Dat is hoe mijn vriendin Eleni het zou noemen, een stapel ouwe stenen. Ze zijn hier nou eenmaal, waarom zouden we ze dan niet bezoeken?

De Janustempel nabij Autun steekt in leeg landschap dreigend omhoog, je rijdt er zo naartoe. Deze Temple de Janus dateert nog van vóór onze jaartelling. Van origine was het een Gallische tempel ter ere van één of andere godheid, vermoedelijk Janus maar zeker weten doet niemand dat. Het zijn imposante muren maar veel meer dan dat is er niet te zien. Veel wordt er aan de verbeelding overgelaten.

We rijden door naar het amfitheater in de stad. Gebouwd in de 1e eeuw na Chr. Het moet immens geweest zijn, met een doorsnede van 148 meter en plek voor zo’n 15.000 toeschouwers één van de grootste Romeinse theaters. In de 20e eeuw is een gedeelte gerestaureerd, er resteren wat banken, een geïmproviseerd podium waar ’s zomers concerten en voorstellingen worden gegeven en een ren-/atletiekbaan daarachter. Niet te vergelijken met het theater in Nîmes of Rome, maar hé, ik sta solo op het podium en doe mijn Yasmin-act. Eeuwige roem is mijn deel.

Tenslotte volgen we de bordjes naar de Porte d’Arroux. Een goed bewaarde stadspoort in de vestingmuur die rondom de hele stad Augustodonum liep. Links en rechts twee smalle poorten voor voetgangers, in het midden twee grote doorgangen voor voertuigen. Bijzonder toch, om daar met je antieke Dyaantje en je eigen Idéfix doorheen te karren?

De volgende dag bezoeken we Bibracte. Deze stad was al lang voor de jaartelling bewoond. In de strategisch op een heuvel gelegen, dubbel versterkte, schier onneembare vesting werden de troepen verzameld om te strijden tegen de Romeinse overheersers. Boeren konden zich achter de wallen terugtrekken wanneer de grond hen daarbuiten te heet onder de voeten werd. Toen keizer Augustus zo’n 2000 jaar geleden uiteindelijk zijn ding deed, werd Bibracte verlaten en trokken de inwoners naar Augustodonum, Autun dus. Tot zover de droge feitjes.

Het museum laten we links liggen, we rijden direct naar boven met de eend in zijn één. Op de heuveltop weids, ietwat dampig uitzicht met het beukenbos als ruggensteun. Een prettige plek om te verpozen. Ik adem diep in. Lucht. Niets. Ik snuif. Atmosfeer. Niets. Zonder geur, betekenisloos. Ik kan snuiven tot ik een ons weeg. Een gemis, dank aan corona. “Een griepje.” Me neus.

Laten we verder dwalen. Verende bospaden, beukennootjesbolsters in mijn sandalen. Natuurlijk heb ik stom genoeg niet mijn wandelschoenen aangedaan. Ravi loopt -heel goed of helemaal niet- met Gijs mee terwijl ik foto’s maak.

De nogal Franse bewegwijzering zorgt ervoor dat we slechts op goed geluk bij een aantal sites terecht komen. Opgravingen die al dan niet gereconstrueerd zijn of waar nog werk in uitvoering is. We zien een grote villa annex stoeterij, een bron met vijvers die zorg droeg voor de hele waterhuishouding in de stad, overblijfselen van een Gallo-Romeinse basilica en verbazen ons om een compleet gerestaureerd waterbassin midden op de weg. Vandaag verdwalen we met onze Ravidéfix heel aangenaam door het mysterie der historie. A bunch of old rocks indeed.


Was vorig jaar al een avontuur, voor het eerst met de Dyane, het karretje en de nieuwe tent op reis, dit jaar is er een nieuwe dimensie aan dat avontuur toegevoegd. Ravi. Paste vorig jaar alles precies in auto en aanhanger, dit jaar wordt het opnieuw passen en meten voor alle extra spullen die we meenemen.

Tegen alle verwachtingen in lukt dat zonder problemen dankzij Gijs’ geniale stouw-kwaliteiten. We staan op onze gewone tijd op en rijden zoals altijd twee uur later de straat uit. Comme d’habitude, alleen niet op zondag maar op zaterdag. Op zaterdag? Ervaring leerde ons lang geleden al dat reizen op zaterdag een slecht plan was, waarom hadden we ook alweer bedacht dat dat een goed idee zou zijn? Eén dag extra vakantie? Heel dom van ons. Nooit meer doen.

Het is uiteraard mokerdruk onderweg. Ravi zit braaf op de achterbank, slaapt door alle stress en files heen. Het zal hem een biet wezen. Achtervolgd door buien vervolgen we onze reis. Bij elke stop haasten we ons om onze koffie op te drinken, de eerste druppels vallen in ons kopje. Ravi doet zijn ding en slaapt daarna door op zijn matje.

