nemen. Ons tweede ijsje van deze vakantie hebben we wel verdiend. Vooral Gijs, die al het autorijden, werk en boodschappen doen voor zijn rekening neemt.

Ravi vist zijn toetje uit de rivier. Hoewel het water niet echt koud te noemen is, hebben slimmeriken hun kampeerstoel vlak voor het stroomversnellinkje in de rivier gezet om af te koelen. Dat is pas genieten.

Wordt het al saai? De volgende dag is meer van hetzelfde. We doen niets en toch vervelen we ons niet. De hele dag komen we niet onder de bomen vandaan. Dit weer is echt belachelijk: te heet om te toeren of te wandelen, laat staan stadjes te bekijken. Ravi verzet net zo min een stap, die zit amechtig te hijgen in zijn kuil onder de tafel.

Voor het avondeten heeft Gijs fruit en sla gehaald; dat hapt makkelijk weg. Om negen uur ’s avonds is het nog steeds ruim dertig plakkerige graden. Apathisch een boek lezen voor de ventilator bij de tent. Gekkigheid. Morgen wordt het blijkbaar nog erger…

De beruchte vrijdag breekt aan…

In Nederland is het evenzeer afzien, hoor ik. Scholen krijgen zelfs ‘hittevrij’; ijsvrij komt tegenwoordig nooit meer voor. Maak kennis met het nieuwe normaal. Een nieuwe werkelijkheid.

De hele dag verroeren we geen vin. Kijken naar het jojo-ijsvogeltje en het treintje zwanen dat langsvaart is inspannend genoeg. De douche die ik ’s morgens heb genomen, is allang uitgewerkt.

’s Avonds haalt Gijs, voor de verandering, pizza. Ik doe de laatste afwas, pak daarna wat dozen en tassen in en zet de picknicktas alvast klaar, zodat we morgen snel weg zijn. Om de asfalthitte te vermijden, is het plan heel, heel vroeg te gaan rijden.

En vroeg is het. De dennenbomen worden omsluierd door een zachte morgennevel wanneer we om tien over zes opstaan. Het is ‘slechts’ twintig graden en alles is drijfnat. Dat zien we thuis wel weer; als de boel maar meekomt. We gaan snel en zachtjes aan de gang. Na een koppie thee vertrekken we om kwart voor acht. In minder dan twee uur, netjes.

Via Alle en Rochehaut kronkelen we naar de snelweg E411 bij Bertrix. Het is superrustig. Warm? Heel warm. Nu al.

Bij Aire de Sprimont, bij Luik, gooien we de tank vol en eten even wat. Gauw verder. Het is nu rustig, maar je weet nooit hoe Nederland uitpakt. We vrezen de bekende files in deze hitte.

We hebben mazzel, erge mazzel. Zelfs Eindhoven en Den Bosch rijden perfect door. Bij Utrecht trekt het dicht, bij Amsterdam dreigt het. De temperatuur daalt naar acceptabele waarden. Met de bui naast ons scheuren we noordwaarts, dak nog steeds halfopen.

Thuis worden we ontvangen met donder en bliksem. Drie spetters vallen er uit de lucht, meer voor de vorm omdat de glazenwasser vanmorgen is geweest. Ravi springt meters de lucht in, zo blij is hij om zoonlief en buuf te zien.

Een paar uur later volgt een bruut onweer met heftige regen. Een knetterende flits slaat secondenlang in de KPN-mast aan het eind van de straat. Welkom thuis!

In totaal hebben we, met dank aan Gijs, 3229 veilige kilometers afgelegd.


Laatste foto is een screenshot uit een filmpje van iemand uit de straat hierachter.

Je kunt er de klok op gelijkzetten: in twee uur tijd zijn we klaar voor vertrek. Iedere keer opnieuw. Twee uur van opstaan, ontbijten, hond uitlaten, inpakken, tent opbreken tot vertrekken: we zijn klaar voor een nieuw avontuur in de Vogezen.

Stilletjes vertrekken we in de vroege morgen van ons eenzame weitje, de voortuin van de camping. Niemand zwaait, niemand zegt gedag, alleen de koperen koeienbellen klinken zachtjes in de heuvels.

Langzaam kronkelen we naar de snelweg, nog even genietend van het uitzicht, de geuren en kleuren. Binnen een halfuur razen we over de A41 richting Genève. Dezelfde route als de heenreis, via laaaaange tunnels die direct overgaan in laaaaange hoooooge viaducten. We passeren Aire de Bourg-en-Bresse waar een gigantische stalen kip glimmend boven de snelweg uitsteekt.

Kleffe koffie- en lunchpauzes later verlaten we bij Vésoul de péage. Tom geeft de richting naar Nancy raadselachtig aan: “Hou links aan en neem de afslag rechts.” In één adem. Het blauwe lijntje op het display is al net zo onduidelijk. Ach, we grommen wat, keren om en gaan weer door. Het is snikheet. Vies plakkerig asfaltwarm, niet lekker bergwarm.

Aan het eind van de middag bereiken we de camping Du Haut des Bluches in La Bresse. Toen we enkele jaren geleden in La Bresse overnachtten vonden we het zo’n leuk plaatsje: met een watertje dat er rap doorheen stroomt, allerlei bruggetjes en wandelpaden en in elk geval minimaal één boulangerie-patisserie. Het dichtbije en veel bekendere Gérardmer is een toeristische poppenkast, La Bresse ligt net over de berg uit de drukte.

Zoeken naar een vlakke plek met vooral veel schaduw is een uitdaging in dit kampeerdoolhof. We vinden een aardig plekje, we zien wel hoe het uitpakt. Hollanders naast ons hebben een probleem de caravan waterpas te krijgen. Dat probleem kennen wij niet. Als het hoofd maar hoger ligt dan de voeten, dan komt het goed. We zijn bekaf. De stoelen worden uitgeklapt en dan eerst wat drinken en bijkomen van de vermoeiende reis. De tent opzetten komt later wel.

Pas als we zijn bijgetankt gaan we aan de slag. Tent opzetten is routine, een zweterig klusje. Op deze camping staat een hussiemussie van tenten, caravans grote en kleine campers en blokhutten, met allemaal in allerlei nationaliteiten door elkaar. Meer “campinggevoel” dan in de voortuin van de vorige camping, hier hebben we allerlei aanspraak over de Dyane, de hond en “wat een blafhitte hè” als ik de zoveelste fles water bij het kraantje vul.

De volgende morgen claim ik direct een wasmachine en douche terwijl de was draait. We installeren de luifel en zelfs de parasol wordt verankerd in de grond. De brandende zon stoomt het wasgoed in mum van tijd kurkdroog. Gijs gaat naar de supermarkt en het bakkertje. Intussen loop ik met Ravi een stukje over het wandelpad langs het stroompje waarna we onder de overkapping van het bruggetje op de baas wachten. Helaas zijn ze de dorpsstraat aan het opbreken met enorm veel kabaal. Een stoffige bedoening.

Eindelijk hebben we een merengue bij de koffie, die hadden we nog niet gehad. Met deze ijsberg zal ik de hele vakantie voort kunnen, lunch is niet noodzakelijk. Ons tempo ligt laag, heel laag. ’s Avonds eten we omelet met brood en doen verder niets meer. We gaan vroeg te bed.

In de vroege morgen wordt er aan het huis achter de camping geklust. Het is net of we thuis zijn. De herrie van brute cirkelzagen en slijptollen worden hier gelukkig begeleid door Georges Brassens in plaats van André Hazes. Ik vind het wel gezellig, wakker worden bij Franse chansons.

Na zo’n dag nietsdoen begint het alweer te kriebelen: wat zou er achter de volgende berg liggen? Tochtjes maken, of een “toereke” zoals mijn vriendin dat noemt, is net televisiekijken. Achter elke bocht een nieuw panorama, de prachtigste beelden worden je door de voorruit gepresenteerd. Voor Gijs is het vaak hard werken maar dat mag de pret niet drukken. On y va!

Via de kale pukkel van de Grand Ballon haarspelden we verder over de Route des Crètes (daar hebben ze er veel van in Frankrijk) tot 1250 meter hoogte langs skiliften en koebellen tot we bij Hohneck uitkomen. We verbazen ons over de vele wandelaars en fietsers en dat bij 30 graden en meer. Ook bij de Col de la Schlucht is het oppassen geblazen dat je ze niet van hun sokken rijdt.

Opmerkelijk genoeg verdwijnen al die mensen zodra ik mijn camera pak. Ook het gekkenhuis bij het Lac d’Annecy vorige week was niet op de foto te zien. Da’s toch knap.

Verder gaat de tocht over nog meer bergruggen. De hellingen zijn stralend bremgeel, de honinggeur van de stovende genêts d’or drijft zwaar door het open dak naar binnen. Ergens passeren we een Tour de France col waar de karavaan op 18 juli langs schijnt te komen. Op die plek met een zomerrodelbaan is het nu/al druk met campertjes.

Van al die bochten, uitzichten en berglucht hebben we trek gekregen. In Munster, in de Elzas, vinden we een maf pizzatentje waar we buiten lunchen. Met pizza natuurlijk, we hadden er de laatste dagen geen meer gehad.

