Hebben jullie dat nou ook? Of ben ik de enige nostalgische malloot? Het lijkt met de jaren steeds erger te worden. Hoewel… erg…? Het is niet erg, maar wel vreemd.

Ik ervaar een nieuwsgierige honger, als ik door historische wijken kom, langs stokoude boerderijen of door jaren ’30 buurten. Hoe zag het leven er toen uit? Hoe voelde het leven toen? Wie leefden er? Tot in detail: hadden ze werk of leden ze armoe, was er liefde of geweld, hadden ze zorgen of was het leve-de-lol? “Vroeger was alles beter”, ik geloof er niet veel van. Is nu dan alles beter? Hoe kan ik daar iets van zeggen als ik dat “vroeger” niet gekend heb? Appels en peren. Het was anders.

De wijken in het Gooi, bouwstijl Berlage, Dudok en hun tijdgenoten, de Hilversumse villa’s waar Joop ter Heul en Marijke woonden1. Laren met de lage lange boerderijtjes. Er is weinig oude glorie, alles is over de top gerestaureerd. Gemoderniseerd naar hedendaagse luxe. Slechts de smalle straatjes en de Brink met de poffertjeskraam2 herinneren aan toen.

Bergen idem dito. Met de stoomtrein Bello naar zee, hoe was dat? Hoe klonk die stoomfluit, hoe roken die kolen? Wat voor kleren droegen Jan en alleman? Nu zijn er nog onduidelijke bospaadjes die herinneren aan het spoor dat door de duinen naar het strand liep. Ik verbeeld me dat ik daar loop. Verbeelding natuurlijk, een grote dosis verbeelding om te denken dat je iets van honderd jaar geleden nu beleeft.

Nog meer voorbeelden? De Zaan met de groene huisjes. De ruime Veluwe, zandverstuivingen, dennenbomen en herten. Radio Kootwijk. Een technisch hoogstandje, leve de vooruitgang in het midden van helemaal niets. Limburg, het harde werkmansbestaan in de kolenmijnen of op uitgestrekte landerijen. Niks niet met de auto heuvel op-heuvel af zoeven maar trappen met die beentjes op zware stalen rossen. Hoe was dat?

Zuid-Frankrijk. In ruim dertig jaar hebben we een bescheiden badplaats, ooit vissersdorp, zien veranderen in een semi-Benidorm. Ook hier zijn de vage sporen te vinden van de vroegere stoomtrein langs de kust van Toulon naar Nice tot in de bergen bij Dignes. Ik zou in “toen” willen rondlopen, rondsnuffelen als een tijd-toerist. Zowel in die belle-epoque villa’s als in dat vissersdorp.

En dan heb ik het nog niet eens over de landschappen, polders met hun dijken, bergen met hun bruggen en tunnels. Of over de ruïnes, over middeleeuwse dorpen met kastelen, over kerken, tempels en moskeeën. Alles door mensenhanden, ooit, gemaakt. Alles door mensen, ooit, beleefd. Ik zou willen dat ik veel meer wist, nog meer gelezen had. Het liefst kon ik me mijn vorige levens herinneren, zoiets.

Het is niet alles weemoed, die nostalgie, soms is het contrast tussen heden en verleden te hilarisch. Dan rijd je in de Dyane in Laren achter een splinternieuwe Ferrari van krap 25 centimeter hoog. Bij elk stoplicht gromt het fonkelrode gevaarte vervaarlijk om na honderd meter hard te moeten remmen voor de volgende drempel waar hij trager dan stapvoets buikschuivend overheen kruipt. Diezelfde drempels waar jij koeteldekoet vrolijk met je Dyaantje overheen huppelt. Oké, op de snelweg ben je hem binnen drie seconden uit het oog verloren, maar soit. Jij gaat toch het volgende kronkelende bospad in. Verleden tijd snuiven langs eeuwenoude beukenlanen, buitenplaatsen en herenboerderijen.