De N5 dwars door België is dramatisch. Veel te druk, veel teveel stoplichten en rotondes en veel te slecht wegdek. De eend krijgt de nodige schokken te verduren. Net zo stoïcijns als Ravi ondergaat hij zijn lot, terwijl ik met twee handen aan het handvat hang om niet door de hele auto geslingerd te worden. Waarom hadden we ook alweer bedacht dat de kortste route door België ook de beste en de snelste zou zijn? Heel dom van ons. Nooit meer doen.

Alleen de laatste 10-15 kilometers N5 zijn magnifiek. En praktisch verlaten. De aansluiting met Frankrijk is nu klaar, ongemerkt passeren we de Franse grens. Een enkel grensbord langs de weg, that’s all. Hoezo controle op Covidcheckapp of de rabiësprik van Ravi? Zelfs in het hotel wordt nergens naar gevraagd, we moeten alleen de mondkapjes op. Heb ik daarvoor zo in de stress gezeten. Dom van mij. Nooit meer doen.

We lopen een end door het zeiknatte gras met Ravi, waarna hij er als een verzopen kat uitziet. Vervolgens schurkt hij lekker langs de bedden zodat alles ruikt naar natte hond. Dat ruiken wij toch niet. Ravi slaapt als een blok in zijn nieuwe reis-bench.

Na het ontbijt zetten we onze reis voort via de kronkel-route die Tom(tom) verzonnen heeft. Op dezelfde plek als vorig jaar stoppen we voor een foto in het lege veld. De reis is vandaag een groot contrast met gisteren. Het is zondag en doodstil op straat. Anderhalve joggende huisvrouw rond de dorpjes, een handjevol fietsende huisvaders. Je krijgt geen enkele indruk hoe het dagelijkse leven van de bewoners zich hier afspeelt. Hoe gaan de kinderen naar school? Wat doen de moeders? Wie besturen die grote landbouwmachines, en wat doen ze ermee? Op het scherm van Tom meandert de blauwe weg door het groene vlak van land- en/of bosbouw. Het zijn schitterend onderhouden weggetjes, daar kunnen de Belgische snelwegen een voorbeeld aan nemen. Niettemin wordt zelfs dat, na een paar uur meer van hetzelfde, ronduit saai.

Bij wat hoge houtstapels steekt Gijs achteruit het land in voor een broodnodige theepauze. Ravi zit inmiddels vol met gras, pluis en boomschors. Mikten we vroeger de kinderen op de kar om te verschonen, zo is Ravi vandaag de klos. Gijs borstelt alvast een heleboel eruit waarna het iets schonere beest op zijn matje op de achterbank gezet wordt. Snurken is er niet meer bij, parmantig wordt er naar buiten gekoekeloerd. Zijn we er al? Waar dat dan ook mag zijn?

Bij de camping evenmin controle op passe-sanitaire of hondenpenning. Op ons gemak zetten we de tent op, bench erin, hekje eromheen. Ons huis staat. Dan afhaal-pizza en met een trui aan in de tent eten. Mooi, die Morvan, maar niet zo warm. De ruime plek grenst aan een beekje, het water kabbelt ons en Ravi in slaap.

Een paar dagen later slaat het weer om, we zoeken warmere streken op. Ravi laat alles gelaten over zich heen komen. Zijn huis wordt afgebroken, zijn bed ingeklapt. Alle rotzooi verdwijnt in de auto of de kar. Er gaat blijkbaar weer een end gereden worden.

Na een overnachting in een hotel, rijden we de volgende dag met het dak open. Over een hangbruggetje over de Rhône. Daarna gelijk stijgen en kronkelen door leuke gehuchtjes met meer auto’s dan huizen. We zien alleen zondagsfietsers die zich op deze paden wagen.

Zo veel bloemen, net als in de Morvan. Alle huizen zijn behangen met geraniums, opritten worden geflankeerd door grote potten veelkleurige afrikaantjes, erven zijn omzoomd door rozen, heel veel rozen in alle kleuren die onzelieveheer in de aanbieding heeft. De rest van de route volgen we de Bison Futé. In wijnstreken aangekomen, komen met de druivenstokken ook de oleanders en de zon in zicht. De temperatuur stijgt navenant. Krekels wedijveren met het geluid van de motor.

Ravi gedraagt zich als de braafste hond van de wereld. Heb ik me daar van te voren zoveel zorgen om gemaakt. Zal hij niet wagenziek worden na verloop van kilometers slingeren? Wat als Ravi in het hotel gaat blaffen bij alles wat hij op de gang hoort? Zal hij de camping niet bij elkaar janken? En vooral: zal hij niet, net als thuis, woest reageren op de Zuid-Franse kerkklokken die elk halfuur en op het hele uur dubbel slaan, zelfs ’s nachts? Domme zorgen van mij. Nooit meer doen.

Reizen met Ravi? Makkie. Gewoon doen.