Hierna trekken we van stadje naar dorpje. De Elzas is echt een psychedelisch gebied: Frans met Duits klinkende plaatsnamen. In Sondernach priemt een slanke torenspits als een suikerspinstokje in een wattenwolkje.

De ene col volgt op de andere tot we tenslotte op de Route de Vieille Montagne en de Col de la Vierge op zo’n 1200 meter hoogte belanden. Op dat stukgereden ezelpad, in de koelte onder de bomen kunnen we vrij ademhalen. Toch zullen we nog een stukje moeten dalen naar de camping. Daar hebben we een beetje luifelschaduw om uit te sudderen van de tocht.

We kennen dat: in de loop van de middag trekt de lucht finaal dicht en het wordt steeds broeieriger. Pas om 22.00 uur koelt het ein-de-lijk af, ik ruik de tintelende ozon in de lucht. Météo France verwacht regen en windhozen. Ik niet. Het onweer rommelt ver in de verte, kleuren dansen tussen de zware wolken.

Na tien minuten is de hele ‘dreiging’ alweer weg. Het blijft bij een paar minidruppels, niet meer dan de sproeinevel die ze in grotere supermarkten over het fruit wasemen. Die nevel was de hele storm in een glas water.

Die afkoeling van gisteravond was een schijnvertoning. We tikken wederom de 36 graden aan en komen de camping amper af, het is te plakkerig om te bewegen. De hele morgen vliegen er zoevende zipliners voorbij. Sommigen gillend of joelend of zelfs zingend, de meesten zijn sprakeloos aan het zweven. Met 110 km/u de berg af. Vrijwillig. Mafkezen.

We suffen lezend de dag door en sjokken een klein rondje met het hondje. Ik ga met de voeten in een bak ijskoud water om af te koelen en in de middag rijden we naar de supermarkt voor een ventilatorretje. Een kleintje dit keer.

Er zijn grote groepen motorrijders gearriveerd op de camping, in de chalets en in het hotel, met oldtimers of fake oudjes. Wij hebben vroeg gedineerd in het resto’tje. Precies om 8 uur zijn wij klaar met eten en ons eerste ijsje en komt de vrolijke groep bikers binnen. Kunnen wij in alle rust hun motoren bewonderen.

De volgende ochtend begint zoals elke campingdag begint. Om 04.45 al licht en zwoel buiten. Elke morgen word ik bij het sanitairgebouw begroet door een uitbundig kwetterende mussenfamilie; de nestkuikens piepen vanonder het dak terwijl op de dwarsbalken de ouders onderling babbelen over hun kroost.

Na het ochtendritueel slingeren we via de Col de Grosse Pierre, een hele piet van 955 meter hoog, naar de Intermarché in Gérardmer. In de suup kan ik mooi afkoelen terwijl ik een hele voorraad frisdrank insla. Met alle boodschappen in huis is het enige plan voor vandaag: niet smelten. We slepen stoelen en krukje naar een koelere plek onder de bomen waar we de rest van de middag heel stil blijven zitten.

De temperatuur blijft de hele middag stijgen terwijl er een zwarte lucht en rommelend onweer nadert. Een uurtje later wordt het nachtdonker. De temperatuur klapt ineens omlaag, de wind steekt op en dan… houden we het zelfs onder de luifel niet helemaal droog. Even de boel opschudden met een beetje sensatie. Een halfuurtje, dan drupt het enkel nog wat na.

De boel lijkt iets te zijn opgefrist door het buitje van gisteravond. We hebben al twee weken zo goed als geen beweging gehad, wat niks voor Gijs is. Hij wil een stukkie lopen. Ik heb zo mijn bedenkingen. De vorige ‘makkelijke’ wandeling (zie voorgaand verhaal) bleek ook niet zo gemakkelijk als de app ons deed geloven.

Om half tien, vroeg voor ons doen, vertrekken we naar een meertje (soort visvijver met grote vissen/forellen) iets verderop. Wandelschoenen aan, hoed op en veel water mee. Tsja. Het rondje om de vijver over vlak gravelpad blijken we in nog geen halfuur te lopen. Ravi slobbert van het water dat van de berg af stroomt. Doen we nog een rondje? Nah. Dit was genoeg.

De rest van de dag sjouwen we met stoelen van schaduw naar schaduw. Het diner is makkelijk, we halen patat en een salade in het restaurantje. Daarna bergen we de luifel op en pak ik de kratten in. Na dit zweterige Vogezenavontuur zijn we klaar voor de laatste vakantieweek in de Ardennen.

Wordt vervolgd…


De app Archies biedt een overschot aan campings; het vinden van een leuke plek is altijd een gok. We willen de bergen in maar niet helemaal naar Zwitserland en geen toeristisch vijfsterrengedoe met zwemparadijzen wat de keuze al wat beperkt. We prikken gewoon de fleurigste naam, Les  Cyclamens in het plaatsje Le Châtelard in de Haute-Savoie. We kennen het gebied niet en zijn benieuwd of het de gok waard is. On y va et on verra.

Keurig op tijd vertrekken we, nagezwaaid door Marc, de campingbaas van Les Deux Rivières. Via (s)malle straatjes in zijn één sluipen we door Autun waarna we direct op het platteland belanden. Bij Lac de la Sorme doen we even een bakkie voor we verder oostwaarts slingeren.

We doorkruisen Cluny, het katholieke bolwerk uit de kruistochttijden. Voor de abdij staan chique feesttenten voor het aanstaande Concours Hippique. Hierna volgt een oud stuk N7 met een behoorlijk stijgingspercentage. Invoegen gaat met een slakkentempo wat we lang volhouden.

In Mâcon slaan we rechtsaf de brug van de Saône over naar de bisroute richting Bourg-en-Bresse. Als we deze saaie weg te lang vinden duren, van rotonde naar rotonde, durp na durp, zetten we Tom op snelste route. Scheelt een uur.

Algauw zitten we op de péage A40, Autoroute Blanche richting Genève. Dit is weer winterbandengebied, altijd goed voor een grijns. Ter hoogte van Nantua is de Tunnel de Chamois van 3,5 kilometer de eerste van vele lange tunnels en hoge viaducten waar we door en over komen.

Op 25 kilometer van bestemming duiken we Massif des Bauges in. Hoewel duiken niet het juiste woord is, klimmen is beter. Allemachies, het stijgt als een malle. Knalblauw en felgroen overheersen het landschap.

De campingeigenaar verwacht ons en gaat ons voor over het terrein. De plekken zijn allemaal onder de bomen en niet heel groot. Wij willen zon, we hebben het lang genoeg koud gehad. Meneer neemt ons mee naar een uithoek, aan de uiterste buitenrand van de camping. Het is een gigantische plek met weinig tot geen schaduw, de “voortuin” zoals ik het noem. Het dichtstbijzijnde sanitair is nog niet schoongemaakt, daar is slechts één wc open en er is geen warm water. Nou ja, we improviseren wel wat, douchen kan in een ander sanitairgebouw. Er is zon. Heel veel zon. Eindelijk.

Vanaf onze plek loopt het weggetje naar het dorp; de bakker is vlakbij. Vier knotsen van dennen omlijsten ons uitzicht op de bergen. Het is stil, op ver klinkende koeienbellen na. Om half 6 zitten we aan de thee met de laatste madeleines. In korte broek en t-shirt.

We lopen een rondje door het dorp. Een gezellig restaurantje zien we zo gauw niet. Wel een paar artisans: een leerbewerker; een mandenmaker en een muziekinstrumentenbouwer met een driedimensionaal sculptuur van een vioolsleutel uit één blok hout. En een vanillevla-gele eend. Wanneer de zon achter gindse koekoek-heuvel is gezonken, koelt het snel af.

The hills are alive. We ontwaken op een filmset. Dit decor is gemaakt om te toeren, met het dak open natuurlijk. Het stijgt en het stijgt; al kronkelend komen we tot ruim boven 1100 meter. Zwitserse uitzichten en schone lucht om in te ademen.

Gijs ziet een restaurantje met terras, dus húp, stuur om en erin draaien. De klok bimt 1 uur, lunchtijd. De bouwvakkers staan met een biertje in de hand de bar te bevolken. Wij mogen rustig buiten zitten onder een parasol. De saladeborden vegen we met een broodje schoon leeg.

Voldaan zwerven we verder. We kruipen naar de Col des Prés op 1142 meter via hellingen van 10% met kromgebogen wat eenzame sterke fietsers. Wij hebben nog één hortje af te dalen.

Terug op de camping zetten we als eerste de zonneklep op de tent, daarvoor hadden we die luifel tenslotte gekocht. De hond borstelen kan nu in de schaduw, het is nog warm zat. Ook ’s avonds koelt het nauwelijks af.

Een lauwe nacht wordt gevolgd door een luie dag bij de tent. ’s Middags wordt Gijs actief en komt met het idee ergens te gaan wandelen. Er is een watervalletje in de buurt waar we met een steil paadje naartoe rijden. Om bij het water te komen moeten we het laatste stuk over de wiebelkeien lopen. Ik vind het halverwege genoeg evenwichtsoefening geweest, Gijs is dapperder en maakt foto’s ten bewijze.

