Met tegenzin stap ik uit de zachte omhelzing van mijn warme bed. Het is tijd.

Om 10 uur, zeer vlot en kurkdroog (!) ingepakt, zijn we klaar om te vertrekken. Kunnen we niet weg, staat er een mobilhome klem in het hek. Centimeter voor centimeter wordt het gevaarte naar zijn nieuwe bestemming geschoven. De werkmannen spreken Bretons met elkaar, uit de gebaren kan ik zo’n beetje opmaken wat ze bedoelen. Er is geen touw aan vast te knopen.

Die taal, dat Bretons, is een apart dingetje. Verwant aan Keltisch. Uitgesproken klinkt het als een kriebelhoestje. ‘Ker’, waar zowat iedere plaatnaam mee begint, betekent zoiets als een verzameling huizen, gehucht of dorp. De camping staat in Kerlogonan, het gehucht van Gonan. ‘Loc’ is een eenzame plek, Locmariaquer misschien een toevluchtsoord van Maria? ‘Degemer mat’ betekent welkom. Staat vaak op een deurmat bij winkels, erg verwarrend. ‘Kenavo’ betekent tot ziens. ‘Salud’ bij hallo, die snap ik wel. Bijzondere taal.

We doen eerst nog maar een bakkie, we hebben geen haast. Om 10.45 kunnen we erlangs, on y va!

Met een kwartiertje zitten we op de snelweg. Voorbij Rennes houden we lunchpauze op één van de aires. Deze snelweg is duidelijk geen péage en het is duidelijk einde seizoen. Het sanitair is ouderwets smerig en alle sloten zijn gesloopt. Ik zoek later wel een geschikte struik. (Dat daar mijn billen natregenen is allemaal inbegrepen bij het landloperbestaan.)

Na de stop pakken we de “milieuvriendelijkste route” en duiken direct de zwarte wolken in. Zuidwest regennest: we hoeven niet lang te wachten op de eerste bui. De wind trekt aan, we hebben hem mee. We rijden een laaaange rechte weg. Fougères, Ernée, Mayenne. Door de stadjes een enkel stoplicht of rotonde en verder gaat die liniaalrechte weg. Heuvelop in zijn 3, soms in zijn 2 en dan heuvelaf gasgeven om te proberen de volgende bult in zijn 4 te kunnen nemen. Vooropgesteld dat er geen flitsers in de buurt staan. Dan lukt dat.

Grappige huizen, oud en nieuw door elkaar, zijn voorzien van natuurstenen muren. Bij de oudere staat het mos op de muren en polletjes piekhaar in de uitgesleten voegen, bij de nieuwere zijn die voegen blank en dik aangezet. Luiken in alle kleuren blauw omlijsten de diepe vensters waaronder de laatste donkerrode geraniums bloeien. Tegen de muur langs een kerkhof vlamt de wingerd wijnrood op.

Na Mayenne slingert de weg. Meer naar het noorden zijn de huizen glad gepleisterd, zonder rimpels of onderkinnen, zonder uitstraling. Een enkel verzakt pannendak verraadt de jaren. Dikke helgroene kastanjebolsters hangen zwaar aan de takken. Zoveel wegrestaurants en Relais Routiers hebben corona niet overleefd; afgeleefd en overwoekerd staan de ooit zo populaire pleisterplaatsen vermoeid langs de weg.

In Broglie staat een woonhuis met de naam ‘Maison de mon désir’. Het mag dan het huis van jouw verlangen zijn, maar om het nou van onder tot boven, van de dakgoten via de vensterbanken naar de voordeur, van het tuinpad tot de schoorsteen vol te zetten met de meest afzichtelijke tuinkabouters? Het geheel heeft meer weg van een nachtmerrie als je het mij vraagt…

Voorwaarts noordwaarts. We zien weer de vakwerkhuizen van het begin van de vakantie. Sommige spelen vals: met vaste hand zijn de vakken op de muren geschilderd, soms in de meest bespottelijke kleuren als mintgroen of Barbie-roze.

Om 6 uur zijn we bij het Novotel in Rouen. Een grote kamer met een bankje en ruimte genoeg voor de bench. De slaapkamer alleen is al groter dan de hele tent. We gaan voor ons doen eens luxe uit eten in het restaurant. Chocomousse toe. Ik zit plofvol.

Als we naar het restaurant lopen, zien we in de bar wat zakenmensen aan de apéritief. It brings back memories, veelal goeie, uit vervlogen tijden. Ofschoon dit clubje héél wat tammer is dan mijn herinneringen. De volgende ochtend zijn ze in groepsverband aan het ontbijten, het dagprogramma wordt doorgenomen waarna ze in ganzenpas, strak in de lak en pak, de eetzaal uit marcheren.

Dwars door Rouen dirigeert Tom ons, de andere dag. Langs Bijlmer buitenwijken, over hoge viaducten boven spoor en rivier, door lange tunnels. Talloze kerktorens blikkeren in de zon, wakend over de stad. Het natte wegdek dampt, waterdruppels dansen op de motorkap. Zwart glanzend asfalt strekt zich tussen de landerijen voor ons uit, rook kringelt tussen de huizen omhoog.

