Een heel nieuw jaar ligt open vóór ons. Zoals op deze foto vanmorgen om 9 uur, de zon is net wakker.

Na een drukke maand zonder schrijfsels probeer ik nu de draad weer op te pakken. Ik had meerdere ideeën voor nieuwe blogs, maar geen van de concepten leek me publicabel. Met alles wat er de afgelopen weken gebeurde, nieuwe lockdown, drukke feestdagen, niets leek relevant genoeg.

Ik had een ingeving voor een blog over “trots”. Dat het eigenlijk “not done” is om trots te zijn. Trots is arrogant, dat hoor je niet te zijn. De Vlamingen gebruiken “fier” dat klinkt veel vriendelijker. “Ik ben fier op u”, dat zei Evy van de hardloop-podcast altijd. Maar stiekem ben ik best wel trots op wat ik aan het doen ben. Het redactiewerk voor de 2CVClub Wijzer, het lange artikel in het Dyane Clubblad en de schoolkrant van OBS de Verwondering die haastje-repje op het nippertje gereed kwam. Ja, daar ben ik best trots op, maar is dat belangrijk?

Dan bedacht ik dat ik Ravi wel een Gelukkig Nieuwjaar-journaal kon laten schrijven, met daarin zijn bevindingen rond de verwarrende feestdagen. De weken ervoor dat hij minstens twee ochtenden per week alleen thuis zat, de weken daarna dat er minstens twee personen steeds thuis waren. Het chaotisch-gezellige Sintekerstfeest met de hele familie thuis, de jongens die tot midden in de nacht ‘The Nanny’ zaten te kijken en daarna, na een paar dagen betrekkelijke rust, het geknal van het zogenaamd verboden vuurwerk overal. Als dat gedoe met versiersels en lichtjes, waar zou dat nou goed voor zijn. En dan wordt zonder enige uitleg alles weer teruggedraaid, zit hij weer ochtenden alleen en krijgt veel minder aandacht dan daarvoor. Dat Ravi dat (op mij) afreageert, is alleen maar logisch. Is dat nou een heel journaal waardig?

Met hulp van Gijs ga ik me de komende dagen storten op het beschrijven van zijn restauratiewerkzaamheden aan de Dyane. Daar ben ik namelijk echt, zonder voorbehoud, supertrots op. Je moet het maar aandurven. Als een Pippi Langkous “ik heb het nog nooit gedaan dus ik denk dat ik het wel kan” het plaatwerk van de deuren rigoureus aanpakken. Dat wordt dus het volgende verhaal, met veel foto’s. Beloofd!

6 januari. Driekoningen. Het mag nog net: ik wens iedereen een open en licht 2022!


….en dat ben ik! Je zou het niet zeggen als je ziet hoe lekker ik lig te pitten. Dat doe ik namelijk elke dag, jarig of niet. Ik hoef gelukkig geen feestmuts op mijn hoofd, brrr. Wel word ik verwend met een soort bot van jakmelk, mmmmm, en een nieuw speeltje. Heb ik wat te doen als Ze me weer de hele morgen alleen laat. De kamer is mooi versierd met groen en glimmende ballen en werkelijk óveral lichtjes. Allemaal ter ere van MIJ. Toch?

We zijn natuurlijk met zijn drieën jarig, broer Joep en zus Jura zijn immers net zo oud als ik. Hoe zou het hen vergaan bij hun nieuwe baasjes? Worden zij net zo verschrikkelijk verwend als ik? Het wordt tijd voor een reünie met de hele familie. En laten we dan ook de neefjes en nichtjes uitnodigen en hun mama. Helaas hebben de mensen bedacht dat dat niet mag, want er is iets als “Corona”. Rare mensenregeltjes. Misschien een tuinfeestje in de zomer, als we allemaal achttien maanden zijn. Wie weet.

Jullie hebben vanaf het moment dat ik bij mijn baasjes kwam wonen mee kunnen genieten van mijn capriolen. De laatste tijd verandert er niet zoveel meer. Ik ben nu lekker aan het puberen en dat ga ik nog heeeeel lang volhouden. Uiteindelijk gaat Ze wel doen wat ik zeg hoor. De vervolgcursus is bijna afgelopen, we moeten nog een paar keer ons beste beentje voorzetten en dan hebben we ook dat papiertje op zak. Hoef ik daarna nooit meer op commando te spelen. Niet dat ik dat ooit gedaan heb: we gaan pas spelen als ik dat zeg.