2020 < zoek de verschillen > 2021

onderweg

koffiestops

achterbank-hond

op de camping

pootjebaden op camping 1 en camping 2

borstelen heeft niet zoveel zin…


Zomaar een toevallige ontmoeting. Vooraan op het parkeerterrein van de supermarkt staat een niet te missen groene HY camper te pronken. Die wil ik van dichtbij bewonderen, ik stap er brutaalweg op af. Geen probleem, ons (her)kent ons immers in Citro-wereld: natúúrlijk mag ik een foto maken, en wil ik soms ook even binnen kijken? Ze blijken naast deze bus nog twee Dyanes en een DS te hebben. Hij is tevens rijdende patatbakker van beroep, in zijn rode, voormalige brandweer HY bus met de naam Manfriet. In te huren voor feesten en partijen, dat zullen we onthouden. Spontaan wisselen we telefoonnummers uit en nemen we ons voor elkaar te ontmoeten om ook onze Dyane te laten bewonderen. Mijn ‘eventjes naar de Action’ is allang geen eventjes meer als ik eindelijk mijn boodschappenlijstje ga zoeken. Wat ik uiteraard thuis heb laten liggen, maar dat terzijde.

’s Avonds rijden we naar Het Bos Roept, waar het stel bivakkeert. Zien wij ook nog eens wat, nooit geweten dat we zo’n leuke camping in de buurt hebben. De achterbank uit de Dyane op het gras, een filter op een potje verse koffie, een hout gestookt kacheltje met barbecue-rooster. Hoe authentiek kun je het maken.

Ravi krijgt een voorproefje hoe het campingleven werkt. Nee, je mag niet iedereen bespringen. Nee, je mag niet blaffen naar kindertjes. Nee, je mag ook niets van de barbecue dieven. Campingleven komt er wat hem betreft op neer dat je niks mag.

Wij daarentegen vinden het beregezellig. Avonturen wisselen klus- en reistips af. We krijgen het advies de Dyane te laten taxeren, na alle reparaties is het goed te weten wat hij nu waard zou zijn. Zoetjesaan wordt het later en later, we hijsen de bank weer in de auto en zeggen gedag. Wie weet komen we elkaar ooit nog eens tegen op een Dyane- of andere Citrofielen bijeenkomst.

De volgende dag belt Gijs direct met taxateur Plettenburg en maakt een afspraak. Jawel, op het eigen clubhonk van de 2CV Club. Wisten wij veel dat er een taxatiedag was! We passen er nog precies bij, of eigenlijk net niet meer, maar dat mogen we ruim zien.

Het is een mooie zaterdag wanneer we twee uur snelweg rijden naar Ederveen. Daar aangekomen maken we eindelijk kennis met de mensen en hun eenden bij de namen die we van facebook en het clubblad kennen. We kijken ons ogen uit. Op de brug staat een rode eend met palma-bak, daarna is de wit-oranje Spot aan de beurt. De tijd begint te dringen. De rode eend met het pluimvee en die glanzend witte moeten ook nog bekeken worden. Toch mag onze Dyane -zeer vriendelijk- nu naar binnen. Iedereen moet nog ver rijden, wij zijn zeer erkentelijk voor deze verleende voorrang.

Je zou denken dat het snel gepiept kan zijn, zo’n taxatie. Maar dan heb je nog nooit een stel techneuten bij elkaar meegemaakt. Over ieder boutje en slimmigheidje wordt gediscussieerd, overal in geprikt en gepoerd. De Dyane is mooi droog, geen drupje olie te zien. Dat mag ook wel, na al Gijs’ harde werk, twee keer nieuwe cilinders, en alles wat dies meer zij. De brug zakt weer, nog een laatste rondje om de auto en door het aanwezige originele onderhoudsboekje bladeren en dan kunnen we plaats maken voor de volgende.

Blij met het resultaat rijden we tegen half 5 weer huiswaarts, het was de moeite waard. En ik had iets om over te schrijven: een mooie ontmoeting en een taxatie-avontuur. Voilà.

PS: inmiddels zijn we ook lid geworden van de Dyane Vereniging, wie weet vloeien daar nog meer avonturen uit voort…


Ik ben een hondje zonder zorgen. Ik heb geen planning of agenda, slaap de hele morgen, speel de ganse middag. Ik eet en drink en pies en poep, da’s alles wat een zorgen-loos hondje moet.

‘De kans op verveling ligt op de loer’ zegt ze. ‘Laten we gaan shoppen’ zegt ze. Wat ze bedoelt, ik heb geen idee, maar vooruit dan ga ik wel mee. ‘Altijd leuk om nieuwe dingen uit te proberen’ zegt ze, ‘je moet nog zoveel leren’. Verveling op de loer? Rijmelaritis zal ze bedoelen.

Ik houd me slap en zwaar als ze me achter in de auto tilt. Ze zal ervoor moeten werken om me mee te krijgen. Ik piep wat zielig, jammer genoeg worden er geen snoepjes naar de achterbank doorgeschoven. Al snel zijn we op de plaats van bestemming aangekomen. Een groot parkeerterrein met auto’s en mensen en ik mag geeneens rondrennen. Spoorzoeken is ook leuk en dan van links naar rechts van voor naar achter zodat zij duizelig wordt als de riem in de weg zit. Eigen schuld.