Toch een vreemd fenomeen, nostalgie. Een moment ontglippen aan het obligate “leven in het hier en nu”. Best wel lekker af en toe.

Naschrift.
Toeval bestaat. Net na het schrijven van dit epistel, lees ik het boek De tuinen van Buitenzorg van Jan Brokken3. Hij omschrijft mijn nostalgie, direct in het eerste hoofdstuk al, ongeveer zo: “toegeven aan het onmogelijke verlangen naar wat voorbij is”. Een goed schrijver heeft aan één zin genoeg.


1)  de personages uit de beroemde boeken van Cissy van Marxveldt

2) https://poffertjeskraam.jimdofree.com/historie/

3) De tuinen van Buitenzorg © 2021, Jan Brokken, Atlas Contact

Altijd heb ik beweerd: ‘Voor de klas? Van mijn langzalzeleven niet.’ En nu wordt mij gevraagd les te geven in ‘creatief schrijven’ voor leerlingen in groep 6-7 op de basisschool van mijn vriendin. Wat een eer, natúúrlijk -hoewel… enigszins weifelend- zeg ik ja.

Nog nooit heb ik dat gedaan, nooit heb ik dat willen doen. Hoe zou het moeten, wat verwachten ze van mij? O help, waar begin ik aan. Internet is geduldig. Een miljoen ideeën borrelen gaandeweg in mij op. Ik begin gewoon met mijn gedachten op te schrijven en te husselen tot er een min of meer logische volgorde ontstaat. Zeg nooit nooit: ik krijg er nu al helemaal lol in.

Ik meld me keurig op de afgesproken tijd in de klas. Een paar meisjes hebben zich opgegeven, maar mag zij ook meedoen? En zij? Voorzichtig vraagt hun juf of ik er wel zeven aandurf. Als ik zie hoe de meiden staan te popelen met glimoogjes kan ik toch niet anders zeggen dan ‘kom maar op!’. We vinden een leeg lokaal, een zogeheten leerplein, met een groot vierkant van tafels. Als iedereen zit, wil ik eerst weten hoe ze allemaal heten. De ene na de andere fantastische naam hoor ik, en ik blijk ze allemaal fout te schrijven tot grote hilariteit van de dames. 

Ik vertel wat, deel schriften en pennen uit, met dank aan de Action, en ze gaan aan de slag. De opzetjes van de verhalen worden naderhand voorgelezen, of verteld als ze nog niet helemaal op papier staan. De fantasie van deze jeugd -en nu klink ik als mijn oma- staat mijlenver af van mijn belevingswereld. Ik heb geen flauw benul waar hun inspiratie vandaan lijkt te komen, naar wat voor (animatie-)films ze kijken. 

Les twee, een paar dagen later. Zit ik ineens met tien (10!) meisjes om de tafel. Spannend. Een paar heeft in het weekend verder geschreven, een enthousiasteling heeft zich uitgeleefd op illustraties en de volgende heeft het schrift opgesierd met stickers. Ze hebben er weer zin in. Deze keer pak ik de onsterfelijke Asterix erbij om te laten zien uit wat voor structuur, wat voor schets, deze stripboeken steeds zijn opgebouwd. Begin, midden, eind. Hoofd- en bijrollen. Saai, ik zie het aan de gezichten. Nu komt mijn strenge juffenblik te pas. Hun verhaal in steekwoorden moeten ze in de voor-geprinte schets invullen. Na een kwartier schrijven hoor ik nieuwe verhalen ontstaan of zijn de eerdere verhalen verdiept.

Les drie verloopt wat chaotisch en ingekort door een verjaardag vooraf, maar erg gezellig. Verspreid over het lokaal zitten de dames genoeglijk verder te schrijven, te tekenen, te knippen en alles in elkaar te knutselen. Het beginnen echte boekjes te worden. De creativiteit gonst door het lokaal.