De meneer die mij altijd een wash en shine spa-behandeling geeft, heeft nu een soort familielid van mij, Sergeant Murdog. Bijzondere naam, met een beetje humor. Murdogs vader is mijn opa. Wat zijn wij dan van elkaar? Ik ben benieuwd of hij net zo groot wordt als ik. Ik ben namelijk veel te groot. Hoef ik niet aan shows mee te doen, dat scheelt weer. Ik krijg wel veel snoepjes, maar ben zeker niet te dik. Gewoon een echte flink uit de kluiten gewassen kerel, dat ben ik. Al zou je dat niet zeggen aan dat staartje op mijn kop. Dat schijnt er nou eenmaal bij te horen, en ach, ik ben het gewend.

Nou lieve lieden, ik hou jullie op de hoogte als er nieuwtjes zijn. Het leukste zijn de filmpjes die Zij op facebook plaatst in mijn fotoalbum. Die kan ik hier helaas niet onder plakken. Dan maar een paar fotootjes. Ook leuk.

Zo begonnen de Ravi Journaals: van december 2020 tot en met januari 2021

Zzzzzzzz (jong geleerd, oud gedaan)

Met Murdog (november 2021) en met mama Skye (juli 2021)

Er zijn natuurlijk nog veeeeeel meer foto’s (ongeveer 500-1000 per maand) maar de Ravi Journaals geven een leuke doorsnee van wat er in mijn leventje gebeurt. Nu lijkt het net of ik alleen maar slaap…. Spelen en fotograferen gaat nou eenmaal niet goed samen!

Tot gauw! Groetjes van de jarige Ravi-Bravi-Gravi 


 

Vreemd fenomeen. Je zou denken: “kinderen de deur uit, spullen de deur uit”. Helaas, niets is minder waar. Er komt alleen maar van alles bíj. En als je in een Hollandse winter gedwongen bínnen leeft, kunnen al die spullen je aanvliegen. Sommige mensen houden voorjaarsschoonmaak. Ik niet. Ik krijg in de winter de kolder in mijn kop.

Toen wij naar Thailand vertrokken, moesten we streng bepalen waar we absoluut niet zonder konden. Twee verhuisdozen gingen mee, met de dekbedden, een paar handdoeken, wat schrijfgerei en wat boeken. Dat was alles. We hebben niets gemist. Terwijl hier het huis bommetje vol staat met spullen. Heel veel spullen. Dat fenomeen snap ik wel: heb je de ruimte, dan komt die ruimte vol. En daar gaat nu het mes in.

Een lange middag zwoeg ik de kinderkamers door. Vijf halve 2-seizoenen dekbedden waarvan niet meer te achterhalen is wat bij wat hoort, prop ik in grote vuilniszakken. Dat ruimt alvast lekker op. Kerstinpakpapier van vorig jaar en sinterkerstgedichten van drie jaar terug slingeren vrolijk rond. Lege pennen, lege bierflesjes, lege aanstekers, twee volle flessen walgelijk-zoete badschuim (????), het is een bont allegaartje. Afval welteverstaan.

Kleren die in de kast lagen voor “misschien handig om hier te bewaren” zijn te klein, elastieken zijn vergaan. Wat er goed is, gaat in de zak van Max. Een paar hemden verdwijnen in de poetsdoekenmand. Verbazingwekkende vondst: een doosje Dr. Oetker brownies in aluminiumfolie, waarin zich een blok grijs uitgeslagen brownie-beton verstopt heeft. Waarom bewaar je zoiets in vredesnaam bij je kleren? Sterker nog, uit de kledingkast van de andere zoon komen twee keiharde verpakte muffins tevoorschijn, houdbaar tot september 2019! Badschuim, brownie, muffins… rare jongens.

Het grootste probleem bevindt zich op zolder. Die zolder waarvan ik het luik amper durf open te doen. Hiervoor moet ik echt moed verzamelen. Ik hoopte op een aantal dozen met oude administratie die weggegooid mocht, maar helaas. Al die dozen bevatten fotoalbums. Ja, alweer. Goed geteld kom ik nu op 12 dozen totaal. Zo’n 80 jaar familiegeschiedenis, tot de digitale fotografie het rond 2007 definitief overnam. Ik lijk wel hartstikke gek.

