Van tevoren denk ik: ik ga er gewoon heen en ga het wel zien. Hoe kun je je voorbereiden op zoiets machtigs? Het is zo veel, zo groot, zo groots. Het terrein beslaat vele vierkante kilometers, ruïnes van nederzettingen en tientallen hindoeïstische en boeddhistische tempels, daterend uit de 10tot en met de 13e eeuw. Het zal onmogelijk zijn álles te zien in twee dagen. De verhalen, mythen, archeologische kenmerken, hindoeïstische goden en demonen en boeddhistische kenmerken probeer ik me vergeefs van tevoren eigen te maken zodat ik er ter plekke iets aan heb.

Zoveel is al verteld door even zoveel onderzoekers, reizigers en schrijvers sinds de 17e eeuw. Wat mij rest zijn slechts de woorden in een poging iets ongrijpbaars te beschrijven. Ja, ik maak me er misschien te makkelijk vanaf. Ik streef er ook niet naar volledig informatief te zijn, probeer slechts mijn impressies aangevuld met wat opgezochte feitenkennis weer te geven, met daar tussendoor stukjes reis-belevenissen.

De heenreis van Bangkok naar Siem Reap op vrijdag verloopt soepel. Amper opgestegen wordt de daling alweer ingezet. Buiten de aankomsthal worden we opgewacht door een vriendelijk lachende gozer die ons met een tuktuk, dat wil zeggen een brommer met aanhanger, naar het hotel brengt.

Een gezellige manager heet ons hartelijk welkom in hotel Rose Royal en voorziet ons van vers verfrissend citroenwater en ijs-gekoelde handen doekjes. De formaliteiten zijn zo geregeld en na wat overleg boeken we voor twee dagen de excursies per tuktuk naar Angkor Wat. We kijken ernaar uit, zijn heel benieuwd.

Heel decadent drinken we even later bij het zwembad nog een cocktail voordat we ons bed opzoeken.

De driver, Balil, wacht ons de volgende morgen voor het hotel op. Voordeel van de tuktuk is dat je echt buiten zit, de houtvuurtjes ruikt en de koeien in de greppel bijna kunt aaien. Ik kijk m’n ogen uit. Het voelt haast koloniaal, zoals we ons laten rondrijden.

We rijden eerst naar het ticket office. Toegangsbewijs voor drie dagen is niet goedkoop, maar de Efteling is duurder.

Vervolgens worden we afgezet bij Banteay Kdei. [eind 12e eeuw, boeddhistisch]. In het hier bij een venter gekochte boek tekenen we aan welke tempels we zien, om thuis alles nog eens na te lezen.

Moederziel alleen loop ik opeens tussen de brokstukken en het bos. Ben Gijs allang kwijt. Het is er zó stil! Zo stil… Ik had busladingen toeristen verwacht en loop in plaats daarvan hier in mijn uppie. Bijzonder. Er komt zomaar een leegte in mijn hoofd.

Af en toe komen we elkaar per toeval weer tegen door een doorkijkje. Zo dwalen we op onszelf door dit plaatje, onbewust van de oorspronkelijke plattegrond of functie van het bouwwerk.

Eventjes voel ik me in een scene van Junglebook, maar dan zonder Koning Louis, de orang oetang. Het melodietje uit de Disneyfilm blijft oneerbiedig in mijn hoofd hangen….

Na de lunch bij een Khmer restaurant, bezoeken we Pre Rup en East Mebon. [beide uit het midden 10e eeuw, hindoeïstisch].

Onvoorstelbaar toch? We lopen door ruïnes van meer dan 1100 jaar oud. Pre Rup was een tempelberg, getuige de vele trappen, in het centrum van een stadje waarvan niets meer terug te zien is.

East Mebon, die met de olifanten op elke hoek van de muren, lijkt ook op een tempelberg, maar was dat niet. Het was oorspronkelijk gebouwd te midden van een groot waterreservoir omringd door metershoge muren, dat voor de watertoevoer van de te bouwen stad zorgde. Het water kon tot 5 meter hoogte komen, de tempel stak daarboven uit.

