Heel Frankrijk zit in woelig weer. In Goudargues hebben we het wel gezien, de météo apps zien vooral “ons” puntje aan de Côte d’Azur als het meest steady zonnetje. Afgezien van zondag, maar dat denken we nog wel aan te kunnen. Ik hoest me suf en voel me hondsberoerd, ben volledig stemloos. Lekker stil, alleen doodsaai. Ik wil weg.

Als ik die morgen wakker word, luister ik om 7 uur eerst nog één keertje aandachtig naar de klokken. 2x 7, 3x 3 en 1x 9 laag. Die zal ik missen, steeds dat beetje muziek dat de dag ritme geeft.

Het is amper 12 graden als we opstaan. Nogal warrig gooien we alles in de auto en aanhanger. We stoppen langs de apotheek voor hoestdrank en dan zijn we weg.

Waar Tomstom ons nú weer heen stuurt? Via een krankjorume route met achteraf kronkels, dwars door totaal onbekende nieuwbouwdorpjes en langs een soort waterkrachtinstallatie in een uiterwaard van de Rhône komen we in Orange op de A7. Vast de kortste weg maar of het ook snèller was, dat betwijfelen we.

De snelweg is rustig. Het wordt steeds warmer, de lucht is heel helder. De Pré-Alpes liggen links voor ons in de verre verte, wat vette wolkenformaties in wit en grijs erboven. Zo ver kunnen we niet vaak kijken. Rechts van ons, richting Marseille is de lucht strakblauw.

Gijs rijdt kalm en vlot door. Bij Le Luc slingeren we via La Garde Freinet tussen de kurkeiken, parasoldennen en wijnvelden naar de kust. Flink aanpoten voor ons ezeltje, dat steeds rauwer gaat klinken maar stoer volhoudt.

Op de camping bezetten we een grote plek op het onderste rijtje. Het miegelt van de mini-zwarte-steekmugjes, we zepen ons goed in. Het mag helaas niet baten: aan het eind van de avond zijn mijn benen systematisch voorzien van tientallen jeukende muggenbulten.

Het waait

Laat in de middag gaan we naar de haven voor een “ijsje”, hoegenaamd om de keel te smeren. Eén bol, merengue-caramel. Hoezo zoet. Zelfs in de schaduw smelt de boule á la minute. Daarna kleven we. Stukkie lopen langs de boulevard. Daar begint het al harder te stormen, de vlaggen staan strak landinwaarts. Strand is er praktisch niet. We lopen tot het end van “ons” Waipiti -dat nu Bellini heet- strandje waarna we rechtsomkeert maken. Wij worden zoetjesaan gezandstraald. Parkeren in de haven is altijd grappig. Waar anders dan aan de Côte d’Azur vind je de combi Porsche-Dyane-Eend? Boven op de camping spoel ik mijn bril, wazig van zout en zand, met veel water af. Mijn gezicht is direct gescrubd. Lekker. En morgen? Dat zien we dan wel weer.

Het regent

Het koelt níets af, integendeel het wordt stikbenauwd met een miezer die langzaam overgaat in constante regen die de komende uren zal aanhouden. Geen stuivende stortbuien maar genoeg om riviertjes over de straatjes te laten lopen.

Tegen het end van de middag ben ik doodverveeld en uitgelezen. Ravi heeft de hele dag voor de kachel gezeten om na zijn eerste rondje op te drogen. Niet dat we die kachel voor de warmte nodig hebben, de buitentemperatuur is nauwelijks gezakt. We maken een tochtje, weg van de buien, richting Le Lavandou. Mistroostige haventjes, de reddingspost gesloten, druipende palmen en kleurige parapluutjes: één natte bende. Op de terugweg scheurt de bewolking uiteen, een schouwspel tussen licht en donker boven het water dat ons betovert. De camping ligt in de nevel die zijn lading algauw spetterend over de tent uitstort. We troosten ons met de vooruitzichten van Météo France, het ergste is achter de rug.

Als ik er ’s nachts uit moet is het superhelder. Geen wolkje aan de lucht, des te meer sterren. Schitterende fonkelsterren.

Het waait – hard

Toch een heel ander gezicht, de haven met zo’n strakblauwe lucht. De felle windhozen komen uit de totaal andere hoek, je ziet het aan de vlaggen. Alles wat niet vast zit wordt met grof kabaal over de kade geblazen. We rijden verder naar de poterie annex biologische groentehandel. Wat we 20 jaar geleden met Casper konden, kan ook met Ravi.