Bij de boekwinkel is niets te beleven. Een saaie bedoening, daar is toch niets aan, gáán we nog, kom nou! Ze heeft flashbacks naar de kindertijd van haar kinderen…

Daarna rijden we door naar een grote, heel grote winkel in tweedehands dingen. Allerlei luchtjes, ik snuffel me suf. Ze houdt me heel strak vast, als de dood dat ik alle glazen uit de rekken kwispel of een matje stuk knaag. Hoe komt ze daar nou bij, dat doe ik nooit. De volgende stop is wederom een kringloophandel, maar dan van de rommelige soort, een vergaarbak van bijeen geraapte spullen. Een blind paard kan hier geen schade aanrichten. Tussen de, soms halfvergane, banken en versleten meubels ruik ik vervlogen geuren van vervlogen mensen. Aan deze stoelpoot heeft al eens een kat gekrabd, op dat kleed heeft ooit een hond gepiest, in die tafel zit houtwurm. Ik moet ervan niezen, het stof van decennia in mijn neus. Gauw weer naar buiten en naar huis.

En wat heeft ze nou gekocht? He-le-maal niets. Noemen ze dit shoppen als bezigheidstherapie?


Categorieën: Ravi

Al een paar dagen word ik van hot naar her meegesleept. Laatst moest er zo nodig met Beessie, die blauwe lawaaipapegaai, getourd worden. Dat betekent slapen op de achterbank. Na een halfuurtje lekker knorren stoppen ze alweer bij een grote winkel waar het vreemd ruikt. Ik mag mee naar binnen in een karretje, gelukkig wel met een matje onder mijn lijf. Jammer dat ik niet overal aan mag snuffelen maar er is genoeg te zien. Ik hoor woorden als ‘luchtbed’, ‘slaapzak’ en ‘tentzeiltjes’. Al begrijp ik niet waar ze het over hebben, zij zijn blij dus ik ben blij. Ik word genoeg aangehaald, gekroeld en bewonderd door iedereen, dus dan zit ik goed.

Als ze hun koffie op- en de spullen betaald hebben, vertrekken we weer. De zon schijnt op het fleurige zonne-/winddakje, ik lig beschut en toch koel op de achterbank. Zwaar leven. Bij het bekende vuurtorentje komen hun broodjes uit de tas. Mijn drinkbak staat in de schaduw en er is een boel te onderzoeken. Zo amuseren we ons wel.

Thuis gekomen word er uit de garage van Buurvrouw iets blauws gereden. Hé, nog een Beessie? Nee, dit noemen ze ‘Karretje’. Baas gaat aan het prutsen met schuurpapiertjes en een dremel. Die ken ik, daar is hij de hele winter in de garage mee in de weer geweest. Veilig vanonder een stoel op het stoepie bezie ik het gebeuren.

Opnieuw gaan we op pad, naar weer zo’n winkel waar ik in een winkelwagentje gezet word. Nu wordt het interessant, ik hoor ‘hondenbench’ en ‘opvouwbaar’. Dat moet iets voor mij zijn. Ik pas precies in de kleinste bench maar van languit liggen is geen sprake. Ik ben groot genoeg voor de middelste. Isolerend kussentje erin tegen ‘optrekkende kou’. Wat zou dat zijn? Bij het afrekenen krijgen ze nog op hun donder: blijkbaar had ik niet mee naar binnen gemogen. Te laat! 

Dan is het eindelijk zo ver. Er wordt een grote zak uit het karretje de achtertuin in gesleurd. Ze flapperen met een groot stuk plastic waar ik niet in mag happen en daarop rollen ze de zak uit. Van een afstandje zit ik toe te kijken wat ze in hemelsnaam aan het doen zijn. Een rode fietspomp zorgt dat de slangen bewegen. Help, ze komen omhoog! Kijk nou, ploep, ploep en ploep en er staat een hut! Daar moet ik bij zijn. Ik kan er zelfs in. Sterker nog, die genoemde luchtbedden zijn opgepompt en met de slaapzakken verdwijnen die in het binnenste hol. Mijn nieuwe hok gaat voorin, mét mijn eigen kleedje, vertrouwde speeltjes en drinkbak. Zou het echt de bedoeling zijn dat we hier gaan slapen?

Lang zitten ze nog buiten te lezen en te kletsen voordat ze eindelijk dat nieuwe huis in gaan. Nog een laatste keer plassen en ik kukel doodop in mijn nieuwe bed. De volgende morgen zijn ze trots op me, dat ik de hele nacht zonder een kik te geven heb doorgeslapen. Ondanks het verkeersgeruis, ondanks langslopende mensen met honden, ondanks de vogels die al voordat het licht is begonnen te zingen. Heerlijk gemaft. Ik ben Bravi, de campingteckel.