Na die rustdag is het tijd om iets te ondernemen. We vertrekken voor een 100 kilometer lange spannende rondrit. De kerk gaat net uit, de zware klok galmt zijn zegen over de kwebbelende kerkgangers uit. Veel zondagsfietsers op de cols; wij beginnen met de Col du Frène op 950 meter. Dan volgt de Route de Miolans, tweerichtingsverkeer hoewel fietspad-breed. Het zal nog erger worden maar dat weten we dan nog niet. Vervolgens zakken we af naar 350 meter. In het dalletje van Fréterive heerst een microklimaat waardoor er wijngaarden, oleanders en zelfs een olijfboom welig tieren met op de achtergrond de eeuwige sneeuw onder het kinderkamerblauwe plafond.

In een pas gekeerd grasland zit een knots van een roofvogel; de zwarte schaduw van zijn partner in crime scheert over ons heen. Aan de kleur en het silhouet met gevorkte staart en gevingerde vleugels te zien zijn het rode wouwen.

Wat zei ik? Het fietspad wordt nog smaller tot een bijna off-road geitenweggetje. Loodrecht naar boven en loeismal. Omhoog! Omhoog! Via de Col de Tamié bereiken we een lunchplek, een stampvol terras bij de Grotte Cascade de Seytenex.

Continuons. Ik zie een parapenter in het blauw boven het groen. Eentje, twee, vijf, en als ik rechts van me kijk zie ik een heel nest mafkezen van de berg afspringen. Naast ons glanst ineens zwembadblauw het Lac d’Annecy. Net nep. Het is inmiddels bloedheet, heel druk en de mensen liggen pal naast de weg te zonnen. We zien een mega vijfsterrencamping, een zogenoemd kampeerpretpark. Je moet maar zin in die drukke bedoening hebben.

Gelukkig slingeren we algauw terug de bergen in, hoe hoger we komen des te koeler wordt het. Via de laatste bergrug crossen we terug naar de camping. Stoelen in de schaduw en uitrusten.

Alle foto’s lijken op elkaar merk ik, met een heldere lucht, groen gras en wat bergen. De dag erop is evenzo strakblauw en warm. Koffietijd benutten we door vast te speuren naar een volgende camping. Plannen maken is de helft van de pret, hoewel niet zo mindful in het moment misschien.

In de middag gaan we op pad voor een promenaadje. Langs geurende pas-gemaaide graslanden rijden we naar startpunt. Het gras wordt pas gemaaid wanneer het heel lang is, inclusief alle blommetjes en kruiden, klavers, boterbloemen en wat niet al. Een rode vos glipt eruit tevoorschijn en rent met gestrekte staart de weg over voor ons langs.

Voorwaarts mars. Het eigenlijke wandelpad start op 1195 meter en gaat recht omhoog. We zijn weer lekker voorbereid op pad gegaan (niet). Geen rugzakje voor water, geen wandelstokken voor mij. Na de eerste honderd stappen, inclusief bloemetjes kieken, ben ik al kapot. Moeizaam struin ik door tot de steile trap met zevenmijlstreden. Gijs en Ravi klipgeiten nog een stukje hoger tot de Col de la Fullie op 1338 meter hoogte; ik blijf onderaan de trap wachten. Teruglopen gaat onverwacht sneller en simpeler dan ik vreesde.

De laatste dag maken we voor de verandering een toertje. Dit keer is de bestemming een ander meer, het Lac du Bourget. Oftewel, het meer waar Aix les Bains aan ligt. We hebben geen zin om die grote stad in te gaan, we rijden door naar het andere eind van het meer. Het voelt als een kruising tussen de Côte d’Azur en de Alpen. Hoge pijnbomen in alle soorten, een wijngaard en oleanders, maar dan wel met de chaletbouw van wintersportgebieden; een vreemde, leuke mix.

In Chindrieux is het verplicht -gratis- buiten de haven te parkeren en de hond mag niet op strand of ligweide. Hij mag wel mee naar het strandrestaurant, Ô Lac, waar we uitgebreid lunchen. Woordgrapje. Heerlijk uit zijn, dat is vakantie. Ik ga even met de voeten in het water, het is erg ondiep en dus niet koud.

Op de terugweg zijn we de bezemwagen achter een convoi exceptionnel, twee trekkers met hooibaal-lading. Zij vegen de weg schoon voor ons, zo smal is het. Het is weer een mooi avontuur!

’s Avonds pak ik de kratten vast in en bergen we de luifel op. Morgen reizen we een stukje naar boven, naar de Vogezen. La Bresse, we komen eraan!

Wordt vervolgd…


Jongens, dit ís toch leuk! Na een smetteloze reis, over de N2 rond Eindhoven zonder oponthoud en stug doordouwen in zijn twee op de laaaaange heuvels bij Luik, zijn we aangekomen in Charny-sur-Meuse, vlak voor Verdun. Hier heb ik een kamer gereserveerd in een schattig chambre d’hôtesje, Les Charmilles. We worden helemaal avontuurlijk. Geen Ibis of Novotel boeken via internet, nee, een B&B met wel 3 kamers in dit minidorpje. Eén telefoontje in het Frans was genoeg. Geen gezeur over creditcard of paspoort, gewoon mijn naam doorgegeven et voilà.

De karavaan parkeren we achter een dichte poort onder een grote kersenboom waar Gijs direct van snoept. Ravi kan lekker darren in de tuin. Onze grote kamer is op de begane grond, in de hal/huiskamer staat een waterkoker en thee en koffie beschikbaar en morgen ontbijten we in de serre. Dit is zoveel leuker dan zo’n standaard hotel op een bedrijventerrein.

’s Avonds lopen we een rondje in de avondzon door charmant Charny waarna we heerlijk slapen. Het is hier zó stil dat we zelfs de motards die na ons arriveren niet horen binnenkomen.

De volgende morgen schuiven we aan bij een kleurrijk ontbijt met een giga-croissant, verse jus, yoghurtjes, fruit en brood en zelfgemaakte jams. Even later krijgen we gezelschap van de motorrijders, die zoals gebruikelijk vragen of we echt uit Nederland gekomen zijn met de Dyane.

Bij het afrekenen, contant, krijg ik een bonnetje: € 66. Ik schiet bijna in de lach, kom ik aan met mijn honderdje. Dit gaan we onthouden!

Grinnikend gaan we op pad, de Morvan roept. We starten met een milieuvriendelijke route over de Voie Sacrée, D1916. Een belangrijke verbindingsweg in WO I van Bar-le-Duc naar Verdun, wij rijden ‘m andersom. Overal staan de bornes met soldatenhelm. Koolzaadvelden en allerlei graansoorten afgewisseld met pieperakkers. Bermen bezaaid met wilde grassen, korenbloemen, fluitenkruid en papavers in chauvinistisch bleu-blanc-rouge. Een enkele kaardenbol van vorig jaar piept erboven uit.

Via de D28 steken we een slinger van de D1916 af. De zwarte piste golft in een lineaalrechte lijn over de soms steile heuvels voor ons uit. We komen door dorpjes als ingekleurde sepia schilderijtjes. De leuningen van bruggetjes zijn behangen met felgekleurde geraniumbakken, een spitse kerktoren steekt naar de loodgrijze lucht. Een kerkhofje schuilt achter hoge muren.

In Bar-le-Duc slingeren we door de smalle straten omhoog. Het stadje is als een filmdecor, waar mensen zomaar uit de coulissen tevoorschijn kunnen dansen. Het theatertje verhoogt die illusie alleen maar. Ik geniet van de vele doorkijkjes terwijl Gijs zich suf stuurt.

De graanschuur van Frankrijk speelt boompje verwisselen met groene bossen en gehuchtjes, het één al knusser dan het ander. Op de rustig meanderende weg rijden we meestal moederziel alleen. Vanwege het slagveld op de voorruit moeten mijn letterlijke 1000 woorden meer zeggen dan de fictieve foto’s. Een langstaartige vos schooit in de berm, door zijn schutkleur ziet Gijs hem niet.

Met de zon op mijn spijkerbroekbenen waan ik me zo langzamerhand een halfgare kip. Het dak gaat half open, mijn sokken uit en de hoedjes op. Kijk: vakantie!

Tegen vieren komen we bij “onze” Camping les deux Rivières in La Celle en Morvan aan. De camping begint aardig vol te lopen, we krijgen de laatste plek aan het water. Om 5 uur is het kampement in de zon ingericht.

Omdat we iets schijnen te moeten eten gaan we als experiment kennismaken met de pizzadwergjes in de pizza-automaat. In 3 minuten floept je gloeiendhete pizza in doos voor je neus. Bizar dat het kan. Niet vies, dit “broodje-kaas”. Nieuwe dingen uitproberen, we worden er steeds beter in. De rest van de avond zitten we te lezen en serietjes te kijken. De bedden zijn warm opgemaakt, we rollen er met dikke pyjama voldaan in.