Eindelijk is het zo ver, de laatste les waarin we de eindresultaten te zien krijgen. Dat een enkeling haar schrift is vergeten mag de pret niet drukken. Geharrewar wie er als eerste mag beginnen, gekissebis wie daarna aan de beurt is. Trots op hun noeste ijver. Er komen verrassende en ingewikkelde verhalen voorbij: een dame in het hotel met een heel groot cadeau (dat blijkt een kersenbloesemboom te zijn, ssst niet verder vertellen want het is een verrassing voor de butler); een fee in een bos en een dorp met versteende mensen; een meisje met haar paardje; een hele familie bunnies die om lolly’s, onee, wortels bij een boze meneer aan de deur komen bedelen. Ook griezelige verhalen over kidnappers die even op het góede pad dreigen te raken maar dan toch een slechterikkenschool gaan beginnen. Ik kan hier niet alle verhalen gaan verklappen, dan wordt dít verhaal te lang. Inspiratie voor volgende hoofdstukken en nieuwe verhalen wordt alweer levendig met elkaar gedeeld.

Ze hebben hard gewerkt en vinden het jammer dat de lessen zijn afgelopen. Stickers van de verschillende stickervellen als beloning worden ijverig geruild zodat ze elk zowel sterren als hartjes en regenbogen hebben. Net zo kleurrijk als die regenbogen zijn deze meiden die mij een kans hebben gegeven me voor een paar keer juf te voelen. Dank jullie wel!


Met dank aan Basisschool de Verwondering – Monnickendam

Daar issie dan. Mijn stamboom, het certificaat van echtheid. Net als bij een diamant van 1000 karaat is dit het officiële bewijs dat ze met mij goud in handen hebben. Wauw, wat een grootspraak van zo’n pluizenbol zul je denken. En dan heb je nog gelijk ook. Want dat certificaat zal mij een zorg wezen, zolang ik maar aandacht, eten en knuffels krijg.

Het was de bedoeling dat mijn eerste baasjes dit bewijs van mijn afkomst officieel zouden komen overhandigen, zo trots zijn ze op hun ‘kinderen’. Een plechtig moment. Helaas, de instanties werkten niet aan hun planning mee. Evengoed hadden we een heel gezellige middag met mama, heel het mensen- en hondenspul op visite in de tuin. De stamboom kwam een week later, gewoon in een envelop, door de brievenbus.

De papieren stapelen zich op! Het eerste bewijs van goed gedrag is ook al binnen. Jawel, Zij en ik zijn geslaagd voor het diploma Puppycursus. Dat kwam vast doordat ik de dag daarvoor naar de kapper geweest was. Er staan zelfs een paar ‘zeer goedjes’ op de lijst. Zie je wel, ik kan best wel wat. Behalve ‘Spelen op Commando’. Dat vertik ik. Spelen doen we alleen als ik het zeg. Volgende week beginnen we met de vervolgcursus, ik ben benieuwd wat ik dan allemaal voor kunstjes moet gaan doen.

Al met al is het een paar bossen bloemen waard. Door de straat geplant voor de straat. En dus ook een beetje voor mij.


Categorieën:Ravi

Het TomTom-bestand, ons zeer vriendelijk door de 2CV club toegestuurd, is in de routeplanner klaargezet. Op goed geluk zoeken we het voor ons meest logische, dichtstbijzijnde startpunt en gaan onderweg. Een middag lang ontsnappen we aan dagelijks gedoe. Een papieren rit-beschrijving van deze Noord-Holland route hebben we niet, we laten ons verrassen.

Het eerste stuk kennen we goed. Het leidt ons over de smalle weg waarover ik vroeger naar mijn werk fietste. Dag eendjes in de vaart. Dag geiten, dag molens, dag hekje met de maffe kippen. Dag visserke-vis met de pijp.

Al kronkelend stuiten we op de eerste dam: Obdam. We tuffen door naar Schardam en passeren allerlei ouderwetse gehuchtjes langs de IJsselmeerdijk. Kinderhoofdjes, ophaalbruggetjes, een oude grenspaal. Dan meer weilanden met rechte sloten, koeien of schapen, er is genoeg te zien. Ik vergeet gewoonweg foto’s te maken.