Hebben jullie dat nou ook? Of ben ik de enige nostalgische malloot? Het lijkt met de jaren steeds erger te worden. Hoewel… erg…? Het is niet erg, maar wel vreemd.

Ik ervaar een nieuwsgierige honger, als ik door historische wijken kom, langs stokoude boerderijen of door jaren ’30 buurten. Hoe zag het leven er toen uit? Hoe voelde het leven toen? Wie leefden er? Tot in detail: hadden ze werk of leden ze armoe, was er liefde of geweld, hadden ze zorgen of was het leve-de-lol? “Vroeger was alles beter”, ik geloof er niet veel van. Is nu dan alles beter? Hoe kan ik daar iets van zeggen als ik dat “vroeger” niet gekend heb? Appels en peren. Het was anders.

De wijken in het Gooi, bouwstijl Berlage, Dudok en hun tijdgenoten, de Hilversumse villa’s waar Joop ter Heul en Marijke woonden1. Laren met de lage lange boerderijtjes. Er is weinig oude glorie, alles is over de top gerestaureerd. Gemoderniseerd naar hedendaagse luxe. Slechts de smalle straatjes en de Brink met de poffertjeskraam2 herinneren aan toen.

Bergen idem dito. Met de stoomtrein Bello naar zee, hoe was dat? Hoe klonk die stoomfluit, hoe roken die kolen? Wat voor kleren droegen Jan en alleman? Nu zijn er nog onduidelijke bospaadjes die herinneren aan het spoor dat door de duinen naar het strand liep. Ik verbeeld me dat ik daar loop. Verbeelding natuurlijk, een grote dosis verbeelding om te denken dat je iets van honderd jaar geleden nu beleeft.

Nog meer voorbeelden? De Zaan met de groene huisjes. De ruime Veluwe, zandverstuivingen, dennenbomen en herten. Radio Kootwijk. Een technisch hoogstandje, leve de vooruitgang in het midden van helemaal niets. Limburg, het harde werkmansbestaan in de kolenmijnen of op uitgestrekte landerijen. Niks niet met de auto heuvel op-heuvel af zoeven maar trappen met die beentjes op zware stalen rossen. Hoe was dat?

Zuid-Frankrijk. In ruim dertig jaar hebben we een bescheiden badplaats, ooit vissersdorp, zien veranderen in een semi-Benidorm. Ook hier zijn de vage sporen te vinden van de vroegere stoomtrein langs de kust van Toulon naar Nice tot in de bergen bij Dignes. Ik zou in “toen” willen rondlopen, rondsnuffelen als een tijd-toerist. Zowel in die belle-epoque villa’s als in dat vissersdorp.

En dan heb ik het nog niet eens over de landschappen, polders met hun dijken, bergen met hun bruggen en tunnels. Of over de ruïnes, over middeleeuwse dorpen met kastelen, over kerken, tempels en moskeeën. Alles door mensenhanden, ooit, gemaakt. Alles door mensen, ooit, beleefd. Ik zou willen dat ik veel meer wist, nog meer gelezen had. Het liefst kon ik me mijn vorige levens herinneren, zoiets.

Het is niet alles weemoed, die nostalgie, soms is het contrast tussen heden en verleden te hilarisch. Dan rijd je in de Dyane in Laren achter een splinternieuwe Ferrari van krap 25 centimeter hoog. Bij elk stoplicht gromt het fonkelrode gevaarte vervaarlijk om na honderd meter hard te moeten remmen voor de volgende drempel waar hij trager dan stapvoets buikschuivend overheen kruipt. Diezelfde drempels waar jij koeteldekoet vrolijk met je Dyaantje overheen huppelt. Oké, op de snelweg ben je hem binnen drie seconden uit het oog verloren, maar soit. Jij gaat toch het volgende kronkelende bospad in. Verleden tijd snuiven langs eeuwenoude beukenlanen, buitenplaatsen en herenboerderijen.

Toch een vreemd fenomeen, nostalgie. Een moment ontglippen aan het obligate “leven in het hier en nu”. Best wel lekker af en toe.

Naschrift.
Toeval bestaat. Net na het schrijven van dit epistel, lees ik het boek De tuinen van Buitenzorg van Jan Brokken3. Hij omschrijft mijn nostalgie, direct in het eerste hoofdstuk al, ongeveer zo: “toegeven aan het onmogelijke verlangen naar wat voorbij is”. Een goed schrijver heeft aan één zin genoeg.


1)  de personages uit de beroemde boeken van Cissy van Marxveldt

2) https://poffertjeskraam.jimdofree.com/historie/

3) De tuinen van Buitenzorg © 2021, Jan Brokken, Atlas Contact

Altijd heb ik beweerd: ‘Voor de klas? Van mijn langzalzeleven niet.’ En nu wordt mij gevraagd les te geven in ‘creatief schrijven’ voor leerlingen in groep 6-7 op de basisschool van mijn vriendin. Wat een eer, natúúrlijk -hoewel… enigszins weifelend- zeg ik ja.