Zo’n eerste week vrijheid is vooral bedoeld om te ontstressen. Los te komen van dagelijks ritme en gedoe. Ervaring heeft ons met de jaren geleerd dat daar een kleine week voor nodig is. Dus waar kun je dat beter doen in een bekende omgeving en toch ver van huis. Niet direct een heel nieuw avontuur beginnen, al worden we daar steeds beter in. Een zachte landing noemen ze dat, zo leerde ik laatst.

En zachtjes landen we. Ontbijt met verse croissantjes en veel thee gevolgd door veel koffie. Omdat er wat regen verwacht wordt, zetten we de capuchon op. Vooralsnog zitten we in een bewolkt zonnetje aan de koffie. Dan volgen er wat spetters afgewisseld met hoosbuien. We krijgen van alles over ons heen. Kan vriezen, kan dooien.

’s Nachts komen er wat buien over. Overdag is het droog maar bewolkt en fris. Echt zo’n dag waarin de kopjes koffie naadloos doorgaan in lunch en daarna thee met madeleines. De dikbilbuurdames drinken uit het gedeelde stroompje achter de tent. Voor het avondeten maakt Gijs zijn beproefde omelet, met sla en brood is dat het ultieme campingvoer.

Ook de volgende dag houdt het weer niet over. De hele morgen zitten we bínnen. Tent dicht, kachel aan. Warmer dan 11 graden wordt ‘t niet. Tussen de middag besluiten we crèpes te gaan eten in Autun. Terwijl we daar zitten klettert de regen tegen de ramen. Het is bijna droog als we een ‘spannende route’ uitzetten, met dit gekke weer in een verwarmde auto rondkoekeloeren is de beste optie. Van buien naar zon en terug, het scheelt met gemak 10 graden. Leuk ritje.

Morgen vertrekken we oostwaarts, naar de Haute-Savoie. Laat die bergen maar komen. En een beetje zon alsjeblieft.

Wordt vervolgd…


Er was eens… een boot. Een catamaran om precies te zijn, van oom en tante die gek waren op reizen, zeilen en Scandinavië. Die catamaran voer onder de naam Akka. Alle neven en nichten zijn weleens een end met hen wezen varen, IJsselmeer, Waddenzee, Noordzee. Alleen ik, de jongste, viel buiten de boot.

Er was eens… een boek. Ja, echt, voordat er een tekenfilmserie van gemaakt werd, was er een boek. Wij hadden dat boek. “Niels Holgerssons wonderbare reis” geschreven door Selma Lagerlöf, bijna verplichte literatuur in de vorm van voor-het-slapen-gaan-voorlees boek met schitterende platen van Anton Pieck. Ik ben tegenwoordig de hoeder van dat boek, ik heb het geërfd.

En nu is er… een autootje. Een Acadiane Mixta,  om precies te zijn. Dat verhaal is jullie bekend. Maar hoe zullen we het blauwe blikken vrachtwagentje noemen? Het is de eerste van onze auto’s die ik een naam wil geven. Een echte naam. De naam van de boot en uit het boek, Akka, is altijd blijven hangen in mijn achterhoofd. Akka van Kebnekaise, leidster van een vlucht wilde ganzen die een tocht onderneemt naar Lapland waar Maarten de tamme witte ganzerik en Niels Holgersson, op zoek naar vrijheid bij aansluiten.

Dat idee, op zoek naar vrijheid, past nou precies bij het gevoel dat ik in mijn Acaatje heb. Daarbij is het sprongetje van Aca naar Akka niet zo groot; een 2CV is een eend; een Dyane wordt vaak de zwaan genoemd dus waarom zou mijn Acadiane dan geen gans kunnen zijn? De naam was snel gekozen. Nu nog de belettering.

Nadat ik vorig najaar de pompeblaêdjes van de zijkanten afgepeuterd had, begon ik te schetsen. Haha, tekenen, schetsen, dat kan ik helemaal niet. Met behulp van sjablonen van internet fabriekte ik een soort opvliegende gans met riethalmen, want ja we zitten nou eenmaal in de polder, omhuld door een enso, een open cirkel**. Tenslotte had ik een word-document met een plaatje. Ik vond een lettertype dat lijkt op mijn eigen handschriften daarna moest dat geheel gespiegeld worden voor de andere kant maar de letters niet, afijn je begrijpt, ik ben lekker een poosje aan het fröbelen geweest.

Aangezien ik ’t Letteratelier op facebook volg, heb ik daar op 31 oktober vorig jaar een mail heen gestuurd. “Jongens, hierbij een pdfje van mijn geknutsel, kunnen jullie hier iets netters van maken voor stickers voor mijn Aca.” Niet geschoten altijd mis, nietwaar? Onmiddellijk volgde er een autoreply: “Wegens enorme drukte duurt het langer dan gebruikelijk voor we uw mail kunnen beantwoorden.”

Oudjaar ging, nieuwjaar kwam, de eerste ritten werden alweer gereden en toen ik het niet meer verwachtte ontving ik in mei ineens een mailtje. Ik had de hoop al bijna opgegeven. “Kijk, dit hebben we ervan gemaakt, is dat ongeveer wat de bedoeling is?”.

Na een paar mailtjes over en weer hebben we gebeld om details te bespreken. “Mag ik wat vragen? Is dit de Aca van Tien?” Ik grinnikte, “waren die pompeblaêdjes van jullie?” Inderdaad, die hadden zij verzorgd. Zodoende was het formaat voorhanden en konden we snel tot een afspraak komen. Opsturen of langskomen? Ik besloot stoer zelf naar Blaricum te rijden, dan kon ik bij zuslief in Hilversum lunchen. Een datum geprikt, het plan stond.

Nu de praktijk. Om eerlijk te zijn zie ik als een berg op tegen een uur lang snelweg razen met het herriebakkie en daarbij zijn de weersvoorspellingen ook nog eens abominabel. In Middenmeer stormt het en zodra ik bij Medemblik ben, gaat boven de kraan wagenwijd open. Mijn ruitenwissertjes kunnen de zondvloed amper van de voorruit bezemen. Die stortbui inclusief wat hagel duurt met tussenpoosjes ongeveer tot de Zeeburgertunnel. Wat een kabaal. Achter een vrachtwagen blijven hangen bij forse tegenwind is geen succes, het bakkie waggelt van links naar rechts. Gas geven en erlangs scheuren is het devies. Zo knor ik met gemiddeld 100km/u door tot afslag Blaricum/Huizen. Als je een constante snelheid houdt, is het lawaai te doen. Ik had op anderhalf uur gerekend wat uiteindelijk iets meer dan een uur wordt.

Johan en zijn partner Edo ontvangen me allerhartelijkst. In hun hal staat een knalblauwe HY bus gepropt tussen allerlei dozen en rollen. Leuk, we hebben hier te maken met regelrechte Citro-fans. Edo moet op locatie in Amsterdam aan het werk en Johan gaat aan de slag met mijn stickers. Ik heb amper tijd om een foto te maken of ze zitten er al op. Johan en ik doen in het kantoor een kopje koffie. Kan ik van bovenaf mooi een fotootje schieten. Johan vertelt over hun Citriën-verzameling: pak ‘em beet 3 eenden, een bestel-eend, een mehari en 1 of 2 HY’s. Altijd wat te kletsen met gelijkgestemden en leuk om complimenten over mijn houtje-touwtje ontwerp te krijgen.

Ik vertrek naar Hilversum en word daar zoals gebruikelijk verschrikkelijk verwend met eigengemaakte soep, brood van de Franse Bakker en deftige chocolaatjes toe. De terugreis start wederom met een gigantische hoosbui. Hiervandaan ken ik de weg en heb nu wind mee.

En thuis maak ik trots een paar foto’s van mijn stralende Akka op de oprit.

*) Niels Holgerssons wonderbare reis, © 1906-1907 Selma Lagerlöf

**) Wat symboliseert de Ensō?

Verlichting en Leegte: Het staat voor het universum, de oneindigheid en de staat van ‘geen geest’ (volledige leegte en vrijheid).

Imperfectie en Acceptatie: Een Ensō wordt vaak bewust niet perfect gesloten getekend. Dit symboliseert de schoonheid van onvolmaaktheid (wabi-sabi), acceptatie van het moment en de cyclus van het leven.

Persoonlijke Groei: Een open cirkel geeft ruimte voor beweging, ontwikkeling en openheid.

Bron: wikipedia


Er moest een extra luifel voor de tent komen. Ik vond het onzin, stom ding, ziet er belachelijk uit en ik zag het nut niet. Maar hé, het ding is niet te duur en zit in een vrij kleine tas, die kan makkelijk mee ook met de Dyane. Dus vooruit, wij kopen een luifel en gaan hem in Nederland uitproberen.

De traditie vereist met Hemelvaart (of Pinksteren) te kamperen met de vrienden. De weersvoorspellingen zijn schrikbarend maar we gaan het wel zien. De zon schijnt in Middenmeer, maar ik hou mijn hart vast wat ons in Brabant allemaal te wachten staat. Na een vlotte snelwegrit is het nog een stukje krauten door het Brabantse land. Smalle weggetjes, weidse landerijen, het ziet kalm uit. Schijn in Schijndel: de camping blijkt aan de grote doorgaande weg te liggen. Da’s nou jammer.