De N28 slingert richting Calais door een soort Ardennenlandschap. Heuvel op – heuvel af, terugschakelen en weer opschakelen. De bomen aan weerszijden van de weg zijn nog groen, hier nog geen herfst te bekennen. In colonne rijden we achter een convoi exceptionel; een oplegger met een windmolencabine verzamelt door de dorpen heen een enorme sleep trouwe volgers. We zijn terug in het gebied met de verstopte landhuizen achter hoge muren. Op rood-bepande, geknikte daken lijken de ronde raampjes in de met lood beklede koekoekjes naar de stoet te knipogen.

Zwarte bergen restafval markeren de mijnstreek van Nord – Pas de Calais. Na Lille volgt één lange samenklontering van steden via Gent naar Antwerpen met 100.000 op- en afritten. Wegwerken -what’s new in België- leiden tot grote vertragingen. Voor Antwerpen kiezen we voor het alternatief dat Tom aangeeft, dat zou 20 minuten moeten schelen (…dat doet het dus niet). Dwars door Beveren en aanverwante voorsteden kruipen we naar de west-ring van de stad. Vervolgens door de toltunnel. Kilometers slenterend verkeer, niet eens stapvoets maar uitgebreid winkelend. Het schiet geen barst op. Opletten ook, die vrachtrijders willen zo’n klein blauw autootje gemakkelijk over het hoofd zien.

In Nederland vervolgen we onze weg wederom via een détour bij knooppunt Ridderkerk. Wat een spaghettiknoop van snelwegen daar! Ook hier loopt het vol. Tja, 5 uur is topspits. Volop blik op de weg. Zo langzamerhand begint het vervelend te worden.

Om kwart over 7 zijn we thuis. Na bijna 10 uur schommelen, stap ik droogdronken uit de auto. Whooooww. De volgende dag schijnt de zon, gewoon in onze achtertuin.

1000 woorden zeiden hopelijk net zoveel als een enkele foto.
In plaats van met mijn mobiel bezig te zijn, heb ik in mijn schrift de terugreis meegeschreven.


2551 km in 12 dagen


Naar Quiberon, we wagen er een kronkelroute aan. Bij het uiterste puntje van het schiereiland aangekomen parkeren we de auto. Zomers is het hier vast een soort Cavalaire, nu is het aardig rustig. We lopen tussen de druilerige druppels door van de ene pier, langs de kade met wat typische huisjes, naar de andere kant. Niets te beleven verder en om nou een ijsje te gaan zitten eten in die slijmerige regen… Op de camping gloort een regenboog.

Op een niksig dagje, met een klein onweersbuitje en wat zon gaan we sightseeën in Locmariaquer. Daar zijn we snel mee klaar, het is een piepklein en kneuterig havenplaatsje met leuke steegjes, muurschilderingen en posters. Een bruidspaar gaat na de kerk met de meute juichende gasten bij de haven op de foto waarna het stel vertrekt in een grijze eend met vlaggetjes ‘just married’. Dat alles heb ik natuurlijk niet gefotografeerd, ik ben geen paparazzo.

’s Avonds een rondje met het hondje.

Dan wordt het zondag, markt in Carnac. Dat treft, want ik heb een nieuw streepjes-shirt nodig. Lekker de toerist uithangen, je zult geen Breton ooit in zo’n shirt zien. De markt is veel groter dan ik verwachtte, zo einde seizoen. Veel, heel veel eten. Zo verschillend met de Provençaalse markten! Ander voer, ander soort kleding, geen aardewerk uit Tunesië. Heel grappig. Het is bar druk, voornamelijk locals.

We rijden door naar de menhirs (maen=steen, hir=hoog). Deze beroemde bezienswaardigheid staat overal aangegeven, kwestie van simpelweg de bordjes volgen. De rijen en rijen menhirs wandelen gewoon in het wild langs de wegen en tussen de huizen. Tegenwoordig mag je er niet meer dwars tussendoor dwalen, over de keurig aangelegde paden kun je echter rondom de velden met stenenrijen lopen. Niet helemaal in het wild dus. Het moeten er ooit vermoedelijk zo’n 11.000 geweest zijn, rond 5000 v.Chr. gebouwd. Nu staan er nog bijna 2600. Ik heb ze niet geteld. Veel is erover geschreven, het fenomeen blijft door raadsels omgeven.

We starten bij Le Menec, bij de wat kleinere megalieten. Dat ‘klein’ is uiteraard erg betrekkelijk. We zijn precies op tijd, als we het eerste rondje gehad hebben worden er twee bussen met Spanjaarden gelost.

Verder naar de volgende site, Kermario. Daar zijn de rotsblokken wat groter. Een bijzondere plek, al is het zo’n toeristische attractie.

Eigenlijk zijn we hard aan koffie en een broodje toe, maar bij de Géant de Manio parkeren we ten derde male de auto. Deze monoliet kunnen we wel van dichtbij bewonderen. Onze Ravidéfix heeft zijn menhir gevonden!

