Om de ergste blafhitte voor te zijn staan we vroeg op en zoals te doen gebruikelijk hebben we slechts twee uur nodig om klaar te zijn voor vertrek. Ondanks de hoosbui van twee dagen geleden pakken we de tent droog in. We zeggen de Vogezen gedag en maken ons op voor een rit van 450 kilometer naar de Ardennen. Laten we gaan – liefst richting schaduw.


Met het dak halfopen zodat Ravi beschut op de achterbank ligt maar we wel een beetje verkoeling van de wind hebben, golven we door Noord-Frankrijk. Het eerste stuk tot Toul is snelweg, daarna slieren en slingeren we lekker over een D-weg. Als we trek krijgen, lunchen we naast een graanveld onder de bomen. Daar programmeren we de Tomtom op de snelste route, de warmte put ons uit.





Zelfs die ‘snelste’ route leidt ons door dorpjes en gehuchtjes. We passeren meerdere Duitse soldatenbegraafplaatsen uit WO I en zien vier ooievaars op een nest. Allemaal leuk en aardig, maar het schiet niet op.
Via hun website heb ik Camping du Faucon gereserveerd, aan de Franse kant van de Ardennen, bij de Semois. Met aanbetaling nota bene; dat is me nog nooit overkomen. De camping ligt pal naast de drukke doorgaande weg. Balie-Miepie is niet erg slim en nog minder behulpzaam. Ze begint direct over het restantbedrag dat we nog moeten betalen. Ook goeiemiddag zeggen we dan. Zonder dat we weten hoe het terrein eruitziet of welke plek we zouden krijgen? Echt niet.
We lopen een rondje. Veel zonplekken, weinig campeurs. Wel heel grote tenten voor jeugdgroepen richting het water. Het sanitairgebouw staat veel te ver weg. En dan Miepie er nog bij? We zijn er helemaal klaar mee.
Ik plof in het gras en open de Archies-app. Er zijn veel campings langs de Semois, van die zonrijke caravandorpen, eveneens aan deze zelfde weg. Niet helemaal ons ding. Ik vind er eentje bij Vresse-sur-Semois, het plaatsje waar we in maart waren (zie wegwezen). Toen hebben we daar in de voorjaarszon pizza gegeten en een mooi stuk langs de rivier gelopen. Net als La Bresse is Vresse een leuk stadje. Ter plekke bel ik de camping op. Gelukkig word ik in het Nederlands te woord gestaan; ik zit er teveel doorheen om nog Frans te moeten praten. Er is plek, er is schaduw en er is de rivier. Klinkt goed.
Ik deel Balie-Miepie mee dat het ons hier “niet bevalt”, dat we weggaan en dat ze de aanbetaling mag houden. Ja, ik hou het netjes; zo goed is mijn Frans nou ook weer niet. Ze vertrekt geen spier. Het interesseert haar niks.
Een halfuur later duikelen we bij Camping le Trou du Cheval uit de auto. Er zijn tentplekken beschikbaar langs de rivier; de plekken zelf staan in de zon. Ervoor, aan het water, is veel schaduw onder de bomen. Dat klinkt als een plan. Stoelen en cola uit karretje en koelbox, en zitten. Kijken hoe het water stroomt; de rimpelingen spiegelen hypnotiserend op de onderkant van de platanenblaadjes. Kikkers kwaken, eenden kwaken terug.
Er staan wat Hollanders en wat Belgen op ons ‘straatje’. Wij zijn niet de enige rariteit op de camping: een jongeman met een VW T3 busje van pak ‘em beet 40 jaar oud en zijn ouders met een ongeveer even oude koddige Jamet-vouwwagen met bijpassende stoeltjes komen vlak na ons aan. De grote stacaravans en vaste staanplaatsen op de hoger gelegen plateaus zijn praktisch onbewoond.
Na het eten verzamelen we moed en gaan we aan de gang. Het zweet stroomt in watervallen van ons af terwijl we de tent opzetten. Smerig. Wanneer de zon achter de heuvels floept, zijn we klaar en koelt het wat af. Het opdrogende zweet laat me rillen; ik trek gauw iets schoons aan.
‘Klam’ is een understatement: alles wordt zeiknat. We zitten tot vreselijk laat naast de tent te lezen met de fan aan. Eén voor één zien we de maan, Saturnus, dan Vega en satellieten verschijnen. De nachtelijke hemel is diepzwart en bezaaid met ontelbare zilveren sterren.