Op de camping wachten we in de auto een buitje af voor we de boel opzetten. De haringen kunnen we gemakkelijk in de grond duwen. Het gras zompt enorm, wat een hoop regen hebben ze hier gehad. De luifel opzetten is een vreselijk gepruts, we hopen het nu te snappen zodat het een volgende keer gemakkelijker gaat. Het “voorportaal” scheelt direct een hoop natte inloop. Ik geef het toe, misschien is het best praktisch. Wist ik veel.

De vrienden zijn er aan het eind van de middag, die zetten een stuk vlugger op. De bij de camping bestelde borrelbox wordt vervolgens onder gekeuvel een koppie kleiner gemaakt. In het zonnetje, de dreigende lucht drijft verder. De keuze waar we zullen eten is niet zo ingewikkeld, het pannenkoekenrestaurant aan de overkant van de drukke weg. Na het eten duiken we vroeg ons bed in, met het kacheltje en de elektrieke dekens aan.

Vrijdag is een niksnutterige dag. Oftewel vakantie. Lang uitgeslapen na een koude nacht. De zon staat op de tent, het lange gras glinstert groen van dauw en/of regen. We gaan een wisselvallige dag tegemoet, maar ontbijt met eitjes, allerhande lekkers en koffie hebben we in de zon terwijl de zwarte lucht langs ons heen drijft. Vooralsnog.

Na een wandelingetje met Ravi stappen we gevijven in de snoek om naar het fenomeen “de Wit in Schijndel” te gaan. Het parkeerterrein is zo groot als die van de Efteling en navenant druk. Bizar. Optimistisch duiken we in het kampeerwinkelgekkenhuis en dompelen ons onder in (te) dure en (te) grote tenten, vouwwagens en daktenten. Tentzakken van 60-65 kilo. Ik zie de Dyane al door z’n wieltjes zakken, hilarisch.

Maar we vinden ook fleecedekens (mijn elektrische deken heeft de geest gegeven) en een miniatuur Dyaantje. Gijs ook blij. Blijkt de nutteloze dag toch zin te hebben. We neuzen tussen lange paden vol allerhande onnodige en vast handige accessoires. Als de buien overgedreven zijn gaan we verder: er moet geboodschapt worden en een ijsje genuttigd voor we terugkeren naar de camping.

Na het borreluurtje wordt er serieus werk gemaakt van het eten. Veggie Tikka masala. Mafkezen. Hij die tot 4 jaar geleden geweigerd heeft óóit te gaan kamperen heeft zich ontpopt tot een ras-campeur. Hij wil kóken op de camping. Ach ja, koken is zijn hobby, maar om dat nou in de regen op de camping te willen doen? Het gaat mijn pet te boven. Pas bij het afwassen zal ik me wel nuttig gaan maken. Op twee tafels onder de luifel snijden, roeren en prutsen de drie koks terwijl er een vette bui overkomt. Ik blijf veilig bij het kacheltje zitten, dan loop ik niemand in de weg. Koken. Nooit mijn hobby geweest en op de camping al helemaal niet. Maar zo, onder de luifel is het heel gezellig en het eten is heerlijk. En die afwas? Zo gepiept.

Na de afwas zeggen we welterusten en kruipen ieder in ons eigen tent. Het is bar koud geworden. Vannacht heb ik een extra, extra deken.

’s Nachts was het 3 graden zag ik op het thermometertje op tafel onder de luifel. Zo handig die luifel! Een royaal ontbijt, nu met pannenkoeken. Zelfs na twee dagen kletsen we nog steeds 5 kwartier in een uur. Na drie bakken thee en twee keer koffie lopen we een rondje met de hond. Stuiten op een boerderij met een paar geinige Dafjes. Hierna is het tijd voor de lunch, wederom veel te uitgebreid. We worden hier vetgemest.

’s Middags krijgen we een rondleiding langs de kruidentuinen en druivenpercelen voordat de wijnproeverij begint. Ravi mag niet mee, Gijs blijft met hem bij de tent.

Bij de inleiding op het terras worden er uit het kruidenperk blaadjes en takjes rondgedeeld die we moeten ruiken en proeven en dan raden wat voor plantje het is. Aan mij heeft-ie een slechte. De eerste drie, citroenverbena, citroenmelisse en munt, verpesten mijn reukvermogen voor de rest van de middag. Citroen en munt STINKEN! (postcovid)

De kruidenperken zijn geen nette vierkanten met de kruiden op een rijtje maar cirkels en slingers en álles staat rammelend door elkaar, een waar paradijs voor bijen vlinders en vogels. De eigenaresse, Myriam, is herborist en weet precies wat je waarvoor kunt gebruiken en welke kruiden nuttig zijn voor elkaar in de tuin. Ze maakt hiervan theeën, siropen, azijnen, muggenspray en zo meer. In het eerste kruidenperk bij de receptie staan zeven kaarsrechte ginkgo’s. Het hele domein is omgeven door een verscheidenheid van loof- en naaldbomen, ook weer goed voor beschutting, bestuiving etc.

Verder lopend over de graspaden vol klavers, paardenbloemen en andere “onkruiden” komen we bij de eerste wijnranken, 15 verschillende rassen. Hier krijgen we uitleg over de bodemgesteldheid, de druivenrassen, de snoeiwijzen… ik ben de draad na een halfuurtje echt wel kwijt en ik krijg het koud. Goddank is het de hele tijd droog.

Verderop komen we bij een wilgenbosje met daarin een soort heksenkring, een beschutte cirkel met boomstamkrukken als zitplaats plus eentje in het midden, onder meer gebruikt voor meditatie-sessies. Daar tegenover is het druivenlabyrint, in de lay out van het labyrint van de kathedraal van Chartres. De term “labyrintwijn” zet zich in mijn brein vast, dat moet lekkere wijn zijn. Wij gaan het labyrint niet in, dat is een individuele aangelegenheid (zie de website). Er volgt nog veel meer informatie, ik begin nu echt in te kakken. We zijn al anderhalf uur verder en ik heb nog geen wijn gezien. Gijs appt al waar we blijven.

Binnen staat alles klaar voor de proeverij. Wijnboer Geert is enthousiast en trots op zijn bedrijf, hij vertelt er vol humor over. Soms een beetje té, alsof hij een one man show weggeeft. Ach, ik lach er maar om, het vette Brabantse accent is vanzelf al grappig.

Bij het ruiken van de wijnen krijg ik kortsluiting. Werkelijk alles, áls ik al iets ruik, ruikt naar citroen. Bah. De wijn doet mijn mond samentrekken zo zuur. Is dit nou labyrintwijn? Ik blijk de enige te zijn in de hele groep met deze reactie. Pas de derde witte (de eerste twee heb ik weggegoten wat nix voor mij is, dus dat zegt iets) vind ik wel aardig. Dat blijkt appelwijn te zijn. We worden genept waar we bij staan.

De rode wijnen kunnen me evenmin bekoren, het bakje raakt vol van mijn restjes. De laatste wijn lijkt bruinig als hij uit de fles geschonken wordt. Mensen vinden de kleur naar sherry neigen. Ik heb geen idee maar dit is letterlijk de éérste wijn waar ik íets ruik. Iets zoetigs als pruimen of rozijnen. Hoe de wijn smaakt? Deze vind ik wel lekker, iets voor bij een chocoladetoetje ofzo. De aap komt uit de mouw: de wijn is gemaakt van de appelbes en zwarte bes plus nog wat andere fruitsoorten. De ondertitel op het etiket zegt “hij is bes lekker”. Dat verklaart een hoop.

Precies om 6 uur rollen we weer naar buiten, 3,5 uur later. Eten doen we voor het gemak weer aan de overkant. Voor het éérst in mijn leven krijg ik mijn kaas-gemberpannenkoek helemaal op, ik zit dan ook bommetjevol. Kacheltje aan en uitbuiken. Tot morgen!

Dreigende wisselvalligheden. Toch buiten ontbijten, laatste eitjes en restjes appel- en notenbrood opmaken. Gezellig. Nog steeds niet uitgebabbeld. De luifel is wederom ideaal: karretje eronder en droog inpakken. Tent en luifel opbreken is dan nog een makkie, ze zijn zo goed als droog. Tegen het middaguur nemen we met dikke knuffels afscheid. De tijd gaat altijd te snel, die paar dagen zijn zo voorbij. Tot gauw!

Op de snelweg aan de andere kant is de grijzeduivenuittocht zuidwaarts begonnen, elke 3e auto is een camper of trekt een caravan. Bij Hoorn verwelkomt een gigahoosbui ons in West-Friesland. Lekker dan. In de thuispolder is het weer droog en licht. Die gekke maar toch o zo handige luifel hangen we vijf minuten over de waslijn. Klaar voor de junivakantie!