Oud kampeergerei zoek ik uit, ik bewaar nog niet de helft. Een doos met ronde lampen die we nergens meer kwijt kunnen, gaat direct naar beneden. Een grote krat vol met Polly-Pockets, een soort mini Barbies, met toebehoren, een cruiseschip en een tropisch eiland mag van dochterlief naar een goed doel. Hopelijk hebben een paar meisjes nu een leuke Sinterklaas. Alleen al die kratten ongesorteerde Lego durf ik niet weg te doen. De meeste beschrijvingen hebben we bewaard, als ik óóit helemaal niets meer te doen heb, kan ik wellicht proberen van alles bij elkaar te zoeken en in elkaar te zetten.

Van alle dozen speelgoed en knuffels, babykleertjes en -beddengoed houd ik niet meer dan een beetje over. Nog één keer laat ik alles door mijn handen gaan en zie de beelden van 20-27 jaar geleden. Van een blije baby, een kruipende kleuter. Dan gaat alles in grote dozen naar beneden. Gelukkig hebben we de honderden foto’s om ons aan onze geluksmomenten te herinneren.

Het begint ergens op te lijken. Tenminste: als je nu de kinderkamers bekijkt die vol staan met alles wat weg mag en daarbij optelt wat er al in de kledingcontainer, bij het oud papier en in de kliko is verdwenen. Als je de zolder op komt zie je nog steeds geen verschil. Onvoorstelbaar. Ik stuur foto’s van de hele handel naar de kinderen: “wie ergens in geïnteresseerd is, moet dat nú zeggen!”. Het blijft angstwekkend stil.

Aan de letterbak met smurfen en Kindersuprise-ei speeltjes is de oudste bijzonder gehecht, dus die blijft hangen. De schaatsen, doorlopers, kinder-krabbertjes, een paar ijshockey-noren en een paar gewone noren, komen zodra het dreigt te gaan vriezen op Marktplaats. De rest, twee volle kofferbakken met dozen en zakken, breng ik naar de kringloop.

Ik ben nog lang niet klaar, maar het begin is gemaakt. Het is bijna tijd om de kerstspullen uit te zoeken. Daar kan ik nu in elk geval bij.


Bij het leeghalen van het huis van Pa en Ma komen uit alle hoeken en gaten papiertjes met aantekeningen tevoorschijn. Vooral verstopt in de vele boeken vinden we de gekste dingen. Zo herkenbaar vaak, deze weet-je-nogs en gedeelde herinneringen. Ik noem er een paar.

Een zelfgemaakt gedicht voor het poesiealbum van kleindochter in het handschrift van (O)ma op een vel gescheurd uit een oude agenda. Een kladje van Pa met een idee voor een kaartje of brief. Een haastig genoteerde ingeving voor een toespraak, of ‘kerstverhaal’ zoals wij dat noemden. Elke snipper waar woorden op geschreven kon worden, werd benut. Er werd zelden iets weggegooid. Postpapier uit hotels werd mee naar huis genomen, de enveloppen eveneens. Pa en Ma moeten indertijd een hele voorraad aangelegd hebben…

Ma’s gedichtenbundels, sommige nog van vlak na de oorlog, staan nu uiteraard bij mij in de kast. Met potloodaantekeningen in de kantlijn en al, zo leer ik mijn -veel jongere- moeder een beetje kennen. Een oranje schoolschriftje zit ertussen, met een bloemlezing van de gedichten waar ze van houdt: M. Vasalis, Paul van Ostaijen, Guillaume van der Graft…. wie kent ze niet.

Ik tref daar een plaknotitie in aan met een haiku van Ma’s eigen hand, gauw ergens opgeschreven. Eronder een regel van Pa, die het altijd beter wist. Daaronder weer een variant door Ma. Blijft de eerste, intuïtieve versie toch het mooist.

Het fameuze recept van (O)pa’s olijfbrood duikt meerdere malen op. Gekrabbeld op een geeltje, op een envelop, in een brief aan onze neef in Bergen. Heel de familie bakt nu olijfbrood, iedereen is er dol op. Gewoon met een beetje olijfolie-extra-vierge en wat grof zout om te dippen. Zo simpel, maar zo lekker. Probeer het gerust uit!

De meest memorabele vondst zat veilig opgeborgen in de piano. Met een roestige punaise zijn er lang geleden kaartjes in bevestigd die de data van het stemmen van het instrument vertellen. Een historie op zich. Maar liefst vier keer per jaar kwam de bevriende pianostemmer langs. De eerste datum is in ‘october 1967’. Toch moet de piano zeker ouder zijn dan ik: het vermelde afleveradres is dat van het huis waar Pa en Ma woonden voordat ik geboren ben. Maar waar is het blaadje met de tussenliggende jaren van 1974 tot 1998?