Nummer vier, Ta Som, [eind 12e eeuw, boeddhistisch] vinden we geweldig, maar kunnen niet goed duiden waarom. Is het de compacte, overzichtelijke kleinschaligheid? De bossige vruchtbare atmosfeer van het oerwoud die de toon voert? Of de stilte en toch daardoor het leven? De aanraking van iets onbevattelijks? Een kijkje in een andere dimensie die bij je binnenkomt? We weten het niet.

De vriendelijke gezichten die alwetend op ons neerkijken, leer ik, zijn van Avalokiteshvara, in het Cambodjaans Lokesvara genoemd. De bodhisattva die de compassie van alle boeddha’s belichaamt. Zijstapje: de Kwan Yin, al in eerdere verhalen genoemd, is de Chinese, vrouwelijke vorm van Avalokiteshvara.

De Deva’s en Devata’s, hemelse wezens, lijken in eerste instantie allemaal op elkaar. Pas bij nadere beschouwing zie je de vele verschillen.

Hier had ik nog wel langer willen blijven dwalen. Me verwonderen over de bomen die door elkaar en de stenen heen alles overgroeien. De tempelstad verdreven, overwoekerd door de natuur.

Wat geweldig moet dit zijn geweest voor de ontdekkingsreizigers die stukje bij beetje meer bewerkte stenen in het oerwoud tegenkwamen. ‘Hé, dit moet iets bijzonders zijn’. Voor de onderzoekers die stukje bij beetje geschiedenis blootlegden en zóveel kennis opdeden en konden delen. Voor de bevolking die haar voordeel deed met de toename van historici en archeologen. Helaas leidt het één tot het ander en zijn de archeologen gevolgd door een stroom nieuwsgierigen die nooit is gestopt. Nog meer wegen worden aangelegd door het woud, parkeerterreinen, restaurants, souvenirshops schieten uit de grond als paddenstoelen.

Neak Pean, [eind 12e eeuw, oorspronkelijk hindoeïstisch, na latere verbouwing in de 13eeuw boeddhistisch] ligt op een eilandje in het water. Je kunt er goeddeels omheen lopen onder grote bomen. In de schrijn in het water kun je vaag een fonteinhoofd onderscheiden, waarvan alleen de met bladgoud beplakte tong opvalt. Een vernuftig irrigatiesysteem en wateropslagplaats, gecombineerd met boeddhistische symboliek. Er loopt geen mens meer. Afgezien van een telefonerende monnik.

Bij de laatste tempel, Preah Khan, [eind 12eeuw] wacht Balil aan de andere kant. We kunnen er helemaal om- en doorheen lopen naar de andere uitgang, een goeie kilometer ver.

We zijn amper vijf minuten op pad of het begint te hózen. In no time staat overal 10 centimeter water. Het gutst en gorgelt om ons heen. We schuilen een poosje voor we het erop wagen, het ziet eruit alsof het niet meer stopt vandaag en we worden koud. Deze gebouwen fungeerden als boeddhistische bibliotheek en universiteit maar veel zien we er helaas niet van, we kijken alleen naar de grond om niet te verstappen in een laag water. De door de zon verwarmde, nu drijfnatte stenen van de weg dampen een aardse lucht die zich mengt met de groene geur van het gebladerte van de bomen. Er is geen sterveling te bekennen, maar het bos is vol leven.

Balil heeft de zijkanten van de tuktuk laten zakken, we zitten droog in een coconnetje. Alles in de rugzak is lichtelijk nat geworden. Met de föhn droog ik op de kamer mijn schrijfblok en neem het boek bladzij voor bladzij onder handen.

‘s Avonds kopen we twee regencapes voor een hele dollar. Ik probeer er gelijk één uit. Alsof je jezelf in een vuilniszak zit te proppen. Volslagen belachelijk voel ik me, maar blijf wel droog.

Vandaag zowat 15 kilometer gelopen en geklommen. Morgen Angkor Wat…


Bron:
Ancient Angkor © 2013, Michael Freeman & Claude Jacques, River Books Ltd, Bangkok.
Wikipedia en diverse andere websites als tripadvisor, lonely planet, azië-expert.