Regen. Een echte maandag-dag. Veel meer water en wind dan voorspeld, we zitten de hele dag binnen te lezen. Met de kachel aan, met zijn drietjes op 4 vierkante meter. Als de één opstaat, moet de ander blijven zitten. Heel knus. Naar de regen kijken kunnen we thuis ook, we besluiten morgen weer op huus an te gaan.

Tussen de middag vinden we eindelijk een crêperie die geopend is, hier zit ik me al de hele vakantie op te verheugen. Tot nu toe vingen we overal bot, zo ver zitten we buiten het seizoen. Als toetje nemen we met zijn tweeën een crêpe Fondante, met peer, ijs, slagroom en chocoladesaus, dan zitten we vol.

La Trinitaine, koekjesfabriek annex souvenirgroothandel, wordt door mij vakkundig leeg gekocht. Heel gevaarlijk, zulke winkels. Aan het eind van de middag klaart het toch wat op, ik begin vast met pakken.

Een laatste keer nog naar het strand. Onder de schuimige wolken gaat de zon onder. Dag zon.


De tent is drijfnat van de dauw als we inpakken. Met een beetje puzzelen zit alles weer binnenboord, we zwaaien Les Pommiers gauw gedag. Op naar nieuwe avonturen in l’Armorique. De afgelopen dagen hebben we veel om/onder/over snelwegen gecirkeld, steeds opmerkend hoeveel leuker die kleine weggetjes zijn, hoeveel meer je ziet. Voor de afstand die we vandaag gaan afleggen kiezen we echter voor de snelle route met péage. Hoewel dat ‘snel’ in ons geval nog te bezien valt.

Tom leidt ons naar de Pont de Normandie, een staaltje moderne toegepaste kunst, over de Seine tussen Harfleur en Honfleur. De tol hebben we er graag voor over. Een achtbaan: stijl omhoog de helling op en sierlijk zoevend naar beneden waar de volgende ronding voor ons uit glooit. Een waar kunstwerk, met een passer en liniaal in scherpe lijnen tegen de heiige lucht afgetekend. Een magisch patroon van de vooruitgang.

Vanaf de snelweg zien we in de wazige verte de Mont St. Michel liggen. Op een enkel wolkje na is lucht lichtblauw. Zo zonnig hebben we het deze vakantie nog niet gehad. De rest van de weg is slaapverwekkend saai, maar je komt wel ergens. Heel prozaïsch: het is ook weleens lekker om pauze te houden op één van de Aires. Een normaal, schoon toilet in plaats van geschikte struiken te zoeken. Bij Rennes en Vannes is het wat drukker, stoplichten, kruisigingen, afslagen en daarna is het weer meer van hetzelfde. Nog maar een Hopje?

Tenslotte arriveren we op een schattig campinkje. Camping de la Ferme Fleurie in Locmariaquer heb ik gevonden via de onvolprezen Archies app. Waarom ik die campingboeken nog meesleep? Kunnen allemaal thuisblijven. Dit is een minibedoeninkje met serieus sanitair, complete badkamers met douche, wastafel en toilet. WC papier bij de toiletten; zonder muntje douchen; een gigavriezer voor die drie koelblokken; wifi, oké alleen op het terras. Een wereld van verschil met de voorgaande camping.

Madame Huguette, een vogelachtig vrouwtje met een brede glimlach en twinkeloogjes heet ons welkom. Wil ons dolgraag het terreintje rondleiden, maar we hebben zelf al een plekkie uitgezocht. We krijgen desalniettemin een complete tour langs sanitair, bibliothèque en overige faciliteiten zoals de aardappels uit de moestuin. Alsof we piepers gaan koken op de camping.

De tent staat in een uurtje, Gijs maakt een omeletje en als de zon echt onder is gaan we naar binnen. Bonne nuit!

De volgende dag heeft een hoog lui-level. De hele morgen vermaken we ons met de geluiden achter het heggetje. Terwijl wij in de zon aan de koffie zitten, luisteren we ongegeneerd hoe de Engelse buren hun tent aan het opbreken zijn. Dat gaat allemaal niet helemaal vanzelf. Als eindelijk de tent leeg en vrijwel droog is en het huishouden op de voorstoelen van het busje is gepropt begint het gedoe. De buigstokken van de grote koepeltent “color by color, please.” “Oh, they had colors? I didn’t notice!” En dan. Als de tent plat ligt wordt eerst alles minutieus afgeborsteld. Daarna wordt de bodem stukje voor stukje met een doekje afgenomen en als dát eenmaal gedroogd is kan het opvouwen en rollen beginnen. Wij zijn daar in 5 minuten mee klaar. Zij niet. Ze blijven lachen (heel knap!) maar bakken er nix van. Het pakket past niet in de bijgeleverde tas. “Again!” …and again – and again… Na poging na poging invouwen en weer uitrollen begint meneer toch wat saggerijnig te worden. Het is namelijk “bloody hot” in de zon en ze zijn al een uur of vier bezig…. “It’s a @#$%*&* jigsaw puzzle!” Tegen 2 uur zijn ze zover dat ze kunnen rijden. We zwaaien ze vriendelijk goeiedag, meneer verontschuldigt zich nog “for the noise he made”. We vertellen hem maar niet dat we genoten hebben van het hoorspel achter de heg.