Alles werd vastgelegd, elke gedachte werd bewaard. Voor ons zijn nu al deze velletjes met kriebelhandschriften tastbare herinneringen. Mailtjes uit het verleden.

Ma’s eigen woorden:

Pa’s eigen woorden:

Mémoires van de piano:


PS:
Een memo is ‘een kattebelletje, een memorandum, een aantekening om iemand ergens aan te herinneren.’  
Memorabilia zijn ‘voorwerpen die herinneren aan een persoon, een bezigheid of een periode.’
Memoires zijn ‘geschriften waarin iemand herinneringen vermeldt over gebeurtenissen die hij of zij zelf heeft meegemaakt.’


Een ritme van publiceren zit er allang niet meer in, de tijd dat ik twee verhalen per week postte, ligt ver achter ons. Toch zijn er inmiddels meer dan tweehonderd blogs verschenen. Tweehonderd Fonkelingen. Verhalen van avonturen, beschouwingen en overpeinzingen. Ravi heeft zijn eigen Journaal gekregen en de haiku’s en gedichten zijn gestaag aangevuld. Waar ben ik eigenlijk mee bezig, ik vraag het me soms af. Zit de hele goegemeente hier nou werkelijk op te wachten? En dan maak ik weer iets geks mee, of ik zie iets moois en dan wil ik dat met iedereen delen.

Mijn WordPress account waarschuwt: je hebt bijna 80% van je tegoed verbruikt. Nu ben ik niet zo heel professioneel bezig, ik verklein mijn foto’s niet, kwak gewoon alles hoppetee op de site. Maar om mijn abonnement nou op te waarderen en nog meer te gaan betalen, lijkt me ook niet nodig. Ik heb besloten de foto’s bij de blogs over ons halfjaar in Thailand (maart-september 2018) te gaan verwijderen. Dus mochten jullie de hele saga van begin tot eind nog een keer willen lezen mét de foto’s ter illustratie, wees dan snel. Begin gewoon met de eerste, en dan steeds verder met een pijltje naar de volgende.

Het avontuur begon begin maart 2018:
https://fonkelingeninhetzand.com/2018/03/13/sawadee-ka.

Eind september 2018 schreef ik de epiloog:
https://fonkelingeninhetzand.com/2018/09/20/epiloog/

We zijn inmiddels dus alweer ruim drie jaar terug in ons eigen huis, in ons eigen dorp. Het Thailand-avontuur is ingehaald door nieuwe avonturen, met de Dyane, met Ravi. Het leven gaat verder. De foto’s zijn voorgoed in ons geheugen geprent, of in elk geval in het geheugen van de cloud. Van deze site mogen ze binnenkort verdwijnen.


Jullie hebben al lang niets meer van mij gehoord. Wel óver mij natuurlijk. Zij typt haar vingers blauw om al onze avonturen aan internet toe te vertrouwen. Het is toch iets heel anders wanneer ik zelf mijn verhaal doe, vind je niet?

We zijn een paar maanden verder en drie keer raden wat er dan gebeurt. Dan is het ineens herfst. Geen idee, ik had er nog nooit van gehoord. Zomer, met zon en in een tent slapen en veel op de achterbank van de oude auto rijden, ja dat weten we nou wel. Nu gaan we de herfst ervaren. Herfst wil volgens mij zeggen: het is overal nat en modderig, er liggen overal heel veel bladeren en het ruikt overal héél anders. De verwarming in huis loeit, ik lig graag koel in de bijkeuken op de mat of tegels. Wel zo rustig.

Ik mag geen kastanjes eten. Paddenstoelen zijn ook verboden. Door de plassen denderen liever ook niet. Soms ontkomen we er niet aan om door de stromende regen te lopen. Zo smerig. Blaadjes kleven aan mijn poten, takjes kriebelen in mijn vacht en als ik dan ga zitten krabben, wordt het alleen maar erger. De wind maakt me af en toe dol, dan móet ik rennen en stampen door de drabbige viezigheid. Helaas is het gevolg dat ik na zo’n natte wandeling in de bijkeuken in de houdgreep sta en met de waterblazer droog geblazen word. Een kabaal van jewelste, dat kan ik je wel vertellen. De bijkeuken is daarna een grote smeerboel, met blaadjes, takjes en zand overal. Dat moeten ze lekker zelf opruimen.