Een noodstop! Een sukkel die zonder te kijken van zijn erf achteruit de weg op steekt. Gijs ramt verwoed op het stuur, alleen zit de Dyane-toeter daar niet… We halen maar eens diep adem en kachelen weer verder, al foeterend op grootgrondbezitters, hun monstrueuze wagens en hun gebrek aan verstand.

Bij Edam strekken we eventjes de benen in de frisse wind op de dijk. Volendam is het volgende Dambord. Niet gezelligs of authentieks te vinden in deze twee steenpuisten van bouwputten en nieuwbouwgedrochten. Wat hadden die miljoenen toeristen hier in vredesnaam te zoeken? Het is ons een raadsel.

Monnickendam, met wederom nieuwbouw. Daarna een kanaal met bootjes. Gelukkig. Via Uitdam en het weidse Broek in Waterland belanden we in het krankzinnige verkeer in Amsterdam. Door Kadoelen en Buiksloot rijden we van Oostzaan naar Zaandam.

Een onverwacht intermezzo.

Bij Zaandam zie ik op de routeplanner dat de rit bij de stoplichten rechtdoor loopt, maar TomTom houdt stug vol dat we linksaf moeten. Ik kijk over de kruising heen en zie een uithangbord boven de weg: Hembrug.  

In de twee transformatorhuisjes aan weerszijden van de entree bevindt zich het Hembrug Museum. Een lijn met vogels van divers pluimage in kooitjes, gespannen tussen palen, biedt een voorproefje van Art Zaanstad. Allerhande kunstenaars hebben zich in de meer of minder gerestaureerde panden gevestigd. Helaas zien de terrasjes, souvenirshops en lunchrooms er zeer gesloten uit. Andere gebouwen zijn in slechte staat met kapotte ramen en ontbrekend metselwerk. Her en der staan grote buitenposters met foto’s van details uit het interieur van de vroegere munitie fabriek. Een summiere echo van de roerige geschiedenis van het complex.

Met grote ogen kijk ik over het domein van de voormalige Artillerie Inrichting. Hoe bijzonder is het, daar te rijden waar mijn moeder, vlak na de oorlog als jonge meid moest gaan werken voor de kost. Ze heeft het er, zoveel jaren later, vaak over hoe graag ze het nog eens zou willen zien. Hoe zou het er nu zijn? Wat voor herinneringen zouden er bovenkomen? De gekooide vogeltjes komen ineens symbolisch over. Oud worden, heel oud worden, is niet altijd leuk.

Afgezien van het persoonlijke aspect, wat moet het fotogeniek zijn om hier met een hele sliert eenden en aanverwanten te rijden! Daar zijn deze tochten tenslotte voor bedoeld: samen touren. Wanneer zouden we weer mogen?

Napratend over deze wonderlijke wending bereiken we Westzaan. O, die Zaansgroene woninkjes links en rechts, allemaal zo perfect geconditioneerd. Die tuintjes met waslijnen en nette heggetjes om de bloemperkjes. Oud-Hollandse kneuterigheid ten top, ik smul ervan, waan me in een kinderboek van 100 jaar geleden. Je kunt het geklos van de klompen bijna horen. Te druk met koekeloeren, vergeet ik ook hier te fotograferen.

Bij de watertoren steken terug naar boven, richting Alkmaar. Langs West-Knollendam en Marken-Binnen slingeren we door de landerijen bij Graft. Nauwe klinkerstraatjes, ieniemienie raadhuisje, brugje over en we zijn er alweer voorbij.  De Schermer, ook al zo weids, langs molens en bollenvelden naar Rustenburg. Deze tocht had evengoed Molenroute kunnen heten. Weer ben ik te laat met de camera. Hierna verlaten we de route om verder rechtstreeks naar het Hoge Noorden te rijden.