’s Middags rijden we naar een punt van de baai. Over het duintje ligt een dolmen (hunebed). Heb nog even gekeken maar Panoramix lag niet onder de liggende menhir. Er is een lief strandje met zand, kiezels, oesters en zeewier, een windje huppelt over de golven. Ravi graaft stenen op en rent rondjes als een malle, hij gaat helemaal los. Het zeewater is niet te koud, eeuwen geleden dat ik met mijn voeten in de zee heb gestaan, laat staan aan de Atlantische kust. Fonkelingen zand op mijn tenen.

’s Avonds gloeit de ondergaande zon lang na.


We zijn weer onderweg! Het gaat ons zowaar voor de wind, zwarte wolken en zonblikkerend asfalt. Grens België in de stortregen. Hoe dieper we België inrijden en tussen de hoosbuien door naar het westen afbuigen, hoe meer de wind in mijn zijkant beukt.

Snel na de lunchstop bereiken we de grens met Frankrijk. In één klap zijn zowel de wolken alsook de bedrijventerreinen en industrie verdwenen. De bermen zijn groen begroeid en ja, de zon schijnt voorzichtig. Eindelijk begint het vakantiegevoel te komen. Zelf bij het passeren van het bord “Region Pas de Calais” blijft de gevreesde plensbui uit *).

Tegen 5en zijn we in het Novotel in Amiens, in een rustige, grote kamer met uitzicht op het zwembad. Hotel op het terrein Pôle Jules Verne, tanken op avenue Phileas Fogg. Inspirerende namen van een reis om de wereld in 80 dagen. Zo lang hebben we helaas niet…

De zon schijnt hard achter de wolken, de morgendauw verdwijnt gestaag als we de volgende ochtend onze route vervolgen. De weg is stil, we passeren een enkele zondagsfietser. Oranje jagermannen struinen door de velden met hun meute ijverige honden. Boerenhoeves en bescheiden chateaus worden streng bewaakt door hoge muren. Een enkel ondeugend punttorentje gluurt er nieuwsgierig bovenuit. De rest blijft aan de verbeelding over.

Dan weer een groot stuk bos, dan weer zon en weids uitzicht. De bietencampagne loopt op zijn end maar straten schoonvegen is blijkbaar iets typisch Hollands. We rollen van het ene Hameau door de volgende Commune naar een andere Lieu-dit zusenmezo. Zwart-witte vakwerkhuizen wisselen één-pot-nat-nieuwbouwwijken af. We komen door Boudeville en Doudeville, op slechts 5 kilometer van elkaar. Drama voor dyslectici?

Tegen vijven, bijna de hele dag gedaan over 180 kilometer, zijn we op plaats van bestemming. Camping les Pommiers in St Léonard/Froberville, zag er op internet goed uit, maar de werkelijkheid valt een beetje tegen. Eerste indruk is zelfs: doorrijden. We zijn moe, zijn de hele dag onderweg geweest, deze plek ligt centraal van veel bezienswaardigs, dus oké we doen het ermee.

1: Een mobilhomedorp. Saai, allemaal dezelfde hutten.
2: Van te voren moet ik zeggen én betalen hoelang we willen blijven. Weet ik veel? Ik hou het voorzichtig op drie nachten.
3: Douchen met muntjes. Erg préhistorisch, hoewel in de huidige milieuvriendelijke gedachte weer erg in. Alleen niet mijn ding.
4: Geen wifi, al is dat niet echt onoverkomelijk.
5: Geen vriezer voor de koelelementen van de superenergiebesparende koelbox.
6: Geen WC papier! Dat is wel heel nostalgisch, met je rolletje onder de arm de camping over. We moeten er speciaal voor naar de winkels, want dat hebben we al jaren niet meer bij ons.

Maar hé, we hebben een grote plek en zitten nog in de zon. Na ons de zondvloed. Proost.

We slapen prima ondanks dat het koud en vochtig is. Met de elektrische dekens is het goed uit te houden. Primitief is leuk maar het moet wel comfortabel blijven. Tussen de middag -dom, want dan is alles dicht en is het overal een dooie bedoening- rijden we via een loodsteil weggetje naar de vuurtoren van Fécamp. De kerk met zo te zien interessante glas-in-loodramen is helaas op slot.

Verder naar Valmont, een rondje om de kerk en door het parkje van de abdij. Ook hier is alles gesloten.

Tenslotte steken we terug naar Yport. Een gezellig havenstadje, kleine straatjes en leuke huizen. Zomers zal het hier lekker toeristisch zijn, nu is het er stil. De promenade en de blauw-witte badhokjes langs het strand zijn superfotogeniek, vooral als de zon erop schijnt. De volgende dag in de schemer zijn de kleuren zachter, monochroom haast.

We gaan naar Étretat om de olifant te zien. We zien het stenen beest.