Dat van die dolle wind is een smoesje hoor. Ik ben nu bijna elf maanden en volop aan het puberen, ik doe net of ik alle commando’s vergeten ben. Ben Oost-Indisch doof. Als ik in beslag genomen word door mijn eigen willetje, mijn eigen neus of oren, dan reageer ik nèrgens op. Dat is toch logisch? Dat hebben zij ook: als ze in een boek verdiept zijn, kan ik zeuren wat ik wil maar dan gebeurt er nix. Wanhopig proberen ze mij nu opnieuw te trainen. Van voren af aan lijkt wel. “Zit-lig-sta-hier-blijf-wacht-stop-klaar-oké-toemaar-vooruit-kom”, er is geen touw aan vast te knopen, wat willen ze nou eigenlijk van me? “Doe ‘es effe normaal joh” is ook zo’n rare uitdrukking. Ik vind dat ik héél normaal doe! Ik ga gewoon lekker mijn eigen gang, over een herfst of drie ben zal ik weleens gaan gehoorzamen.


Onwetend stonden we een paar dagen daarvoor nog in de file naast een ‘Vide Maison’. Ons niet bewust van de ophanden zijnde verhuizing van (O)ma naar een ander woonzorgcentrum. Totaal niet voorbereid op het leeghalen van haar woning.

Dat (O)ma plotseling terecht kan in een veel grotere kamer op een kleinere, gemoedelijke afdeling is een verademing, dat is het zeker. Eerst passen en meten, daarna het uitzoeken van meubels, boeken, lampen en schilderijtjes om te verhuizen naar haar nieuwe stek en vervolgens een lange dag sjouwen, het is het allemaal meer dan waard. Voor (O)ma een grote verandering die we zo soepel mogelijk willen laten verlopen. Haar nieuwe kamer, nu niet meer een ziekenhuiskamertje met enkel een bed en een stoel maar één met haar eigen meubels en de sta-op-stoel voelt voor ons allemaal meer aan als thuis. Niet meer ‘op visite’ maar ‘gezellig op de koffie’. Voeg daarbij een tuindeur met zicht op een grote boom en een vogelvoederhuisje, een stel vrolijke bewoners, vriendelijke zorg en je hebt het plaatje compleet.

Dat we de week daarop horen over een kennis die op straat staat en dringend een woning nodig heeft, overvalt ons. Niettemin wordt er ‘met grote stappen gauw thuis en per gisteren’ een plan gesmeed en moeten we het huis leeg toveren en bewoonbaar maken voor deze nieuwe bewoner die op het huis zal passen. Iedereen zit krap in de tijd en wij wonen niet bepaald om de hoek. Toch wordt op een dolle dinsdag de hele boel overhoop gehaald.

Heeft iemand interesse in de vele puzzels? Kan iemand de pannen gebruiken? Wie wil de fotoalbums? Wie neemt de zonnewijzer mee naar huis? Wat doen we met het zware dressoir en zou de kringloop de grote stoelen en de eettafel willen meenemen? Sjonge. Beslissingen nemen waar je nog niet aan toe bent, dat valt niet mee.

De boeken, zóveel boeken worden in dozen gestopt, tientallen vazen worden in theedoeken gewikkeld en verdwijnen in nog meer dozen eveneens naar zolder. De kleding die er nog hangt maar niet meer past wordt uitgeplozen en gecheckt op achtergebleven broches. Plakkerige tupperware uit de jaren ’60 wordt eindelijk naar de vuilnisbak verwezen. Uit de garage komen kilo’s, vooral verroest, gereedschap tevoorschijn. Daar hebben wij wel een gegadigde voor. Kleiner goed kan naar de Spullenhulp en zo zachtjes aan raken de kasten wat leger.

De drie auto’s worden volgestouwd met dingen die we zelf willen meenemen. Zo ligt mijn auto op zijn kont met zes dozen fotoalbums, de pianokruk, de zonnewijzer en dan nog tal van kleiner spul op de voorbank. Het grofvuil wordt gebeld om alle matrassen en wat stoelen op te halen, de kringloop wil alleen wat huisraad en een paar stoelen meenemen. Het grote dressoir wordt door zus en zwager uit elkaar geschroefd en een deel krijgt waarschijnlijk een plaatsje bij hun dochter.