Molens, nog meer molens. Echte, oerdegelijke molens. Het oude land is geverfd met tulpen. Door de bomen zien we het windmolenbos. Ons thuisland.

*) zie bijvoorbeeld Wikipedia: Hembrug_(Zaanstad)  en Hembrug_Museum


De hele week heb ik elke avond op een tuin- of eettafel gelegen zodat ze mij konden borstelen. Daar moeten ze namelijk goed op oefenen, anders komen er vervilte klitten in mijn prachtige puppy-donzen vacht. En als je die eruit moet wurmen, zijn we allemaal niet blij. Ik leg me er tegenspartelend bij neer. 

Maar wat krijgen we nou? Zit ik in een vreemd huis zomaar wéér op een tafel! En deze meneer is veel strenger dan al mijn baasjes bij elkaar, hij pikt geen gebijt, gebrom, gewriemel. Elke keer weer draait meneer Henk me op mijn zij of rug en borstelt gewoon verder. Een klein tikje van zo’n borstel op je neus, nou dan wil je wel even stil zijn. Eventjes dan, daarna probeer ik het gewoon opnieuw. Kijken wie het het langst volhoudt. Hij pakt me stevig beet en zegt streng: ‘Is het nou over met die aanstellerij?’ en ‘doe ‘es effe normaal joh, hou ‘es op!’. Hij borstelt en kamt stug verder.

Denk ik dat we klaar zijn, komt het volgende drama. Meneer Henk zet me in een badkuip en gaat op zijn dooie gemak in een paar maatbekers zijn gif mengen. Alsof ik meedoe aan een laboratoriumexperiment. Help! Uit alle macht probeer ik uit die gladde wasbak te klauteren. Delf ook hier het onderspit.

Uitgebreid word ik in de shampoo gezet. Sopperdesop, helaas geen mop. Die warme douche daarna is wel lekker. Mag ik nu weg? Helaas, er moet nog een lading conditioner op mijn lijf gekledderd worden. Na lang uitspoelen wordt de kraan eindelijk dichtgedraaid.

Met een speciale handdoek-die-geen-handdoek-is rost meneer Henk het meeste water uit mijn haren. Daarná pas mag ik even schudden. Geen lol aan zo. Thuis spetter ik gerust de hele keuken drijfnat. Veel leuker. Ik moet weer terug op de tafel en dan begint het gelazer met een blazer. Ik hou niet van herrie, dat weet je toch. Naar die warme lucht happen is een keertje grappig, maar ik blijf niet aan de gang. Schiet nou maar op met dat ding. Inmiddels zit ik al zo’n twee uur af te zien. Ik ben moe van het gedoe.

Mijn oren worden geplukt en schoongemaakt, het haar rond en tussen mijn tenen bijgeknipt en… yesss… het elastiekje is verdwenen. Mijn pony is bijgewerkt zodat mijn mooie ogen weer te zien zijn. Dat is al die moeite wel waard. Ik ben nog nooit zo streelzacht geweest, mijn haren voelen als veertjes.

En het grote voordeel? De volgende keer als ze me op de tafel mikken, blijf ik redelijk relaxt liggen, gaat het kammen en borstelen een stuk sneller en blijf ik prachtig fluffy. Makkie.

Dankjewel meneer Henk, tot gauw!

PS: Die lange pony, daar zit overigens een reden achter. Vroeger, op Madagascar, konden mijn voorouders vanachter die haren de slangen en andere enge beesten in de gaten houden. Slangen hypnotiseren hun prooi door ze in de ogen te staren en dan toe te slaan. En dat lukte ze bij mijn betbetbetbetovergrootouders lekker niet. Toch slim van mijn familie. Een elastiekje om een staartje te maken is dus absoluut een doodzonde. Kijk, dat vind ík nou een goed verhaal.


V.l.n.r: Met staartje voor de kapper, watergolfjes na het wassen, na het föhnen…. en na het bos de volgende dag.