Ik stel me zo voor dat er in het seizoen een stroom roodverbrande badgasten vanaf het buiten het beroemde vissersdorp/badplaats gelegen parkeerterrein in processie naar het strand wandelt, bepakt met koelboxen en parasols. Beetje fantasie op deze grauwbewolkte dag.

Monet heeft hier talloze schilderijen gemaakt, mooier dan wat ik met mijn camera kan vastleggen. Met nog meer fantasie verbeeld ik me hem hier te zien zitten met zijn schildersezel. De rond-gesleten keien op het strand zijn beschermd erfgoed, ik mag er helaas geen meenemen.

In plaats van de olifant te beklimmen, kiezen we ervoor om de andere punt van de baai op te klauteren. Een steile trap, hijg hijg puf puf. Hoezo kunnen Cotons geen traplopen, Ravi is als eerste boven. Het uitzicht is spectaculair, de grijze geduldige olifant. Ik begrijp die Monet wel.

Er is een kapelletje en een memorial voor twee vliegeniers die in 1927 een poging waagden naar New York te vliegen. Zij verdwenen boven Étretat en noch hun Oiseau Blanc noch zijzelf zijn ooit teruggevonden.

Terug bij de auto rijden we nog een stukje door naar de Phare d’Antifer. Bovenop die klif waaien we echt uit ons jasje, het is mooi geweest voor vandaag.

*) kijk de film Bienvenue chez les Ch’tis!


 

Alle 12 provinciën worden dit jubileumjaar van de 2CV Club met een toertocht vereerd. Als je in de  kop van Noord-Holland woont is élke provincie ver weg, maar deze rit is verreweg de verste. Daar maken we natuurlijk een weekendjeweg van.

Met pijn en moeite heb ik een campingplek in Epen gevonden, het is nog hoog seizoen. De spullen zijn eenvoudig ingepakt, voor twee dagen nemen we immers niet zoveel mee. Vrijdagmiddag 2 uur, we  kunnen op pad. Na Utrecht komen we van de file in de drup. Algauw zien we geen klap meer, wat een noodweer.

Na vier uur onafgebroken snelweg in de vrijdagmiddag-spits arriveren we uiteindelijk bij camping Alleleijn en een uurtje later staat ons huishouden. Gauw een foto maken. Twee minuten later stort de hemel zijn zegen regen over ons uit. Het zijn maar korte buien gelukkig, en voor de rest van het weekend zien de voorspellingen er goed uit.

Zaterdagmorgen rijden we op ons gemakje naar een camping in Heijenrath waar de tocht van start gaat. De vlaai bij de koffie is erg lekker. Onze Dyane ligt gelijk een stukje lager. Of zou dat komen door het mergelbrok dat we als souvenir meekrijgen? Er zit een briefje bij: “Leef je creativiteit hierop uit!” Ik ben benieuwd hoeveel uitgemergelde eenden er op facebook verschijnen…

Zeventig inschrijvingen, da’s best veel voor zo’n verre bestemming. Een flink nest eenden van divers pluimage is op één veld bij elkaar verzameld. Leuk, een heel rijtje Charlestons. We mikken Ravi achterin, rollen het dak helemaal open en sluiten bij de vertrekkende sliert aan. Een hele poos volgen we een oranje bestel-eend tot op een gegeven moment de slinger uiteen valt. Dan zitten we ineens weer achter een groene eend. De optocht trekt uiteraard veel bekijks. We rijden langs het kasteeltje dat we vanaf onze campingplek zien liggen, jachthuis Beusdael: een leuke plek voor een Kodakmomentje.

Van zwager Hans kregen we de tip ijs met verse aardbeien te gaan eten bij de Wingbergerhoeve. Vandaag staat deze plek als tussenstop op de routebeschrijving. Als wij (en een miljoen wespen) aan het ijs met verse vruchten bezig zijn, strijken er meer eenden neer.

Na het ijs vervolgen we onze weg door berg en dal, bos en weiden. De jazzy zwart-witte vakwerkhuizen, vaak behangen met Zwitsers-rode geraniums contrasteren met het oude groen.

We kruipen door een tunneltje, passeren wijnvelden en scheuren slippend over een onverhard pad. Het hoort er allemaal bij, wij houden daarvan. En dankzij de nieuwe stoelen word ik niet meer de hele auto door gestuiterd. Ergens moeten we ‘zeer schuin’ terug steken, de Route des Trois Bornes in. Leuke naam voor een klein grensweggetje.

Dit gebied leeft van het toerisme. Elke villa is nu een wellness resort of een B&B, elk kroegje is nu een vijfsterren restaurant, elke boerenhoeve is nu tevens een camping of bungalowpark. Je kunt hier uren en uren wandelen, zo mooi is de omgeving. Maar die fietsers verklaar ik voor gek. Ook al ben je wielrenner en zijn de heuvels nauwelijks een uitdaging voor je, de drukte is dat zeker wel. Ongeoefende 80+ers kruipen met hun e-bikes de haarspeldhellingen op om zich daarna, met gevaar voor vele levens, met 80km/u naar beneden te storten. Grote groepen wielrenners houden ons op, en wij hen. Leven en laten leven, zoiets. En soms het recht van de sterkste.