Haha, ik weet nog dat we in de Haute-Savoie op ons weitje zaten en tegen elkaar zeiden: “Eindelijk ontbijten in de zon!” Hoe konden we vermoeden dat we de zon een week later zouden verfoeien, dat we zo blij zouden worden van wat schaduw…
Ontbijten doen we vandaag onder de bomen, déjeuner sur l’herbe. De hele dag kun je hier luieren en niets doen dan kijken. ‘Kijk’ maar mee:
Langs de oever aan de overkant zwemt iets. Tussen de wortels van een grijze, dode boom kruipt de beverrat zijn burcht in. Iriserend blauwe libellen dansen tussen de netels. Kwikstaartjes kwieken over het pad, als mussen zo tam. Een zwaan zeilt voorbij; een eendenfamilie graast tussen wier en algen in de laagstaande rivier. Een moedereend met een stuk of acht tweede-legpulletjes dobbert kalmpjes langs de kant. Een stel kanoërs laat zich stil en bedachtzaam door de stroom meevoeren, met slechts een enkele drup die van een peddel valt. Het is net een stille film.
Gewoon vanuit je campingstoel de capriolen volgen van een turquoise ijsvogeltje dat roepend over het water fliedert. Kijken naar de vissen die traag door het water glijden en af en toe naar adem of vliegjes happen. Plotseling stort het ijsvogeltje zich vanaf een tak het water in en schiet terug naar zijn uitkijkpost. Een lichtgevend blauw vlekje tussen al het groen aan de overkant.
De plastic huurkajaks die ’s middags langspeddelen, zijn beduidend minder bedreven dan die van vanmorgen; het levert vermakelijke, maar rumoerige schouwspelen op. Wat horen we verder nog? Een enkele trekker die langsrijdt, een vliegtuig dat overkomt. Verder niets? Verder niets.






Vandaag hebben we geleefd op water en nog meer water, maar het schijnt dat we toch iets moeten eten. We gaan naar ‘ons’ pizzatentje La Rivièra, waar we nu eens iets met pasta nemen. Ons tweede ijsje van deze vakantie hebben we wel verdiend. Vooral Gijs, die al het autorijden, werk en boodschappen doen voor zijn rekening neemt.
Ravi vist zijn toetje uit de rivier. Hoewel het water niet echt koud te noemen is, hebben slimmeriken hun kampeerstoel vlak voor het stroomversnellinkje in de rivier gezet om af te koelen. Dat is pas genieten.





Wordt het al saai? De volgende dag is meer van hetzelfde. We doen niets en toch vervelen we ons niet. De hele dag komen we niet onder de bomen vandaan. Dit weer is echt belachelijk: te heet om te toeren of te wandelen, laat staan stadjes te bekijken. Ravi verzet net zo min een stap, die zit amechtig te hijgen in zijn kuil onder de tafel.
Voor het avondeten heeft Gijs fruit en sla gehaald; dat hapt makkelijk weg. Om negen uur ’s avonds is het nog steeds ruim dertig plakkerige graden. Apathisch een boek lezen voor de ventilator bij de tent. Gekkigheid. Morgen wordt het blijkbaar nog erger…


De beruchte vrijdag breekt aan…
In Nederland is het evenzeer afzien, hoor ik. Scholen krijgen zelfs ‘hittevrij’; ijsvrij komt tegenwoordig nooit meer voor. Maak kennis met het nieuwe normaal. Een nieuwe werkelijkheid.
De hele dag verroeren we geen vin. Kijken naar het jojo-ijsvogeltje en het treintje zwanen dat langsvaart is inspannend genoeg. De douche die ik ’s morgens heb genomen, is allang uitgewerkt.
’s Avonds haalt Gijs, voor de verandering, pizza. Ik doe de laatste afwas, pak daarna wat dozen en tassen in en zet de picknicktas alvast klaar, zodat we morgen snel weg zijn. Om de asfalthitte te vermijden, is het plan heel, heel vroeg te gaan rijden.



En vroeg is het. De dennenbomen worden omsluierd door een zachte morgennevel wanneer we om tien over zes opstaan. Het is ‘slechts’ twintig graden en alles is drijfnat. Dat zien we thuis wel weer; als de boel maar meekomt. We gaan snel en zachtjes aan de gang. Na een koppie thee vertrekken we om kwart voor acht. In minder dan twee uur, netjes.
Via Alle en Rochehaut kronkelen we naar de snelweg E411 bij Bertrix. Het is superrustig. Warm? Heel warm. Nu al.




Bij Aire de Sprimont, bij Luik, gooien we de tank vol en eten even wat. Gauw verder. Het is nu rustig, maar je weet nooit hoe Nederland uitpakt. We vrezen de bekende files in deze hitte.
We hebben mazzel, erge mazzel. Zelfs Eindhoven en Den Bosch rijden perfect door. Bij Utrecht trekt het dicht, bij Amsterdam dreigt het. De temperatuur daalt naar acceptabele waarden. Met de bui naast ons scheuren we noordwaarts, dak nog steeds halfopen.
Thuis worden we ontvangen met donder en bliksem. Drie spetters vallen er uit de lucht, meer voor de vorm omdat de glazenwasser vanmorgen is geweest. Ravi springt meters de lucht in, zo blij is hij om zoonlief en buuf te zien.
Een paar uur later volgt een bruut onweer met heftige regen. Een knetterende flits slaat secondenlang in de KPN-mast aan het eind van de straat. Welkom thuis!



In totaal hebben we, met dank aan Gijs, 3229 veilige kilometers afgelegd.
Laatste foto is een screenshot uit een filmpje van iemand uit de straat hierachter.









































































































































































































































































































































































































































