Daar staan we dan. Een lange sliert, de dag voor Koningsdag toepasselijk vooral rood-wit-blauwe auto’s, uitwaaiend op een waddendijk op Texel. Waarom hebben we dat nooit eerder gedaan?

Voor ons een dagtochtje, in tegenstelling tot Limburg is dit lekker dichtbij. Schoonzoon liet weten een keertje mee te willen rijden met een clubrit, dit is de uitgelezen kans. Dochterlief moet helaas werken, wat we allemaal erg jammer vinden. Daags voor vertrek zetten we het bankje achterin de Aca, want ook onze jongste zoon en een vriend van schoonzoon willen mee. En na een laatste poetsbeurt om het Limburgse stof eraf te krijgen zijn we er helemaal klaar voor.

Om 8 uur staan schoonzoon en vriend al voor de deur. Na de koffie en croissantjes krijgen de jongelui eerst rijles, want ja, dit is een iets andere auto dan waarin zij hun rijbewijs gehaald hebben. Rond half 10 vertrekken we vervolgens in de twee auto’s naar Den Helder. Pech, de boot van 10 uur met aan boord een stuk of wat eenden vaart net af. Genoeglijk staan we buiten in de zon te kletsen, het is echter nog hufterig koud.

We hebben het eerste deel van de route voor de Tomtom gekregen, daarna wordt het ouderwets navigeren ben ik bang. Bij het startpunt, restaurant Veronica in Oudeschild, is al veel volk op de been, met een beetje manoeuvreren prakken we onze karretjes ertussen. Lopen een rondje, zeggen wat mensen gedag, drinken een bakkie koffie. Onze drie jongens brengen de gemiddelde leeftijd flink omlaag.

De papieren ritbeschrijving beslaat 1 (één!) kantje, jemig, dat wordt lastig. Nouja, vanaf de start crossen we toch allemaal achter mekaar aan. Druppelsgewijs worden na het uitlegpraatje de 41 auto’s in gereedheid gebracht voor vertrek. Een feestlint van kleuren, een regenboog aan autootjes vertrekt, het eerste dijkje op tot iedereen stilstaat. Opstellen om in colonne te rijden? Welnee, de bestuurder van de gele eend gaat op zijn dooie akkertje het dak oprollen. We schuiven er één voor één langs.

De jongelingen hebben een onderling wisselsysteem ingesteld zodat ze alle drie: een keer aan de beurt komen om te sturen; ruim achterin kunnen zitten doch met stijve nek om iets door de vooruit te zien; op de krappe bijrijdersstoel mogen navigeren.

Wat hebben we ongelooflijke mazzel met het weer. Oké, de wind snijdt maar de zon schijnt en de windveren en wolken die in de Dyaneblauwe lucht zweven maken elke foto tot een plaatje. Op de Lancasterdijk aan de Wad-kant wordt er massaal gestopt voor een fotoshoot in rood-wit-blauw.

Met de Aca nu vóór ons kachelen we met een klein plukje verder. We komen langs het geinige winkeltje, Pier 53, waar we een paar jaar geleden onze eerste molen voor in de tuin gekocht hebben. Nog steeds een mooie winkel, maar geen tijd om te stoppen. We moeten de rest bijhouden!

Eindpunt van de Tomtomroute is de vuurtoren bij De Cocksdorp. Ook daar staan de parkeerterreinen behoorlijk vol. Helemaal aan de buitenrand bij de strandopgang vinden we een plekkie in de luwte. Koffie, krentenbollen, bananen, pakjes frisdrank en uit de kofferbak van de jongens komen eveneens behoorlijke lunchpakketten tevoorschijn. Heb ik daarvoor voor een weeshuis broodjes ingeslagen? Er zijn wat restaurantjes, terrassen en een strandtent waar wat clubjes clubleden zich in terugtrekken. Wij eten daarentegen gewoon uit de kofferbak, lekker makkelijk. Hèhè, wat benne me uit hè.

De één loopt naar de vuurtoren, de andere twee gaan met Ravi het strand op. De hond wordt helemaal maf. Het duurt een poos voor ze terugkomen. Blijkbaar wilden ze tot aan het water lopen, het strand was alleen veel breder dan verwacht…

Om een uur of 2 vinden we het welletjes, de twee vrienden moeten immers nog een heel eind verder reizen. Het enige probleem is dat we nu geen Tomtom meer hebben, slechts de laatste regeltjes van de routebeschrijving. We noemen het avontuur. Of cursus navigeren. We hebben ieder zes ogen nodig: twee op het papier, twee op de weg en straatnaamborden en twee op de Tomtom om die straatnamen terug te vinden. Splitsingen zijn soms niet vermeld omdat de straat waar we op zitten schijnbaar logisch alleen naar rechts te volgen is. Of naar links. Voor een Tesselaar vast heel logisch, voor de vastelanders een raadsel. “Rechtdoor over de rotonde” maar waar blijft die rotonde nou toch? In De Koog is een afsluiting waar we bordjes volgend omheen karren en op goed geluk weer op de goede weg terecht komen. Eindelijk zien we Ecomare verscholen in de duinen liggen.

Van daaruit komen we bij het bos. Ik wist niet eens dat er op Texel een bos was. Onderscheid tussen weg en fietspad is af en toe een gok, ze zijn namelijk even breed en op beide wordt er gefietst. Het is er echt mooi én uit de wind. Bij restaurant/snackbar Turfveld bij Den Burg is het zo te zien goed druk, logisch want hiervandaan starten wandel-, fiets- en trimpaden. Ergens bij de laatste aanwijzingen vlak voor Den Hoorn missen we een straatnaam, slaan we te snel af en rijden we te ver door. Ach, één missertje op de hele reis valt nog wel mee. Omdraaien en straatje-keren, wat met de Dyane makkelijker blijkt te zijn dan met de Aca.

We hebben het bootje terug om drie uur, kunnen gelijk inschepen. We worden op een ijsje getrakteerd dat precies op is als het tijd is om de auto’s op te zoeken. Bij het ontschepen raken we de Aca kwijt. Wij hebben het stoplicht mee, zij niet. Wij hebben de brug mee, zij niet. Zij nemen daarna een andere (leukere) omweg en zijn toch slechts 5 minuten na ons thuis. De jongens zijn laaiend enthousiast en blijven maar “dankjeweldatwemeemochten” zeggen. Wij zeggen: “Dank jullie wel voor de gezelligheid!” Volgende keer zorgen we dat dochterlief ook mee kan!


 

PS: de meeste foto’s zijn van mij, voor de rest © Gijs, Casper, Kevin, Stan.

Half april, een zonnige waaibomendag. Als dit zo blijft hebben we morgen mazzel met de 2CVclub-rit in Limburg. Gijs heeft een grappige B&B in de buurt geboekt. Daar kunnen we vanaf 4 uur terecht, ruimschoots tijd om eerst bij redactie-collega Els een bakkie te doen. En met dat plan gaan we op pad.

Bij Els aangekomen worden we gastvrij ontvangen in een heerlijke woonboerderij die aan allerlei verbouwingsperikelen onderhevig is. Wat een ruimte! Hoewel het fris is, drinken we in de tuin thee en kletsen we 5 kwartier in een uur. We bewonderen uiteraard haar nieuwe Aca-aanwinst. Geen foto’s gemaakt stom genoeg. Buiten naast het huis doen we wel een fotosessie bij de Citroëns op de oprit.

Tegen vieren zwaaien we vrolijk “tot morgen!” Binnendoor crossen we naar Ospel. Ik zie onderweg topzwaar bloeiende prunussen, uitgebloeide magnolia’s en paarse seringen die aarzelend beginnen open te komen. Bij B&B De Turfstaeker aangekomen blijkt dat we gewoon binnen hadden kunnen lopen. Ja, weten wij veel, we zijn onpersoonlijke Ibissen en Novotels gewend… We krijgen koffie, thee en een dikke plak verse cake toegestopt en praten wat met de twee andere gasten. Een halfuurtje later deponeren we alle spullen in de ruime kamer. Een privé tegelterrasje kijkt uit op een groot weiland met een vijver waar een husseltje loopeenden rondkwaken. Langharige geiten met vier jonkies kuieren er rustig tussendoor, kijken zelfs niet op of om als er twee lompe pony’s langs komen denderen.

Op weg naar het restaurant, Peerkesbosch, verbaas ik me over de vele hypermoderne, om niet te zeggen M. Hulot futuristische villa’s. Van boerderettes tot walgelijke nep-kasteeltjes, het cliché “hoe meer poen hoe minder smaak” lijkt maar al te vaak van toepassing. Passeren in Nederweert een nieuwbouwwijk met absurd grote huizen op ieniemienie kavels, mannetje aan mannetje. Welke architect dit verzonnen heeft, hij mag terug naar de tekentafel. De volgende morgen maak ik er foto’s van ter bewijs.

Via een onverhard zandpad komen we bij het bosrestaurant. We schuiven aan ons gereserveerde tafeltje in de hoek, Ravi aan de voeten. Het restaurant zit goed vol, wat voor de Indiër geldt, geldt ook hier: als de locals er eten, is het goed eten. De gigantische burratasalade krijg ik voor driekwart op. De gekarameliseerde perzik en geroosterde walnoten snoep ik er nog tussenuit en dan zit ik bommetje vol.