Nog nooit heb ik dat gedaan, nooit heb ik dat willen doen. Hoe zou het moeten, wat verwachten ze van mij? O help, waar begin ik aan. Internet is geduldig. Een miljoen ideeën borrelen gaandeweg in mij op. Ik begin gewoon met mijn gedachten op te schrijven en te husselen tot er een min of meer logische volgorde ontstaat. Zeg nooit nooit: ik krijg er nu al helemaal lol in.

Ik meld me keurig op de afgesproken tijd in de klas. Een paar meisjes hebben zich opgegeven, maar mag zij ook meedoen? En zij? Voorzichtig vraagt hun juf of ik er wel zeven aandurf. Als ik zie hoe de meiden staan te popelen met glimoogjes kan ik toch niet anders zeggen dan ‘kom maar op!’. We vinden een leeg lokaal, een zogeheten leerplein, met een groot vierkant van tafels. Als iedereen zit, wil ik eerst weten hoe ze allemaal heten. De ene na de andere fantastische naam hoor ik, en ik blijk ze allemaal fout te schrijven tot grote hilariteit van de dames. 

Ik vertel wat, deel schriften en pennen uit, met dank aan de Action, en ze gaan aan de slag. De opzetjes van de verhalen worden naderhand voorgelezen, of verteld als ze nog niet helemaal op papier staan. De fantasie van deze jeugd -en nu klink ik als mijn oma- staat mijlenver af van mijn belevingswereld. Ik heb geen flauw benul waar hun inspiratie vandaan lijkt te komen, naar wat voor (animatie-)films ze kijken. 

Les twee, een paar dagen later. Zit ik ineens met tien (10!) meisjes om de tafel. Spannend. Een paar heeft in het weekend verder geschreven, een enthousiasteling heeft zich uitgeleefd op illustraties en de volgende heeft het schrift opgesierd met stickers. Ze hebben er weer zin in. Deze keer pak ik de onsterfelijke Asterix erbij om te laten zien uit wat voor structuur, wat voor schets, deze stripboeken steeds zijn opgebouwd. Begin, midden, eind. Hoofd- en bijrollen. Saai, ik zie het aan de gezichten. Nu komt mijn strenge juffenblik te pas. Hun verhaal in steekwoorden moeten ze in de voor-geprinte schets invullen. Na een kwartier schrijven hoor ik nieuwe verhalen ontstaan of zijn de eerdere verhalen verdiept.

Les drie verloopt wat chaotisch en ingekort door een verjaardag vooraf, maar erg gezellig. Verspreid over het lokaal zitten de dames genoeglijk verder te schrijven, te tekenen, te knippen en alles in elkaar te knutselen. Het beginnen echte boekjes te worden. De creativiteit gonst door het lokaal.

Eindelijk is het zo ver, de laatste les waarin we de eindresultaten te zien krijgen. Dat een enkeling haar schrift is vergeten mag de pret niet drukken. Geharrewar wie er als eerste mag beginnen, gekissebis wie daarna aan de beurt is. Trots op hun noeste ijver. Er komen verrassende en ingewikkelde verhalen voorbij: een dame in het hotel met een heel groot cadeau (dat blijkt een kersenbloesemboom te zijn, ssst niet verder vertellen want het is een verrassing voor de butler); een fee in een bos en een dorp met versteende mensen; een meisje met haar paardje; een hele familie bunnies die om lolly’s, onee, wortels bij een boze meneer aan de deur komen bedelen. Ook griezelige verhalen over kidnappers die even op het góede pad dreigen te raken maar dan toch een slechterikkenschool gaan beginnen. Ik kan hier niet alle verhalen gaan verklappen, dan wordt dít verhaal te lang. Inspiratie voor volgende hoofdstukken en nieuwe verhalen wordt alweer levendig met elkaar gedeeld.

Ze hebben hard gewerkt en vinden het jammer dat de lessen zijn afgelopen. Stickers van de verschillende stickervellen als beloning worden ijverig geruild zodat ze elk zowel sterren als hartjes en regenbogen hebben. Net zo kleurrijk als die regenbogen zijn deze meiden die mij een kans hebben gegeven me voor een paar keer juf te voelen. Dank jullie wel!


Met dank aan Basisschool de Verwondering – Monnickendam

Daar issie dan. Mijn stamboom, het certificaat van echtheid. Net als bij een diamant van 1000 karaat is dit het officiële bewijs dat ze met mij goud in handen hebben. Wauw, wat een grootspraak van zo’n pluizenbol zul je denken. En dan heb je nog gelijk ook. Want dat certificaat zal mij een zorg wezen, zolang ik maar aandacht, eten en knuffels krijg.