Zo komen we aan bij het circus van het drielandenpunt in Vaals. Centimeter voor centimeter duwen we ons als een ijsbreker door de menigtes. We moeten zo opletten dat ik niet kan fotograferen. De toeristen staan midden op de weg om iedereen maar bij de grenspalen op de foto te zetten. Wat een tourist trap zeg. Hierna gaat de tocht verder richting (Oud-)Valkenburg. Ook hier is het megadruk.

De drukte eenmaal voorbij moeten we op een gegeven moment op een supersmal paadje en totaal onoverzichtelijk een bocht over 30° linksaf maken. Dat betekent twee keer steken en hopen dat er nix aan komt. Hilarisch. Een off road gravelpad volgt, Gijs geeft nog een beetje extra gas. Onze achtervolger, toevallig de grijze ‘Sahara eend’, bijt letterlijk in het stof. Hij zou het gewend moeten zijn denken we dan maar.

We komen door Hoogcruts en Piemert (ik verzin het ook niet) en dan zijn we eindelijk bij het eindpunt, waar we ‘s morgens van start gingen. Duizelig en iebel van zon en bochtenwerk kruipen we uit de wagen. Er wacht ons hier een hartelijk onthaal en koele sinas.

Wat hebben we enorm veel gezien, zo mooi dit land. Welk land eigenlijk? We reden door België, schampten Duitsland…

Terug op de camping maak ik een foto van ons uitzicht op het kasteeltje, ingezoomd op de volgende foto. Ik sta daar op de grens met België. Ga ik er met mijn rug naartoe staan, staat ons tentje in Nederland. Geen wonder dat ik hier een beetje boekiezoek raak. ’s Avonds lopen we de berg nog even op met het hondje, strijklichtuitzicht-velden. De wereld is mooi.

Zondag ontbijten we in de zon. Kallum an wachten tot de tent droog is. Om 9 uur is al 21°; het wordt een opendakdagje voor de terugreis. Om 11.15 uur rijden we de camping af. Het vakwerkhuis met rode luiken krijg ik vlak na de camping net op tijd in het vizier. Klik, een laatste blik op Limburg.

Om te beginnen rijden we langs een benzinepomp in België zodat de tank vol zit. We ontwijken grote steden als Maastricht, Eindhoven, Luik en kronkelen door het Belgenland tot de lunch/koffiestop bij Riemst. Daar prikken we een nieuw tussenpunt op de slingerroute, de theepauze houden we vlakbij Turnhout.

’s Onderenweegs schiet ik wat plaatjes. In Aubel, een stadje vol mooie pandjes met gietijzeren Franse balkonnetjes en bloemige hanging baskets langs de straten, is een gezellig-drukke zondagsmarkt. Ergens verderop het platteland valt mijn oog op de bijzonder vervaagde Citroën-garage reclame op de kopse muur van een aftands bouwwerk. We steken de Maas over, komen zelfs door platanenlanen alsof we in de Provence zitten.

Na Turnhout nemen we de snelste route terug naar het noorden. En thuis… ploffen we eerst in de tuin en proosten bij het gekabbel van onze vijver-waterval op dit zeer geslaagde weekend. Limburg, we komen zeker terug!


Het is zomer, het is een zonnige zondag en we hebben al twee weken niet meer een fatsoenlijke tocht met ons Dyaantje gemaakt. Wat dan beter te doen dan het dak op te rollen, het hondenbeest op de achterbank te zetten en gewoon te gaan?

We hebben de Strand, Zee en Dijkjes route van de 2CV Club op de plank liggen. Letterlijk: ik heb alleen een papieren versie. De start is in Schoorldam, dat weten we met onze ogen dicht te vinden. Vanaf de ventweg na de rotonde naar Schoorl laten we Tom het hele parcours vastleggen.

Wat een leuk weggetje is dit, dit hebben we nooit eerder gereden. We zetten koers naar Bergen, over de Evendijk, Westgrasdijk, Kerkedijk, Baakmeerdijk, Oosterdijk, Kogendijk… Het thema ‘Dijkjes’ komt in de eerste kilometers al ruimschoots aan bod.

Bij Alkmaar aangekomen draaien we vóór de vlotbrug rechtsaf naar het centrum. Het spoor over en bij de stoplichten naar rechts de Geestersingel op, langs de Molen van Piet. Verrassend genoeg worden we daar linksaf het stadcentrum in gebonjourd. Langs de singel rijden we, tussen de eeuwenoude huisjes door. Wat een lekker sfeertje heeft Alkmaar toch, bij 28 graden, zon, bootjes, en heel veel lachende weekendgasten in, op en rond het water. Net vakantie.

De prima routebeschrijving dirigeert ons verder naar Stompetoren en de Schermer. Om Driehuizen in te slaan hopsen we over een gebogen kippenbruggetje. Met klein autootje kan dat allemaal; ik zie de sliert Eendjes al voor me die hier in juni één voor een op het brugje poseerden voor een kodakmomentje. Zouden ze dat inderdaad gedaan hebben?