Gaat de deurbel, moet ik in de gang wachten. Wat een onzin, ben ik een waakhond of niet soms? We krijgen bezoek, ik hoor tenminste een hoop geblaf en gelach, daar moet ik toch zeker bij zijn!

Grote verrassing, een innig weerzien met mijn eerste baasjes en mijn mama Skye en mijn drie jaar oudere halfzus Maan. Konden zij mijn broer en zus en de anderen niet meenemen? Dan was het feest helemaal compleet geweest.

Zus Maan maakt me direct duidelijk dat zíj het alleenrecht op mama Skye heeft. Zo, da’s een felle tante, bijt zomaar in mijn staart! Daar moet je beter geen ruzie mee krijgen. Ben ik ineens niet meer de baas. Het moet niet gekker worden.

Geduldig wordt er met een bal gegooid waar we met zijn drieën achteraan rennen, samen onderzoeken we de hele tuin samen en ondertussen zitten die grote mensen heel saai te kletsen. Wat een gezelligheid in de tuin in de zon. Ik word er wel een beetje moe van. Was immers al de hele morgen in touw. Op cursus eerst een proefexamen afgelegd, daarna gestoeid met de buurkinderen en nu spelen met mama. Bekaf ben ik.

Plotseling word ik op de tuintafel gemikt. Op een matje, dat dan nog net wel. Mijn nieuwe baasjes krijgen een spoedcursus hoe ze mij moeten borstelen. Daar ben ik helemaal niet van gediend, maar tegen zoveel vastberadenheid kan ik niet op. Bovendien worden er aan de lopende band snoepies voor mijn neus gehouden, dat verzacht het leed een beetje.

Tot slot wordt er -het kan toch nóg gekker- een staartje in mijn pony geknutseld en nu heb ik een pluispluim op mijn hoofd zitten. Ik zie wel weer wat, dat is wel prettig. Dan hoef ik niet alléén maar op mijn neus af te gaan als ik ga graven. Maar zeg nou zelf, een kerel met een staartje tussen zijn oren?

Ik weet niet hoe dit gaat aflopen…

 

(wordt vervolgd)


Nadat we al een paar testrondjes hebben gereden, proefritjes om te kijken of ik niet wagenziek zou worden of angstig voor het eendengeluid zou zijn, gaan ze vandaag voor het eerst dit jaar proberen met open dak te rijden. So far so good, dus dit moet me ook lukken. 

Koud hebben we het niet zonder dak, de verwarming loeit lustig. Op goed geluk zigzaggen ze van hot naar her. Nieuwsgierig sta ik rechtop door de achterruit te koekeloeren. Statige landgoederen, rammelende klinkerstraatjes, gezellige lammetjes om naar te kijken. Niet schrikken: ik zit echt wel vast aan een tuigje in mijn mand, ik zal niet uit de wagen geslingerd worden. Mijn lange vacht waait gestroomlijnd langs mijn lijf, ineens ben ik een windhond.

In sneltreinvaart ruik ik duizenden geurtjes, teveel om bij te houden, doodmoe word ik ervan. Ik moet ook erg wennen aan die wind en herrie en de zon op mijn kop, maar ik zal niet mopperen. Daarvoor maakt die auto toch teveel lawaai.

Bij de vuurtoren stoppen ze even om me uit te laten. Kijk mij nou eens parmantig zitten in m’n mandje op de achterbank. Even de benen strekken op de hoge dijk, sjonge, ik waai van mijn sokken! Het wordt kil, de middag loopt op zijn end. Het dak draaien ze half (of is het driekwart?) dicht. Met nog meer kabaal maar minder koude wind. Dat is beter. Beessie en ik ruiken de stal.

Halfdoof geknetterd en flink in de war gewaaid ben ik weer een ervaring rijker. Best leuk zo’n tochtje.


 

Ineens spelen wij een nieuwe rol in het toneelstuk des levens.