Het was de bedoeling dat mijn eerste baasjes dit bewijs van mijn afkomst officieel zouden komen overhandigen, zo trots zijn ze op hun ‘kinderen’. Een plechtig moment. Helaas, de instanties werkten niet aan hun planning mee. Evengoed hadden we een heel gezellige middag met mama, heel het mensen- en hondenspul op visite in de tuin. De stamboom kwam een week later, gewoon in een envelop, door de brievenbus.

De papieren stapelen zich op! Het eerste bewijs van goed gedrag is ook al binnen. Jawel, Zij en ik zijn geslaagd voor het diploma Puppycursus. Dat kwam vast doordat ik de dag daarvoor naar de kapper geweest was. Er staan zelfs een paar ‘zeer goedjes’ op de lijst. Zie je wel, ik kan best wel wat. Behalve ‘Spelen op Commando’. Dat vertik ik. Spelen doen we alleen als ik het zeg. Volgende week beginnen we met de vervolgcursus, ik ben benieuwd wat ik dan allemaal voor kunstjes moet gaan doen.

Al met al is het een paar bossen bloemen waard. Door de straat geplant voor de straat. En dus ook een beetje voor mij.


Categorieën: Ravi

Het TomTom-bestand, ons zeer vriendelijk door de 2CV club toegestuurd, is in de routeplanner klaargezet. Op goed geluk zoeken we het voor ons meest logische, dichtstbijzijnde startpunt en gaan onderweg. Een middag lang ontsnappen we aan dagelijks gedoe. Een papieren rit-beschrijving van deze Noord-Holland route hebben we niet, we laten ons verrassen.

Het eerste stuk kennen we goed. Het leidt ons over de smalle weg waarover ik vroeger naar mijn werk fietste. Dag eendjes in de vaart. Dag geiten, dag molens, dag hekje met de maffe kippen. Dag visserke-vis met de pijp.

Al kronkelend stuiten we op de eerste dam: Obdam. We tuffen door naar Schardam en passeren allerlei ouderwetse gehuchtjes langs de IJsselmeerdijk. Kinderhoofdjes, ophaalbruggetjes, een oude grenspaal. Dan meer weilanden met rechte sloten, koeien of schapen, er is genoeg te zien. Ik vergeet gewoonweg foto’s te maken.

Een noodstop! Een sukkel die zonder te kijken van zijn erf achteruit de weg op steekt. Gijs ramt verwoed op het stuur, alleen zit de Dyane-toeter daar niet… We halen maar eens diep adem en kachelen weer verder, al foeterend op grootgrondbezitters, hun monstrueuze wagens en hun gebrek aan verstand.

Bij Edam strekken we eventjes de benen in de frisse wind op de dijk. Volendam is het volgende Dambord. Niet gezelligs of authentieks te vinden in deze twee steenpuisten van bouwputten en nieuwbouwgedrochten. Wat hadden die miljoenen toeristen hier in vredesnaam te zoeken? Het is ons een raadsel.

Monnickendam, met wederom nieuwbouw. Daarna een kanaal met bootjes. Gelukkig. Via Uitdam en het weidse Broek in Waterland belanden we in het krankzinnige verkeer in Amsterdam. Door Kadoelen en Buiksloot rijden we van Oostzaan naar Zaandam.

Een onverwacht intermezzo.

Bij Zaandam zie ik op de routeplanner dat de rit bij de stoplichten rechtdoor loopt, maar TomTom houdt stug vol dat we linksaf moeten. Ik kijk over de kruising heen en zie een uithangbord boven de weg: Hembrug.  

In de twee transformatorhuisjes aan weerszijden van de entree bevindt zich het Hembrug Museum. Een lijn met vogels van divers pluimage in kooitjes, gespannen tussen palen, biedt een voorproefje van Art Zaanstad. Allerhande kunstenaars hebben zich in de meer of minder gerestaureerde panden gevestigd. Helaas zien de terrasjes, souvenirshops en lunchrooms er zeer gesloten uit. Andere gebouwen zijn in slechte staat met kapotte ramen en ontbrekend metselwerk. Her en der staan grote buitenposters met foto’s van details uit het interieur van de vroegere munitie fabriek. Een summiere echo van de roerige geschiedenis van het complex.

Met grote ogen kijk ik over het domein van de voormalige Artillerie Inrichting. Hoe bijzonder is het, daar te rijden waar mijn moeder, vlak na de oorlog als jonge meid moest gaan werken voor de kost. Ze heeft het er, zoveel jaren later, vaak over hoe graag ze het nog eens zou willen zien. Hoe zou het er nu zijn? Wat voor herinneringen zouden er bovenkomen? De gekooide vogeltjes komen ineens symbolisch over. Oud worden, heel oud worden, is niet altijd leuk.

Afgezien van het persoonlijke aspect, wat moet het fotogeniek zijn om hier met een hele sliert eenden en aanverwanten te rijden! Daar zijn deze tochten tenslotte voor bedoeld: samen touren. Wanneer zouden we weer mogen?