Nog meer watertjes, bruggetjes en hórdes fietsers die vooral op de smalle dijkjes in de weg zitten. Dat hadden we uiteraard kunnen weten. We doorkruisen Graft en De Rijp. Zo smal! En zoveel toeristen op de been. Voor Gijs is het lastig eromheen zigzaggen en ik zit alleen maar op het papier te kijken om geen afslagjes te missen. Nee, van de omgeving genieten we misschien een ander keertje. We herademen met een koekje en wat water voor ons en Ravi bij een slootje met waterlelies.

Terug richting Alkmaar, de tocht is nog lang niet gedaan. Wachten voor het bekende pontje van Akersloot, waar tientallen fietsers voor ons staan. Het past er allemaal weer precies op. Direct daarna staan we in de file naar Limmen en Bakkum.

Door Egmond rijden we; een rondje om de Abdij, langs het slot en ander moois. Hier wurmen we ons eveneens tussen de mensen door, we worden langzaamaan warm en wat geagiteerd. Bij de doorgaande weg naar Bergen kunnen we pas even om ons heen kijken, de duinen in.

De route maakt een slinger door Bergen aan Zee. De deelthema’s Strand en Zee zijn nu aan de beurt. Op de boulevard is een soort kunstmarkt, het ziet er zwart van het volk maar het ziet er erg gezellig uit. Op de Eeuwige Laan is het filerijden onder de schuine bomen, sightseeing langs de welgestelde villa’s.

Volgens de beschrijving gaan we nu naar Schoorl. Het Klimduin is een mierenhoop geworden. Met publiek welteverstaan. De terrassen zitten vol en het wemelt van de cabrio’s. We zitten achter een grappig lichtgroen autootje, een Engels Jaguarretje uit 1953.

Sjongejonge, die reis is veel langer dan we ingeschat hadden! Goed plan, slechte voorbereiding. We zijn simpelweg op pad gegaan, geen picknick of iets van dien aard meegenomen, het is overal loeidruk wat we hadden kunnen bedenken en door het slalommen en op het papier kijken hebben we allebei weinig meegekregen van de omgeving. Vandaar ook weinig foto’s. Gelukkig is de rit opgeslagen en kunnen we hem altijd een andere keer, bij voorkeur vroeg in het voorjaar of het late najaar, rijden.

Voor nu houden we het voor gezien, we laten de beloofde Burgervlotbrug, Westfriese Dijk en het bankje van Joost Zwagerman voor wat ze zijn. Dat pikken we later wel een keertje mee, nu gaan we linea recta naar de platte polder waar de tuin koeltjes op ons wacht.


PS: de 2CV Club bestaat 30 jaar. Dit seizoen, 2022, wordt er daarom in elke provincie een jubileumtocht georganiseerd. Wij rijden ze niet allemaal mee maar voor de meeste ritten ontvangen we het GPX bestand of zoals dit keer een papieren routebeschrijving. Natuurlijk had de 2CV Club voor Noord-Holland ook voor Haarlem en omstreken of de Zaanstreek kunnen kiezen maar dit was voor ons een gouwe greep, wat mij betreft een van de mooiste stukjes van de provincie.

Het zit er weer op, de vakantie. Net als in Thailand (2018) zit ik nu buiten aan een tafeltje de achterstallige blogs te schrijven. Ruim twee weken geleden braken we ons zwervershuishouden op en aanvaardden de terugweg…

Via een kronkelroute steken we in een rechte lijn naar boven. Koffietijd in de schaduw, uitzicht op stiertjes aan de ene kant en een meertje aan de andere. Ravi ravot. Het dak van de eend rollen we helemaal open.

We slingeren door dorpjes en over landwegjes en komen geen kip tegen. Geen hond, geen mens, geen auto. Wel een heel oude Michelin ‘borne’, zeg maar een ANWB paddenstoel. Langzaam gaat de groene Morvan over in de beige Côte d’Or. Ik kan er geen chocola van maken. Er zijn alleen maar graanvelden.

Bij de foto’s zul je wel denken, “sjonge, ik zie vooral veel asfalt!” Dat klopt. Voor ons is dat nou juist de lol, het is tenslotte een ROAD-trip. Het cameravenstertje geeft slechts een tweedimensionaal, uitgesneden plaatje van wat wij links, rechts, boven en voor ons zien.

Voort gaan we. Over een ijzeren bruggetje, langs wat zonnebloemen die heel flauw de verkeerde kant op kijken. We lunchen bij een dorpje met uitzicht op een kikkervijver en het lavoir, de wasplaats die al een eeuw niet meer gebruikt wordt. Door het poortje zie je de duiventil in de moestuin van het landhuis. Hiervandaan gaan we naar de bliksem.