We lopen een stuk naar de bosrand, langs de alpaca’s en de walibi’s, de kippen en de paarden. Het grote terras zal ’s zomers stampvol zitten, nu is het te koud.

In de schemering tuffen we terug. Op ons kamerke is het stil. Welterusten.

De volgende morgen staat er een prima ontbijt met een grote pot thee, verse jus, eitjes, afbakbroodjes en zelfs een gekookt eitje voor de hond klaar. We hebben tijd zat voor we kallum-an naar Stramproy vertrekken.

Bij het startpunt is een grote parkeerplaats opengesteld voor de eenden. Buiten is de wind koud, bibberend schiet ik wat willekeurige plaatjes. Het kleine kroegje kan de vraag naar koffie amper aan, de wachttijd loopt op aangezien elk kopje koffie per stuk klaargemaakt wordt in de keuken. Lekkere koffie, dat wel. Na het praatje kunnen we eindelijk op pad. Met alleen een papieren routebeschrijving, oei. Met een stuk of wat spontane aanwaaiers meegerekend zijn we met meer dan 60 auto’s.

We zitten in de voorhoede-colonne. “Follow the leader”, dan kom je er wel. Tot Peer zitten we continue achter dezelfde Charleston. We scheuren van het ene onverharde pad naar het volgende, geweldig stoffig maar leuk. Met die boerenlandpaadjes is het logisch dat de Tomtom daar geen GPX route van kon maken, volgens dat schermpje rijden we door het grote niets.

In Peer stopt de meute bij Poire et Provence. De hele winkelstraat en verder is volgepakt met 2CV’s tot een kleurrijk feestje. Poire et Provence zelf is een curiosa en tuttemezooi souvenirwinkeltje zoals overal in Zuid-Frankrijk, heerlijk om in rond te snuffelen. Bij Léonidas ertegenover krijgen we een bolletje ijs.

Hierna zoeken we het dichtstbijzijnde tankstation. Tank en reservetankje volgooien, duurder dan vorige maand scheelt het toch nog steeds twee kwartjes de liter met de pomp in Middenmeer. Bij de kerk in Peer hervatten we de routebeschrijving. In ons uppie, dus ik moet aan de bak als navigator. En meeschrijven. En fotograferen. En op de weg letten. En op het papier letten. Leve de reispillen.

Vrij snel na de bebouwing ziet Gijs een bankje dat we gelijk bezetten. Tijd voor koffie en een broodje. Als ik net een hap genomen heb, stopt er een stel clubgenoten. Ze vissen stoeltjes uit de kofferbak en komen er gezellig bij zitten lunchen. Gaandeweg komen er steeds plukjes eenden langs toeteren, ik krijg een lamme arm van het terugzwaaien.

Brood op, koffie op: we gaan door! Een tankstation wordt overvallen door de halve club, blij dat wij dat al gedaan hadden. In België is overigens net als in Weert weinig te merken van enige economische crisis als we afgaan op de vele nieuwbouwvilla’s en bouwprojecten. Na een paar kilometer duiken we gelukkig weer de zandpaden op. Het is te koud om met open dak te rijden, de foto’s door de voorruit worden al stoffiger.

Vlak vóór de laatste rotonde, op 100 meter van het eindpunt klappen er twee 2CV’s op elkaar. De weg wordt ineens versperd door een zwerm eenden. We kunnen niet goed zien wat er nou aan de hand is, dat wordt pas duidelijk als we erlangs kunnen schuifelen. Beide wagens hebben veel schade. Wat een naar einde voor de eigenaars, en dat na zo’n gave tocht!

Bij het maffe cafeetje zeggen we wat mensen gedag en zetten koers naar huis. Het hoost van de lucht, de hele terugweg. Als het verzamelde stof tijdens de rit vandaag spoelt in vuile stroompjes van de ruitenwissers af. Op de Veluwe knoertharde wind pal schuin tegen. De auto stuitert alle kanten op.

Na ruim 3 uur snelwegrumoer zijn we eindelijk thuis. We zijn kapot. Volgende keer Limburg: twee overnachtingen boeken!


 

Weg uit sleur en drukte, gewoon een paar dagen er helemaal tussenuit. Dat is het plan. Om nou voor een weekje naar Thailand te vliegen en daar dezelfde dingen te gaan bekijken die we al vaker gezien hebben, dat is teveel gedoe op niks af. We zoeken het iets dichter bij huis, dan kan de hond ook mee. Wel zo gezellig.

File-ontwijkend via Eindhoven rijden we Nederland uit. Na de koffie net over de grens in België gaat het dak open en het vest uit; de zon wordt weliswaar gesluierd door hoogvliegend Saharastof, de temperatuur is heerlijk. Het laatste uur tot onze bestemming zetten we de Tomtom op kronkelen door de Ardennen, we hebben tijd zat. Ineens dwalen we door een totaal ander landschap. Weides, bossen, dorpjes en tsja, daar word je plotsklaps een off-road pad ingestuurd. Leuk met de Dyane, de Snoek heeft er evenmin problemen mee.

Precies om 4 uur arriveren we in Six-Planes (70 inwoners) waar we worden verwelkomd door een oud dametje dat ons meeneemt de oprit naar het huisje op. La Petite Maison is precies wat het belooft: een knus-kneuterig natuurstenen huisje met een later aangebouwde vestibule zoals je dat vaak ziet in België en Frankrijk. De grote tuin is geheel voor ons, in die verre schuur ligt voldoende hout als we meer nodig hebben om te stoken. Het huisje is compact maar alles is er. Op zijn Belgisch aan elkaar geknoopt doch functioneel, tot de plastic bloemetjestafelkleden aan toe. Elke wand is voorzien van minimaal één of twee schilderijtjes, terwijl je, als je naar de voorste muur kijkt, een levend schilderij omlijst door een 80cm diep kozijn ziet. De stoelen buiten lonken. Omringd door vogels en stilte, proosten we op een paar dagen weg-zijn.

Op een prent aan de wand zie ik dat la Petite Maison 100 jaar geleden een schooltje was. Op de foto zien we de schoolmeester poseren met zijn 23 leerlingen voor het raam van wat nu de keuken is. Helaas zijn veel oude kenmerken, zoals de stenen raamomlijstingen verdwenen door isolatie- en moderniseringswoede. De robuust-eiken raamstijlen zijn lang zo mooi niet.

Het koelt snel af als de zon weg is. Het aansteken van het houtkacheltje is een uitdaging: de beloofde aanmaakblokjes en lucifers ontbreken. Gelukkig had Gijs die laatste thuis nog snel in het krat erbij gegooid. Hij weet met de láátste lucifer het vuurtje aan te krijgen.

De rest van de avond zitten we moe en rozig maar bar tevreden voor het kacheltje dat gezellig sputtert en vlamt. Ravi maft aan Gijs’ voeten.

We beginnen de dag met het verkennen van het slaperige dorp. Ergens zit een specht in zijn boom te beitelen. Honderden mussen, mezen, groenlingen en een blaffende hond in de verte versterken het geluid van de stilte.

Na de koffie in de tuin rijden we naar Alle, daar zit een boulangerie en een kleine supermarkt waar Gijs lucifers en aanmaakblokjes haalt. De Semois staat hoog. Overal langs de slingerweg passeren we watervalletjes en snelstromende greppeltjes, langs de rivier zijn veel gîtes en campings. In Alle staat de kerstversiering tussen de carnavalsconfetti.

We nemen een spannende route terug. Wanneer we op een wegkapelletje met gebrandschilderde glas-in-lood ramen stuiten, stappen we even uit. Het blijkt een grafmonument te zijn voor een verzetsstrijder in WO2. De klok heeft een mooie galm, we kunnen het niet laten om het touw een zwengel te geven.

We lunchen met de gekochte lekkernijen buiten. Langzaamaan wordt de zon weer stoffig. Ik hou het tot half 5 uit, dan gaan we naar binnen.

En ook zondags is het prachtig weer, waar hebben we het aan verdiend. We gaan voor de lunch naar Vresse, een pizzeria is open en we kunnen lekker buiten zitten. Een derde van mijn pizza wordt ingepakt, avondeten voor vanavond.

Uitbuikend lopen we naar de Semois. Op de grasvelden langs de oevers wordt volop gepicknickt. Na het rustieke stenen boogbruggetje volgt een asfaltwandelpad de rivier. Honderden soorten mosjes en felgroene varentjes hebben de stenen muurtjes langs het pad gekoloniseerd, overal sijpelt helder gedruppel. Om een rondje te maken is er ’s zomers als de rivier laag staat een brug, een soort vlot-/touwbrug waar vroeger de tabakstelers gebruik van maakten om van de ene akker naar de andere te kunnen lopen. Wij keren om en lopen dezelfde weg terug.

Wordt het al eentonig? Ochtendkoffie in de zon. Een dikke reuzenhommel zoemt om ons hoofd, verdwijnt af en toe tussen de warme leistenen van de muur en komt ergens anders weer naar buiten.