Napratend over deze wonderlijke wending bereiken we Westzaan. O, die Zaansgroene woninkjes links en rechts, allemaal zo perfect geconditioneerd. Die tuintjes met waslijnen en nette heggetjes om de bloemperkjes. Oud-Hollandse kneuterigheid ten top, ik smul ervan, waan me in een kinderboek van 100 jaar geleden. Je kunt het geklos van de klompen bijna horen. Te druk met koekeloeren, vergeet ik ook hier te fotograferen.

Bij de watertoren steken terug naar boven, richting Alkmaar. Langs West-Knollendam en Marken-Binnen slingeren we door de landerijen bij Graft. Nauwe klinkerstraatjes, ieniemienie raadhuisje, brugje over en we zijn er alweer voorbij.  De Schermer, ook al zo weids, langs molens en bollenvelden naar Rustenburg. Deze tocht had evengoed Molenroute kunnen heten. Weer ben ik te laat met de camera. Hierna verlaten we de route om verder rechtstreeks naar het Hoge Noorden te rijden.

Molens, nog meer molens. Echte, oerdegelijke molens. Het oude land is geverfd met tulpen. Door de bomen zien we het windmolenbos. Ons thuisland.

*) zie bijvoorbeeld Wikipedia: Hembrug_(Zaanstad)  en Hembrug_Museum


De hele week heb ik elke avond op een tuin- of eettafel gelegen zodat ze mij konden borstelen. Daar moeten ze namelijk goed op oefenen, anders komen er vervilte klitten in mijn prachtige puppy-donzen vacht. En als je die eruit moet wurmen, zijn we allemaal niet blij. Ik leg me er tegenspartelend bij neer. 

Maar wat krijgen we nou? Zit ik in een vreemd huis zomaar wéér op een tafel! En deze meneer is veel strenger dan al mijn baasjes bij elkaar, hij pikt geen gebijt, gebrom, gewriemel. Elke keer weer draait meneer Henk me op mijn zij of rug en borstelt gewoon verder. Een klein tikje van zo’n borstel op je neus, nou dan wil je wel even stil zijn. Eventjes dan, daarna probeer ik het gewoon opnieuw. Kijken wie het het langst volhoudt. Hij pakt me stevig beet en zegt streng: ‘Is het nou over met die aanstellerij?’ en ‘doe ‘es effe normaal joh, hou ‘es op!’. Hij borstelt en kamt stug verder.

Denk ik dat we klaar zijn, komt het volgende drama. Meneer Henk zet me in een badkuip en gaat op zijn dooie gemak in een paar maatbekers zijn gif mengen. Alsof ik meedoe aan een laboratoriumexperiment. Help! Uit alle macht probeer ik uit die gladde wasbak te klauteren. Delf ook hier het onderspit.

Uitgebreid word ik in de shampoo gezet. Sopperdesop, helaas geen mop. Die warme douche daarna is wel lekker. Mag ik nu weg? Helaas, er moet nog een lading conditioner op mijn lijf gekledderd worden. Na lang uitspoelen wordt de kraan eindelijk dichtgedraaid.

Met een speciale handdoek-die-geen-handdoek-is rost meneer Henk het meeste water uit mijn haren. Daarná pas mag ik even schudden. Geen lol aan zo. Thuis spetter ik gerust de hele keuken drijfnat. Veel leuker. Ik moet weer terug op de tafel en dan begint het gelazer met een blazer. Ik hou niet van herrie, dat weet je toch. Naar die warme lucht happen is een keertje grappig, maar ik blijf niet aan de gang. Schiet nou maar op met dat ding. Inmiddels zit ik al zo’n twee uur af te zien. Ik ben moe van het gedoe.

Mijn oren worden geplukt en schoongemaakt, het haar rond en tussen mijn tenen bijgeknipt en… yesss… het elastiekje is verdwenen. Mijn pony is bijgewerkt zodat mijn mooie ogen weer te zien zijn. Dat is al die moeite wel waard. Ik ben nog nooit zo streelzacht geweest, mijn haren voelen als veertjes.

En het grote voordeel? De volgende keer als ze me op de tafel mikken, blijf ik redelijk relaxt liggen, gaat het kammen en borstelen een stuk sneller en blijf ik prachtig fluffy. Makkie.

Dankjewel meneer Henk, tot gauw!

PS: Die lange pony, daar zit overigens een reden achter. Vroeger, op Madagascar, konden mijn voorouders vanachter die haren de slangen en andere enge beesten in de gaten houden. Slangen hypnotiseren hun prooi door ze in de ogen te staren en dan toe te slaan. En dat lukte ze bij mijn betbetbetbetovergrootouders lekker niet. Toch slim van mijn familie. Een elastiekje om een staartje te maken is dus absoluut een doodzonde. Kijk, dat vind ík nou een goed verhaal.


V.l.n.r: Met staartje voor de kapper, watergolfjes na het wassen, na het föhnen…. en na het bos de volgende dag.