Dat niemand de piano echter kan herbergen, stelt ons voor een dilemma. Om zo’n familiestuk nou aan de straat te zetten is ook zo wat. Wij slopen de schouw in de werkkamer, maken boekenkasten leeg en richten ze op één van de ongebruikte kinderkamers weer in. Die tweede piano, inmiddels met bloed, zweet en tranen van het Gooi naar de Noordkop verhuisd, staat behoorlijk in de weg maar is in veiligheid totdat één van de kinderen plaats voor hem heeft.

Een leven versnipperd over kofferbakken. Herinneringen op zolder. Dat is ‘Vide Maison’.

 


Ten langen leste aanvaardden we de terugweg. Om toch nog iets anders dan anders te zien, besloten we over Grenoble te rijden in plaats van via Lyon. Het werd een reis met pieken en dalen.

De eerste dag begon veelbelovend. Stralend weer, niet te warm, het dak lekker open. We zwaaiden de blauwe, blauwe Mediterranée gedag en trokken een bijna rechte lijn naar boven.

Tot we vlak na Sisteron in een beginnende file vlak voor een tunneltje terecht kwamen. Op de smalle weg was een zwaar ongeluk gebeurd, het wemelde al van de zwaailichten en blauw-gele uniformen. Met het karretje keren was niet zo simpel, geduldig bleven we wachten. We hadden immers vakantie. Uitstappen, stukje lopen met Ravi, in alle rust even rondneuzen bij een ‘vide-maison’ naast de weg. Wat een troep. Dat was inderdaad geen ‘brocante’ te noemen, ik was gauw uitgekeken. Met een koekje, een slokje water en een beetje kletsen vergleed de tijd. Uiteindelijk kwam de gendarmerie ons vertellen dat er een helikopter moest landen, we moesten de weg vrij maken. Maar hoe? Mijn snuggere, eerder weggewuifde suggestie om het karretje los te koppelen, de auto te keren en het karretje weer aan te koppelen, werd nu schoorvoetend opgevolgd. Amper een minuut werk, waar deden we moeilijk over.

Tomtom verzon een nieuwe route. Wauw. Hoger, steeds hoger. De Dyane klom dapper door naar 1000-nog-wat meter hoogte, het karretje hobbelde braaf mee. Fraaie vergezichten, stoere rotspartijen en de kale toppen van de Alpen naast de auto. We raakten niet uitgekeken. Waarom hadden we deze route nooit eerder gereden? We kronkelden. Over iets heen: de snelweg, een stad, een rivier. Onder iets door: een spoorlijn, een boerenlandweg, een berg. Of andersom: onder een stad door en over een berg heen. Magnifiek.

Na een rommelig stuk péage rondom Grenoble -daar hebben we eerder nooit wat aan gemist in elk geval- vonden we ons hotel. Uitzicht op de bergen in zonsondergaande kleuren.

Zondagsmorgens (r) trok ik de gordijnen open, had iemand ’s nachts stiekem de bergen weggehaald! Ik keek naar een dikke mistvitrage. Verdwenen was mijn uitzicht. Alles zat in de wolken waar, zoals het goeie wolken betaamt, baggerveel regen uit donderde.

We vervolgden onze reis. Tussen de buien door dronken we sloten koffie en piesten in de bermen bij gebrek aan mooie aires met sanitair. Wat een tocht. Zóveel verkeer, zoveel regen, zoveel rotondes in Bourg-en-Bresse en zoveel stoplichten dwars door Metz. Ik kon geen regen, rotonde of stoplicht meer zien. De motor was onderweg steeds meer herrie gaan maken. Het ‘flappertje’ was uitgelopen op een ‘rammeltje’ tot een constant kabaal. Het bleek slechts de losgetrilde klem te zijn waar het eerste stuk uitlaat in hing te rammelen. Bij het hotel kon Gijs het eenvoudig aandraaien toen de motor wat afgekoeld was.

De laatste dag reden we onder een voorzichtig zonnetje over de snelweg naar huis. Wat een verademing na al die rotondes. Gijs was bang voor de laaaange hellingen in de Ardennen, maar Dyaantje kon de vrachtwagens prima bijhouden. Bij Hazeldonk, waar we vorig jaar met een gat in de voorruit in de regen stonden, dronken we nu koffie in de zon. Met 3800 kilometer op de teller waren we om 4 uur thuis, blij welkom geheten door de buren. Home sweet home.

‘Weer eens wat anders’ noemde ik het verhaal. Ja, dit was een vakantie anders dan anders… met veel van hetzelfde. Ravi, het wisselvallige weer en de nasleep van de Covidmaatregelen waren nieuwe avonturen. De bestemmingen waren ons echter zo bekend als een tweede huis. De plannen voor volgend jaar broeien al in ons hoofd. Nu naar écht andere Franse regio’s, bijvoorbeeld de Westkust of de Alpen? De Dyane kan alles aan, dat weten we wèl. De voorpret kriebelt, we kijken er nu al naar uit!