We gingen bij de kinderen langs. Niet meer om te verhuizen, niet meer om een klus op te knappen, parket te leggen, lampen op te hangen. Nee, echt op visite. Kwamen vroeger, nog niet zo heel lang geleden, onze ouders bij ons op de thee, dan speelden wij vadertje en moedertje, huisje-boompje-kindje, gastvrouw en gastheer.

Nu dan zijn we plotseling, zonder dat we het zelf in de gaten hadden, zelf die ouders geworden die bij hun kinderen op de koffie komen. Eerder die week gingen we op bezoek bij dochterlief in haar gedeelde bovenhuis midden in de stad; afgelopen weekend vertrokken we in de Dyane naar de campus waar beide zonen elk een eigen appartement in hetzelfde flatgebouw bewonen. Natuurlijk ging de hond ook mee.

De rollen waren omgedraaid. Wij de visite, de kinderen gastvrouw en -heren die de thee en koffie zetten en voor ons zorgden. Wat voelden we ons ineens oud…

Omgekeerde wereld. Een nieuwe rol. Het is even wennen 😊


Wat jullie nog niet weten is dat ik praktisch gediplomeerd hulp in de huishouding ben, oftewel h in de hh. Van nature ben ik nou eenmaal heel behulpzaam. Geloof je me niet?

Oké, die stofzuiger vind ik een onzalige uitvinding. Die lawaaierige machine met een slang en een snoer waar ik niet in mag happen, dat apparaat dat van die rare bewegingen maakt waar ik niet op bedacht ben…. Ze kan beter gewoon dweilen. Daar kan ik wel mee helpen, dan trek ik de dweil gewoon waar ik hem hebben wil, hoeft Zij niets voor te doen. Samenwerken noemen we dat.

Als Ze de was gaat vouwen, zet ik bij het straktrekken van de lakens een tandje bij, raap gevallen sokken op en schud de handdoeken los. Boven mijn hoofd bungelt ineens een broekspijp, die moet ik even terechtwijzen. Als alles gevouwen in de mand ligt, haal ik het er weer uit. Het kan vast nog netter.

Voor mijn Beveiligerscertificaat ben ik in opleiding. Zo leer ik bijvoorbeeld hoe ik de boodschappen in het winkelkarretje moet bewaken; buiten zou ik hard moeten trainen in het wegjagen van katten en kraaien maar die zijn niet interessant; en thuis heb ik samen met mijn vriend de deurstopper dagdienst als drempelwachter. Eén oor gericht op het huisspook, de krakende tussendeur, het andere oor gespitst op de koelkastdeur. Op den duur is het zelfs de bedoeling dat ik indringers in de gordijnen jaag maar daar moet ik nog flink op studeren. Ik vind iedereen namelijk even lief.

Buren-Hulp hoort ook tot mijn takenpakket. De buurkinderen zijn het binnen-zitten zat. Ze komen braaf aanbellen of ze als-je-blieieieft met me mogen spelen. In de tuin mat ik mijn kameraadjes helemaal af, werp ze omver en klim over ze heen. Als zij me uitlaten doen we wedstrijdjes wie het eerst bij het bankje is. Sjonge, wat kunnen die hard rennen! Ik speel een beetje vals door aan de riem voor en achter ze langs en tussen de benen door te sjezen. Moeten ze subiet een noodstop maken. Geweldig spelletje.

Naast dat alles ben ik een alles-inzetbare Zorg-Hulp. Hoe erg ze ook in de stress schieten wanneer ik iets sloop of mijn kont in het zand zet, ze moeten bijna altijd om me lachen. Dat verlaagt hun bloeddruk. Zelfs als ik lekker lig te slapen liggen ze in een deuk. Ja, dat ‘ha in de haha’ mag je gerust letterlijk nemen.

Zo gezond, een hond!