Kijk eens naar het screenshot, de satellietkaart van het gebied waar we doorheen komen. Zoveel kleurtjes? Nah, vooral graan. Ik kan geen graan meer zien. Soms een uitgebloeid veld koolzaad, soms een veld luzerne en dan meer goudgeel graan. Het stuift in grote wolken boven het land waar grote combines aan het dorsen zijn. Zo leeg is dit land, dat je honderden kilometers kunt rijden en alleen maar leeg akkerlandschap om je heen ziet. En windmolens, er zijn er veel bijgekomen afgelopen jaar.

We hoeven er niet eens voor om te rijden: tot onze verrassing belanden plots we op de plek waar we de afgelopen jaren onze blauwblauwwedstrijdfoto genomen hebben. De lucht wint altijd.

Tenslotte staan we voor de poort van Châlons-en-Champagne. Het hotelkamertje is heerlijk stil hoewel het hotel bommetje-vol is. “Het was in elk geval niet druk, op de weg”, zegt Gijs droog. Het understatement van de dag.

Het hemelblauw is vandaag bijna wit, zo fel is het zonlicht. We gaan een warme dag tegemoet. Dak halfopen.

We rijden richting Verdun. De klaprozen bloeien langs de velden. Vlak voor Suippes is een begraafplaats van de Slagen om de Marne, 1914 en 1918. Rijen witte kruisen en afgeronde grafstenen staan in slagorde gerangschikt. De weg gaat verder, door een afwisselende omgeving waar mensen in diverse oorlogen door de eeuwen heen elkaar naar het leven stonden. Best deprimerend, alle nadruk die daarop wordt gelegd met die monumenten, begraafplaatsen tot zelfs slagveld-wandeltochten al dan niet onder leiding van een gids.

Na het Ossuaire (knekelhuis) de Navarin slaan we af, een D-weg op. We picknicken bij Tannay, de zon staat pal boven ons waardoor mijn foto’s van het gedenkteken wat vreemd zijn belicht.

Door het groene bos van de Ardennen komen we terug in België. In Bouillon, waar het nu vele malen drukker is dan drie weken geleden, fotografeer ik met tegenlicht de toeristenwagen met twee paarden ervoor. Verderop doen we een bakkie koffie bij het badhuis midden in het aangeharkte dorp Transinne. Het dak van Dyaantje gaat weer dicht: we duiken hier bij het Euro Space Centre de E411 op, rechtstreeks naar boven.

De snelweg is vol, de grijze golf gaat naar huis. Wij dus ook. Nog mazzel dat er op zondag geen vrachtverkeer is. Op de snelweg bij Antwerpen creëren twee antieke hippiebussies hun eigen file. We vinden elkaar geweldig. Bij de grens bij Hazeldonk gaat het gas erop tot afslag Middenmeer. Wat is Nederland vol en wat rijden ze hier opdringerig! We zijn blij met de rust in de polder.

Twee foto’s: 11 juni tanken in het dorp en 3 juli de tellerstand bij thuiskomst. Totaal: 3552 kilometer. Tenslotte een mooi Polarsteps overzichtsplaatje van de hele reis. Wat hebben we enorm veel gezien en beleefd. Dankjewel Gijs voor al die veilige kilometers!


In Celle-en-Morvan komen we helemaal bij van de tocht. Wat hebben we veel gezien, wat een heuvels hebben we beklommen en wat een vergezichten stonden ons daarachter te wachten. Het duurt even voordat dat allemaal bezonken is.

We staan op een reusachtige plek, zonder buren links of rechts, aan het snelstromende riviertje dat meer leven maakt dan ik me kan herinneren en met zicht op de goudgesponnen hooirollen in het weiland erachter. De stilte stroomt.

Als we wakker worden staat de zon al recht boven de tent. We hoppen van ontbijt naar koffie, naar nog meer koffie, naar broodje (met koffie) naar thee met koekjes… we moeten alleen wat boodschappen voor het avondeten halen.

Donderdags is het bewolkt en niks warm na de regen van ’s nachts. Ergo: we doen een toertje slingeren op ‘spannende route’. De oude wegwijzer zie ik net te laat, dus Gijs is niet zo goed of zo gek of hij keert de auto en rijdt terug, zodat ik de stenen paal op de foto kan zetten. Hoe hoger we komen, hoe mistiger het wordt. Bij Lac de Settons (590m hoogte) stoppen we voor koffie. Gode zij dank liggen de jassen in de eend. Zie de laatste foto: zoek het meer. Hint: we staan vlak aan het water. Spannende koffie. Dyaantje klimt verder, naar het geitenkruis (Croix de Chèvre) op 689m hoogte. In de mist zien we geit noch kruis. Het gaat ook nog regenen, laten we het dak maar dicht doen….
Voorwaar een spannende route.

In de tent zitten gaat ook vervelen. We lopen -al is het maar om warm te worden- zo’n 3,5 kilometer met Ravi. Zoeken vast ons kaveltje ‘voor ooit’ uit, moet alleen wel iets aan gebeuren. Zie satellietfoto.

Vrijdag, onze laatste vrije dag. Na de kou en regen van gisteravond proberen we in de zon op te warmen. Vinken zijn net als mussen niet schuw. We lopen een rondje met het hondje. Ravi sjanst door een groot hek met een klein Maltezertje. Luie dagen.