Op de dag van de arbeid wordt er niet gearbeid. We gaan naar Koh Larn. Met de vriendelijke brommertaxi’s uit de straat racen we naar de pier, waar we met de meute mee schuifelen richting de veerboten. Achter de hordes Chinezen aan met hun parasolletjes en handdoeken van de hotels, die op hun beurt achter een gids met een vlaggetje aanlopen. De selfiesticks worden druk gebruikt, ik wil niet weten op hoeveel foto’s we ongewild terecht zijn gekomen. Wat moet het heerlijk zijn zoveel zelfvertrouwen te hebben en je eigen gezicht bij elke stap vereeuwigd te willen zien.

De boot boemelt in 50 minuten naar het eiland waar de Chinezen allemaal in de vreetschuren gedropt worden. Wij maken ons zo snel mogelijk uit de voeten, weg uit de mensenmassa.

Ik heb me stoer voorgenomen naar de kleine Wat te klimmen. Het eerste stuk is zogenaamd het steilst, daarna stijgt de weg licht en hoef je je alleen zorgen te maken om de roodverbrande farang die, op teenslippers en slechts gehuld in zwemkleding, op brommers over de slechte weg scheuren.

Hogerop wordt het rustiger. Het is benauwd, we lopen zoveel mogelijk in de schaduw. Er is me koffie beloofd bij de Grote Boze Monnik. Denk ik die koffie al te ruiken…blijkt dat een fata morgana te zijn. Het hutje is gesloten. We drinken een flesje water leeg en dan gaat de tocht verder.

Een zonnehoed is enerzijds een zegen, anderzijds een vloek. Je hebt dan wel minder zon in je ogen en op je nek, je hoofd voelt echter aan als een snelkookpan. Zodra er wat schaduw is, gooi ik hem af om mijn hoofd en haar te laten luchten en gebruik ik het ding als waaier om een zuchtje, een vleugje tocht te wapperen.

We gaan boven eerst Kwan Yin* gedag zeggen. Er staat een beetje wind om af te koelen terwijl je van het uitzicht geniet. Mooie vreedzame plek, wakend over het water staat ze daar in alle rust.

Ik haal een paar keer diep adem bij het bord: ‘sacred well and buddha’s footprint – two-hundred fivty steps’. Leuk, die spelfout. Tweehonderdvijftig treden van elk gemiddeld 30 centimeter hoog en in verschillende stadia van ontbinding, loodrecht naar boven… minder grappig. Ik moet mezelf even streng toespreken. Kom op.

Over elke trede doe ik twee stappen, ze zijn te hoog voor me om in één keer door te lopen. Ik tel tien stappen per keer, gevolgd door een minuutje om uit te blazen en mijn hartslag naar beneden te krijgen. De druk in genoemde snelkookpan stijgt, ik zie vlekken en sterretjes als ik eindelijk boven bij het tempeltje ben.

Het duurt iets langer dan een minuutje voor ik op mijn gemak rustig rond kan kijken. Het uitzicht is ook hier blauw, eindeloos blauw boven het groen. We zijn hier alleen in het gezelschap van vogels en vlinders, stilte alom.

In de zorgvuldig ingerichte schrijn zitten verschillende boeddha’s, waaronder een ‘emerald buddha’, een kopie van die in de Wat Phra Kaew in Bangkok.

De sacred well en de footprints zijn nog eens 50 meter verder omhoog door de bosjes. Ik geloof het wel. Als ik zeker weet dat de bibbers uit mijn benen zijn, geef ik nog drie zachte slagen met de bamboe stok op de bel waarna we voorzichjes de terugtocht aanvaarden, stap-stap voor stap-stap.

Onder aan de trap vissen we een paar nieuwe flesjes water uit de koelkist en rusten een poos in de schaduw uit. Mooie vogels hebben ze hier.

Ik zoek het toilet op voordat we verder gaan. Die wc’s gaan nooit op slot al zitten er drie verroeste schuifslotjes op. Hier zijn het hurktoiletten, redelijk schoon want er wordt bijna geen gebruik van gemaakt. Naast zo’n porseleinen hurkplateau bevindt zich een gemetseld bassin, van buiten en soms ook binnenin betegeld. Op de rand van dat reservoir staan plastic mini-afwasteiltjes waarmee je de wc-bak doorspoelt. Werkt altijd. Papier gooi je in een afvalemmer.

Na dit sanitaire intermezzo gaat de weg bergafwaarts een stuk sneller dan naar boven, dat kan ik je wel vertellen. Stoep op en stoep af om de groepen fotograferende en selfieënde vakantiegangers te ontwijken en uitkijken voor slalommende toeristen op scootertjes.

Op het strand banen we ons als Mozes door de Rode Zee met het nodige ellebogenwerk een weg naar een rustig restaurant. Helemaal op het eind van het strand-trottoir kunnen we wat eten, onze vochttekorten met cola aanvullen en ontspannen.

Aldus aangesterkt sloffen we terug richting boot. Die natuurlijk pas een uur later zal vertrekken, tant pis, het bankje zit goed genoeg. We amuseren ons kostelijk met het kijken naar het gekkenhuis in de baai. De bananen met vijf gillende mensen erop achter een waterscooter, de buitenlanders die onwennig op jetski’s over de golven klotsen en ondertussen, je raadt het al, selfies proberen te maken terwijl ze zowat in het water flikkeren. Humor.

Na de overtocht keren we behouden met de brommertaxi weer thuis en krijg ik dat kopje thee met een koekje wat ik mezelf beloofd had, als schouderklopje voor de geleverde prestatie.

 


*) Guanyin, bodhisattva Avalokiteśvara, de godin van troost en genade, godin van mededogen en de zee.