Het wilde niet zo erg, het schrijven van blogs. We waren druk met vakantie houden. Nu we hoog en breed thuis zijn zal ik proberen een verhaal van de verdere belevenissen te componeren. Al is het enkel om de foto’s te showen.

Na de Romeinen in de Morvan gingen we, met een overnachting vanwege de regen in een hotel bij Lyon, naar Goudargues. Camping La Grenouille, die vorige jaren nagenoeg leeg was in september, was nu overvol. Of we niet gereserveerd hadden. Neuh? Waarom?

Er was slechts één ieniemienieplekje over, precies genoeg voor ons tentje, karretje, autootje, een tafeltje en twee stoeltjes. Krap als het was, het paste precies. Het dorp was eveneens afgeladen vol, maar de Cèze kabbelde onverstoorbaar als altijd, het terras aan het glasheldere kanaaltje was als vanouds plezierig en de elk half uur slaande kerkklokken vertrouwd.

We deden niet veel bijzonders. Sjouwden wat door het dorp met onze pluizenbol, liepen over de markt, reden de toeristische route door de Gorges d’Ardèche. Bezochten Montclus, een middeleeuws ansichtkaart-stadje waar het boogbrugje uitnodigde tot een foto-shoot met de Dyane. Zagen we toch iets wat we nog niet eerder gezien hadden.

Gorges d’Ardeche

Montclus

Na een dag of zes tourden we door naar de kust. Anders dan anders dit keer over D-wegen en een eind N7 en niet over de péage. Een prima route voor de Dyane. Vanaf Le Luc dwarrelden we naar beneden, door zwartgevlekte heuvels waar enkele weken geleden heftige bosbranden woedden. Hink-stap-spring had het vuur grote velden geblakerd, kaal geslagen tot een triest, afschuwwekkend gezicht.

Bij Saint-Tropez stonden gelukkig de drie beroemde parasoldennen nog steeds veilig op hun plek in het midden van de weg. Zo bereikten we tenslotte Camping Cros de Mouton in Cavalaire-sur-Mer. In 1987 waren we hier voor het eerst, mét de toenmalige Dyane, vervolgens bijna elk jaar met steeds grotere auto en tent en steeds groter groeiende kinderen. We zijn er nu terug, met zijn tweeën met de Dyane. De cirkel is rond.

Het weerzien met receptioniste Mireille en haar katoenhondje meneer De Vries was hartverwarmend. Wat een verschil die twee hondenbeesten. De één een langharige mop, de andere een soort poedel. Na twee weken Frankrijk snapten we die tondeuse heeeeeel goed.

van Goudargues naar Cavalaire-sur-Mer

We vonden een grote plek op een ‘caravan-straatje’. Tentkampeerders zijn namelijk een uitstervend ras geworden. De tamme wilde zwijnen maakten geen onderscheid tussen tent, camper of caravan. Elke avond en nacht liepen ze te scheumen over de plekken, op zoek naar eten en water.

De eerste dagen was het bloedjeheet en strakblauw, zoals het hoort. In mijn eentje naar het zwembad terwijl Gijs noodgedwongen bij Ravi bleef. Of andersom. Saai. We liepen een rondje door het dorp en de haven, aten een ijsje. Comme d’habitude. Dat mijn favoriete menthe/choco-ijsje dit keer naar verf-afbijt smaakte door de nasleep van corona was een beetje jammer.

Onze traditionele wandelingen in de heuvels achter het dorp en langs de strandjes bij Gigaro, al vaker beschreven, maakten we nu met een enthousiaste hond. Voor Ravi spannende nieuwe ervaringen.

eerste plek en het zwijn op bezoek

de haven

wandelen in de heuvels achter het dorp

wandeling Gigaro

Ondertussen werd heel Frankrijk in een depressie gestort. Qua weer bedoel ik. Het enige puntje waar het net goed leek te gaan, zou zoals gebruikelijk Cavalaire zijn. We bleven daarom waar we waren. Onze plek moesten we echter vrij maken voor de volgende camper. Het terras-straatje, dat vroeger vol stond met kleine tentjes was afgelopen winter platgewalst om plaats te maken voor chalets. Nu konden wij er nog staan, prinsheerlijk vrij op een plek groot genoeg voor drie bungalows. Dat er geen schaduw was, deerde niet. Zware bewolking en ’s nachts regen terwijl de volgende dag alles in de zon weer opdroogde. Die avond konden we bij lagere temperaturen makkelijker de berg oplopen, Ravi poedelde heerlijk in de overgebleven plassen op het zandpad om af te koelen. Hij zag er niet uit!

slecht weer

de nieuwe plek op het terras (nog zonder huishouden), Dyane en karretje beneden ons.