Categorieën:Ravi

Blijkbaar staat ons iets fijns te wachten op deze zonnige vrijdag, zo enthousiast als ze zijn wanneer we op een vrijwel verlaten parkeerterrein uit de auto stappen. Aan de riem, braaf naast lopen. Netjes stilzitten en dan pas oversteken. Jaja, ik heb al een boel geleerd. 

Komen we bij een grote berg, moet ik he-le-maal naar boven sjouwen. Dat is best zwaar voor mijn korte pootjes kan ik je vertellen. Er is enorm veel te ruiken hier: struiken, gras, meeuwenpoep, miljoenen hondjes, andere beesten, mensen… teveel om in het langslopen te determineren. Eenmaal boven, moeten we weer naar beneden. Dat schijnt een natuurwet te zijn. Geen idee wat dat betekent. Ik hobbel met ze mee want ik vermoed een spannend avontuur in de verte. Er komt steeds meer zand onder mijn voeten. En moet je horen: geraas, gekrijs, geblaf, geritsel en dat allemaal tegelijk. 

Dat mijn voeten wegzakken in dat zand is blijkbaar de bedoeling. Ze vinden het grappig. Ik niet zo. Zoveel zand, ik ga hier niet aan gravengraven beginnen. Geef mij dat hardere zand verderop maar. Daar liggen lekker veel schelpen die ik kan uitlikken. En zeewier waar ik mee kan stoeien en troep waar ik op kan knagen. Als ze het afpakken, zoek ik gewoon iets nieuws, er ligt genoeg. De uitgestrekte vlakte is zo groot dat ik er los mag lopen. Wat een feest! Ik kom heus wel terug rennen als ik geroepen word, wees niet bang. 

We lopen dichter naar de ruisende golven toe. De meeuwen aan de waterkant schreeuwen omdat ze gestoord worden bij hun lunch. Dat zou ik ook niet pikken. Het water schijnt ‘zout’ te zijn. Geen idee wat zout is, ik kan het niet proeven. Ik vind die natte, schuimende, onberekenbare bende in elk geval waardeloos. Mij doe je er geen lol mee. 

Die grote deuken in het zand zijn vast van die torenhoge beesten die ik in de verte hoor aankomen. Kataplof, kataplof, kataplof, drie pikzwarte knollen denderen met een rotvaart op ons af. Wat hebben die nou aan hun kont hangen? Een tweewielig karretje met een mens erin. Hard dat ze gaan, joh! Klopperdieklop, klopperdieklop, klopperdieklop en ze zijn voorbij. Wauw, dat was gaaf.

Jammer dat ik kleurenblind ben, het blauw van de azuren lucht en het zilver van de zee schijnen prachtig te zijn. Tegen de zon in lopen we terug. De warmte in mijn gezicht voelt als een zalige verwenmassage met licht. 

Het probleem zit hem natuurlijk in de staart. Nee, niet mijn staart, ik bedoel het laatste eind lopen. Diezelfde natuurwet. We zijn naar beneden gegaan, dus moeten we nu naar boven. Sjokkerdesjok. Poeh, ik ben er moe van. Even zitten hoor. Ja, je kan sjorren wat je wil maar wat er op zijn kont zit, loopt echt niet netjes mee. Zo gaan die dingen. Stukjes bij beetjes en voorzien van de nodige snoepjes lokken ze me mee en draaien we de bocht om naar beneden. Ik ruik de auto al.

Ze hebben, heel slim, zelfs mijn waterbak meegenomen. Fijn, ik lust wel een slokje. Voor de vorm sputter ik daarna wat tegen als ze me in de auto zetten maar ik geloof niet dat ze er erg van onder de indruk zijn. Ik rol me bekaf bovenop mijn konijn. Morgen wil ik hier weer naar toe, maar laat me nou een poosje slapen alsjeblieft.

Op facebook kunnen haar facebookvriendjes filmpjes van mijn capriolen bekijken. In album Ravi staat er ook eentje van een klein hondje op een groot strand. Dat hondje ben ik dus.


Categorieën:Ravi