Doodeng, spannend, zenuwachtig. Ook wel nieuwsgierig, maar…. doodeng. Waar ben ik in hemelsnaam aan begonnen?

Ik pak mijn spullen en app een Grab-taxi om naar het meditatiecentrum te gaan waar ik een paar dagen ‘geboekt’ heb. Binnen 5 minuten staat de auto voor de deur.

Bij het Boon Kanjanaram Meditation Center aangekomen, brengt een behulpzame dame me naar mijn kuti (hutje op palen). Ik eet een minibanaantje wat ik van een vriendelijke tandeloze keuken-non kreeg. Wat zal ik eens gaan doen? Bizar genoeg is het de bedoeling dat ik niets ga doen.

Het bed is zoals verwacht een dunne harde matras op een houten plank, een badstoffen deken en gelukkig wel een kussen. De horren in de deuren hebben genoeg gaten om het nodige ongedierte binnen te laten, de eerste tjiktjak valt al op de vloer wanneer ik de achterdeur opendoe. De kuti is overdekt met een prachtig wijdvertakt bladerdak van twee enorme bomen die links en rechts van het huisje staan.

Het eerste wat ik moet afleren is overal foto’s van te willen maken. Alles te willen vereeuwigen. Maar in het heden, het hier en nu te zijn, enkel te zijn. Ik ben nog niet ‘officieel’ begonnen dus doe ik het toch. Daarna gaat mijn mobiel uit.

Ik loop een klein rondje over het terrein, zie niemand. Mannen- en vrouwengedeelten zijn gescheiden. Op het hele terrein is ook geen wat te bekennen, die staat een eindje terug aan de straat, Wat Bunkanchanaram.

Khun Gor (Mister Gor) komt me halen. De inschrijving heeft niet veel om het lijf: paspoort laten zien en mijn naam in het grote boek schrijven. Khun Gor is de beheerder, maar geen monnik.

Hij brengt me naar Monk Mark, Australiër van origine. Deze legt me de Vipassana meditatietechniek uit: het mindful beleven van de vier pijlers: lichaam, gevoel, denken en de geest/ziel.

‘Te beginnen met bewust beleven van vier lichaamshoudingen. Zittend, staand, liggend of lopend. Niet ‘ík zit’ maar ‘zithouding, zittend’. Hoe weet je dat je staat? Omdat je voeten druk uitoefenen op de vloer. Verder niets. Geen sensaties of andere gevoelens. Je aandacht dwaalt af? Je brengt hem weer terug naar ‘staand’. Enzovoorts.’

‘Van houding veranderen als je lijf ongemak ervaart, stijf wordt. Zonder voorkeur voor één houding. Steeds weer je focus terugbrengen naar je huidige houding. Op deze manier ben je aandachtig in het heden. Met diezelfde aandacht ook de dagelijkse bezigheden uitvoeren, jezelf verzorgen, eten, naar de wc gaan. En dan weer terug naar zittend, staand, liggend of lopend. Je eet omdat honger een ongemakkelijke houding is. Je gaat naar de wc omdat hoge nood een ongemak betekent. Zo word je je bewust van wát je wáárom doet.’

‘Je hoort een vogelstjirp en op het moment dat je je dat bedenkt is het geluid alweer weg. Niet vasthouden aan de gedachte. Als je vasthoudt, vastklampt aan een gedachte, wordt het van belang, terwijl de gedachte in het verleden (of toekomst) ligt en niet in het heden. Afstand creëren. Het bemerken dat je iets denkt, brengt je alweer in het heden.’

Oké, dat snap ik.

Monk Mark gaat verder: ‘je kunt het je brein niet kwalijk nemen dat het denkt, maalt. Het zijn slechts gedachten, daar kunnen ze nix aan doen.’
En toch is dat steeds wat er bij mij gebeurt en wat ik mijzelf altijd kwalijk neem.
‘De enige die je daarvan kan bevrijden, ben je zelf. Je kunt telkens bewust terugkeren naar het hier en nu.’

Het idee dat ik zou kunnen leren verdriet, boosheid, gemis, rouw of heimwee los te laten. Dat ga ik bloedserieus proberen.

Maar dan het lastigste: het oefenen gaat geheel op jezelf. Geen lessen, geen begeleide meditaties. Monk Mark zegt: ‘zie het als een kleine vakantie, waarin je niets anders hoeft te doen dan te zitten, staan, liggen of lopen.’

Een vakantie van mijn denken, mijn gevoel? Ik ga het zien.

…later die middag.

Ik krijg er vooral hoofdpijn van. Van alleen maar in het hier en nu te zijn, alleen maar te ‘zijn’. Geluiden te horen zonder er een label aan te plakken, het windje van de fan te voelen zonder er ‘brrrr’ bij te denken. Liggen en zitten gaan me goed af, maar lopen en staan zijn lastig. Ik wil ergens heen lopen, niet sufweg rondjes om de kuti of over het niet zo grote terrein. Dat ‘willen’ zit in mijn gedachten en die moet ik dus ‘ont-willen’.

Staan, het liefst voor een blinde muur, verveelt. Staand op de veranda en kijkend naar de eekhoorns, ben ik bezig met kijken en niet met staan. Ik tel mijn stappen als ik rondjes over de veranda rond de kuti loop. Rondje na rondje, het is maar een klein huisje. Bezig met tellen, niet met lopen.

Er is niemand die me beoordeelt of ik het wel goed doe. Alleen ikzelf. En ik vind het moeilijk mezelf niet te veroordelen. Ik denk, maar ik ben mijn gedachten niet. Er niet aan vasthouden. Dat lijkt me een goed grondbeginsel voor mijzelf.

En als die tijd zie ik geen mens. Ik dacht nu toch wel gewend te zijn aan ‘alleen zijn’, maar dit is toch wel heel, heel eenzaam.

Als de schemer valt, barst het krekelkoor los, om een half uur later als de lucht een koningsblauwe kleur heeft aangenomen weer stil te vallen.
Ik hoor > terug naar: zittend, nu, hier.
Ik zie > terug naar: zittend, nu, hier.
Tik-tak-tik-tak, als een pingpong balletje.

Het is eigenlijk nog te vroeg om te gaan slapen, hoewel ik al bekaf ben van het continue mezelf als een toeschouwer te bekijken: zittend – liggend – staand – lopend. Nu, hier, op dit moment.

Geloof niet dat ik het laat maak vandaag.

-wordt vervolgd-
20180524_125818