Suf genoeg ontdek ik nu pas de stapel folders en infoboekjes in de vestibule. Ik vind een makkelijke wandeling van 5,5 kilometer, de “Route de Maquis”, route van het verzet. Startpunt: de Millennium toren in Gedinne. Het pad is op veel plaatsen van een informatiebord voorzien. Hoe het verzet hier in 1944 georganiseerd was, wat de omstandigheden toen waren, etc. In die dagen was er natuurlijk geen keurig bewegwijzerd pad, slechts dicht bemost bos. Er is van alles te lezen wat ik niet doe. Ik onthoud het toch niet, ik maak er wel een foto van als het me interessant lijkt.

Het eerste deel van de tocht is een dalende asfaltweg door gekapt boslandschap met wijd uitzicht. Halverwege slaan we af, het bos in. Het steenslag-pad stijgt licht, in de greppels en geulen naast het pad gutst water. We zien een paar stammetjes als potloden geslepen rond een kreekje liggen, een beverdam heeft een vennetje gecreëerd (geen foto helaas). Het pad wordt al drassiger en als de plassen te groot zijn, tilt Gijs Ravi eroverheen. De arme hond gaat in de vertraging, het is best een end al met al.

Thuis is er thee op het terrasje. Elke middag voeren twee of drie buizerds een luchtshow op, geweldig gezicht.

Laatste dag. Omdat het vanmiddag schijnt te gaan hozen gaan we vroeg aan de wandel. Er is een wandeling (route 7, groene rechthoekje op de kaart bij de kerk) vanaf Six-Planes, 6 kilometer moet te doen zijn. Heuvel op, heuvel af, door de weilanden en bos, mest, modder en blub. De kerk in Gros-Fays heeft een oude façade en een lelijk-moderne zijkant. Blijkt afgebrand geweest te zijn en “economischer” herbouwd.

Die 6km zijn er 7,5, ruim 10.280 stappen, ik ben kapot. Koffie.

Gijs rijdt ff naar de super, ik doe niks meer behalve theedrinken. De lucht is nu helemaal dichtgetrokken, de regen laat niet lang op zich wachten. Gijs haalt een kruiwagen hout, de kachel gaat aan. Zo redden we wel de avond door.

Ik borstel Ravi in de vestibule, eerst nog begeleid door vogelkoren maar algauw worden die overstemd door het geroffel van de volgende bui. Net een tentdak, dat geratel op het plexiglas-golfplaten dak.

Het blijft op en af plenzen. Ravi verzet geen stap meer. Ik ook niet.

De laatste nacht slapen we altijd wat onrustig en zijn we er bijtijds uit. Anderhalf uur later zijn we klaar voor vertrek, inclusief het huisje aan kant gemaakt. Gijs zegt mevrouw gedag, inspectie gelooft ze wel. On y va. Il pleut.

Bij Thynes spotten we een picknickhutje. De thermosfles doet het niet goed, dus de koffie gieten we zo naar achteren. We staan droog maar bagger, wat is het koud!

We slingeren verder. Door de mistroostige voorruit maak ik geen foto’s hoewel er genoeg te zien is. Vakwerkboerderijtjes en kerkjes met leien daken glimmend van de nattigheid; wit en roze prunussen, knalgele forsythia’s en grote solitaire magnoliabomen vol in bloei. In elk zichzelf respecterend dorp ligt een stapel snoei- en afvalhout klaar om in het weekend voor Pasen te worden aangestoken. Borden waarin het “Grand Feu” wordt aangekondigd staan al van verre langs de weg. We krauten door weilanden, de modder spat tot op het dak bij de diepe plassen en vervolgens kriskras door bossen via een superspannend-steile afdaling  tot we uitkomen bij Yvoir aan de Maas. De rivier is hier heel breed en stroomt snel.

Genoeg gekronkeld. Na het tanken wordt Tom ingesteld op snelste route, nu wel via Brussel en Antwerpen. Op de snelweg is het zicht nagenoeg nihil. Wát een nattigheid! File bij Brussel, Antwerpen rijdt aardig door. Vooral laatste uur file, A8, A7. En thuis schijnt de zon.

á la prochaine!


 

Na een paar proefritjes nu het nog mooi weer is, gaan “we” aan de slag. Ik zeg wel “we” maar iedereen weet dat ik Gijs bedoel.

We beginnen met ontroesten aan de binnenkant. Een Spaans slakkenhuisje komt tevoorschijn bij het lostrekken van de oude, mee-gespoten, geluidsisolatie bij onze voeten. We constateren dat daar slechts wat kleine plekjes aandacht behoeven.

Gijs gaat verder met de laadvloer. Roest zoveel mogelijk wegkrabben, vervolgens met rust-preserver (RX5) insmeren om de roest te impregneren en neutraliseren. Dat is doorzichtig spul dat er helemaal in en tussen kruipt. Als dat gedroogd is kan er antiroestbeschermspul (RX10) op, een zwart, haast rubberig goedje. Ook dat moet lang drogen en pas dáárna kan ik kwasten.

De industrielak die ik bij de bouwmarkt op de kleurcode heb laten mengen, is, nadat Gijs er wat wit doorheen gemengd heeft, goed genoeg voor de binnenkant, al is het iets te blauw in vergelijking met de originele lak. Een plat vlak schilderen lukt mij zelfs.

Als het antiroesten en verven is gebeurd, kunnen de anti-dreunplaten tegen de voorkant van de voetenbak geplakt worden, waarna de nieuwe vloermatten erin kunnen. De laadvloer krijgt een nieuwe mat en dan mag ik het wagentje pimpen. Het vliegend vloerkleed arriveert, Ravi komt eens inspecteren. Het duurt niet lang voor hij erop staat, eens links krabt, dan rechts, vier rondjes om zijn as draait waarna hij zich als een tevreden pasja in het midden van het tapijtje uitstrekt. Beproefd en in orde bevonden.

Lak voor de buitenzijde laten we na een zonnig ritje mengen bij Fraay in Purmerend. We hadden wel een potje tweecomponentenlak op kleur meegekregen, maar Gijs gebruikt in de airbrush liever metaallak. Na meting blijkt het bleekblauw een ‘reguliere’ industriekleur te zijn waarmee ze in Spanje hebben overgespoten. Frappant.

Inmiddels is het november en gaat Gijs met de onderkant van de bodem aan de slag. Die ziet er op zich prima uit, een laag antiroest is alleen wel noodzakelijk. Eerst in de wasbox de boel schoonspuiten: de modder zit in alle hoeken en gaten. Na een dag drogen met de ventilator erop wordt de Aca op de brug gehesen. Een hogedruk-luchtblazer perst er nog veel bende onderuit. De naast de brug geparkeerde bolide wordt beschermd door twee grote schermen. Als dat gebeurd is, gaat Gijs met de honden-waterblazer de laatste hoekjes en gaten na.

Nu kunnen we echt aan de gang. Gijs demonteert de voorspatborden zodat hij overal goed bij kan. Nu is goed te zien hoeveel vuil er nog steeds is achtergebleven, dat wordt eerst weggeveegd. Daarna spuit hij met een slangetje aan de spuitbus de binnenkanten in met de rustpreserver. De brug en de vloer zijn bedekt met zeilen om de garagevloer niet te smerig te maken, het spul lekt namelijk overal langs.

Elk blootgelegd stuk metaal wordt zorgvuldig bedekt met het glimmende goedje. Ook het uit elkaar gehaalde en schoongemaakte rooster achter de grille krijgt uit voorzorg een laagje. De kunststof grille zelf krijgt direct nieuwe glanzende chevronnetjes. Staat wel zo sjiek.

Wanneer alles ingesmeerd en gedroogd is wordt in de holle ruimtes een schuimachtig spul gespoten (RX7). Dat blijft flexibel en kleverig. De rest wordt ingespoten dan wel ingesmeerd met de zwarte antiroestbeschermer. De beugels van de grille krijgen een nieuw laagje Hammerite verf.

Na een paar dagen drogen gaat de Aca terug de geprepareerde wasbox in. De vloer wordt beschermd met een verse laag plastic. De achterkant van de auto is zo hoog mogelijk opgekrikt zodat alle gaten en kieren van de onderkant verder bewerkt kunnen worden. Gijs hult zich in een witte wegwerpoveral, schudt de nieuwe spuitbus met “underbody coating” en kruipt onder de auto om alle hoeken en kieren grondig te behandelen.

Wanneer de roestprotector gedroogd is en de hal, brug en wasbox zo goed gepoetst zijn dat het net  is of er niks gebeurd is, staat de Aca weer in zijn eigen hok. Hier hebben we de komende maanden rustig de gelegenheid om kleinere plekjes bij te werken en te verfraaien.

Op een mistige vrijdag in december maken we om het resultaat te vieren een ontspannen toertje door de Noordkop langs de Helderse duinen. Een paar dagen later wordt er zóveel gepekeld dat het zonde zou zijn van het vele werk om nog meer tochtjes te maken. Hoe hard de zon ook schijnt…