Het enige nadeel van langer aan de kust blijven, was de enorme afstand om terug te rijden. Met de Dyane haalden we dat natuurlijk niet in twee dagen. De 1500 kilometer werd in drieën gehakt om met hotelovernachtingen achter elkaar de thuisreis te kunnen maken. Evengoed een enorme opgave. Hoe dat uitpakte? Een volgend verhaal.


Dat is hoe mijn vriendin Eleni het zou noemen, een stapel ouwe stenen. Ze zijn hier nou eenmaal, waarom zouden we ze dan niet bezoeken?

De Janustempel nabij Autun steekt in leeg landschap dreigend omhoog, je rijdt er zo naartoe. Deze Temple de Janus dateert nog van vóór onze jaartelling. Van origine was het een Gallische tempel ter ere van één of andere godheid, vermoedelijk Janus maar zeker weten doet niemand dat. Het zijn imposante muren maar veel meer dan dat is er niet te zien. Veel wordt er aan de verbeelding overgelaten.

We rijden door naar het amfitheater in de stad. Gebouwd in de 1e eeuw na Chr. Het moet immens geweest zijn, met een doorsnede van 148 meter en plek voor zo’n 15.000 toeschouwers één van de grootste Romeinse theaters. In de 20e eeuw is een gedeelte gerestaureerd, er resteren wat banken, een geïmproviseerd podium waar ’s zomers concerten en voorstellingen worden gegeven en een ren-/atletiekbaan daarachter. Niet te vergelijken met het theater in Nîmes of Rome, maar hé, ik sta solo op het podium en doe mijn Yasmin-act. Eeuwige roem is mijn deel.

Tenslotte volgen we de bordjes naar de Porte d’Arroux. Een goed bewaarde stadspoort in de vestingmuur die rondom de hele stad Augustodonum liep. Links en rechts twee smalle poorten voor voetgangers, in het midden twee grote doorgangen voor voertuigen. Bijzonder toch, om daar met je antieke Dyaantje en je eigen Idéfix doorheen te karren?

De volgende dag bezoeken we Bibracte. Deze stad was al lang voor de jaartelling bewoond. In de strategisch op een heuvel gelegen, dubbel versterkte, schier onneembare vesting werden de troepen verzameld om te strijden tegen de Romeinse overheersers. Boeren konden zich achter de wallen terugtrekken wanneer de grond hen daarbuiten te heet onder de voeten werd. Toen keizer Augustus zo’n 2000 jaar geleden uiteindelijk zijn ding deed, werd Bibracte verlaten en trokken de inwoners naar Augustodonum, Autun dus. Tot zover de droge feitjes.

Het museum laten we links liggen, we rijden direct naar boven met de eend in zijn één. Op de heuveltop weids, ietwat dampig uitzicht met het beukenbos als ruggensteun. Een prettige plek om te verpozen. Ik adem diep in. Lucht. Niets. Ik snuif. Atmosfeer. Niets. Zonder geur, betekenisloos. Ik kan snuiven tot ik een ons weeg. Een gemis, dank aan corona. “Een griepje.” Me neus.

Laten we verder dwalen. Verende bospaden, beukennootjesbolsters in mijn sandalen. Natuurlijk heb ik stom genoeg niet mijn wandelschoenen aangedaan. Ravi loopt -heel goed of helemaal niet- met Gijs mee terwijl ik foto’s maak.

De nogal Franse bewegwijzering zorgt ervoor dat we slechts op goed geluk bij een aantal sites terecht komen. Opgravingen die al dan niet gereconstrueerd zijn of waar nog werk in uitvoering is. We zien een grote villa annex stoeterij, een bron met vijvers die zorg droeg voor de hele waterhuishouding in de stad, overblijfselen van een Gallo-Romeinse basilica en verbazen ons om een compleet gerestaureerd waterbassin midden op de weg. Vandaag verdwalen we met onze Ravidéfix heel aangenaam door het mysterie der historie. A bunch of old rocks indeed.