’s Nachts buldert de storm de heuvel af. Af en toe is het alsof de tent, met mij in bed en al erin, opstijgt en meegenomen wordt in het gedwarrel en gedraai -als op woeste golven- van de razende storm. Pas tegen 2en neemt de wind eindelijk af. Poeh, dat scheelt een heleboel geluid!

Eindelijk stil

We lopen een rondje naar boven over de camping, ik maak fotoos vanaf “onze” plek 158. Vanaf nu spreken we niet meer over de teloorgang van het kampeerterrein en de opkomst van het bungalowpark. Het is nou eenmaal zo. Kijk dan, dat uitzicht onder “onze” kurkeik door. Een grote roofvogel (vermoedelijk een circaète, slangenarend, die zitten hier veel) scheert over het bos naar de top van de heuvel, de zee in de verte ligt er blakerend bij. Blauw, intens blauw is mijn uitzicht naar boven bij het zwembad. Het is er druk, met ouwe mensen en babbelkousen aan de rand.

Om 8 uur is het donker, de zwijnen komen tevoorschijn. Er wordt volop geblaft op de camping, Ravi als laatste. Het is weer eens wat anders dan een olifant…

Wordt vervolgd!


Drie volle reisdagen, met een ziek hoofd en in de bloedhitte, zo lang zijn we onderweg om uiteindelijk, wat een verrassing (niet!) in Goudargues te stranden. Reis- en keeltabletten en paracetamol hebben me op de been gehouden. Tenslotte staat de boel, een douche is dichtbij en het is superrustig op de camping. De kerkklokken galmen zoals het hoort. Daar kwamen we voor.

Tijd voor een eerste reisverhaal. En mocht je halverwege denken, dit verhaal kennen we nou wel: dat klopt. Het is niets anders dan een variatie op een thema.

Een ontmoeting

De route begon wat gecompliceerder dan normaal door de werkzaamheden op de A10 bij de Zeeburgertunnel en de A2 bij Utrecht, nu gaan we over Alkmaar, A9 en voort naar Rotterdam. Een motorrijder met een leren franjejack komt voor ons rijden met een uitgestoken duim omhoog.

In 2 uur tijd, da’s best vlot in die drukte, zijn we bij Hazeldonk waar we koffiedrinken. Een baardig type, in leren jack, komt op ons af: “Ik heb een brutale vraag!” roept-ie al van verre. Ik zeg: “Ah, u bent die man van dat duimpje!” Dat wordt beaamd. Hij vertelt: “Ik heb een eend gehad, en ik weet dat eendrijders altijd de kofferbak vol gereedschap hebben liggen. Heeft u dat ook?” Haha, ja, dat hebben we. Hij had ons de parking op zien draaien en had gedacht: “Die moet ik hebben.” Zijn versnellingspook/pedaal zit los, die moet aangedraaid worden. Hebben wij een baco bij ons? Ja, natuurlijk. De kofferbak wordt leeg gehaald. Tent, picknicktas, onderwegtas en computertas belanden op de grond achter de Dyane. Het vloertje gaat omhoog en daar verschijnt de schat-gereedschapskist. De man ligt dubbel: “Je hebt zelfs een momentsleutel bij je!” Tja, je zult maar een lekke band hebben, dan kun je met dat grote apparaat simpel de wielmoeren losdraaien om de band te vervangen. Logisch toch?

De man loopt naar zijn motor en komt enkele minuten later met kompaan, eveneens op een motor, de baco terugbrengen. Vanzelfsprekend volgt een levendig gesprek over Dyanes, eenden, -clubs, -meetings en oja, wat een geinig karretje hebben jullie. Deze mannen reizen met één duffelbag achterop waar tent, matje, slaapzak en zelfs de tandenborstel in zitten. Ze verwachten dat ons aanhangertje minstens een vouwwagen herbergt. Ze zijn niet de eersten en enigen die dat denken, maar nee, tent zit in de auto. Wat slepen we dán in vredesnaam allemaal mee? We lachen er samen om.

Hoewel het heel gezellig is, vind ik het na een uur toch tijd worden om op te stappen, wij willen vandaag tenslotte nog een endje verder zien te komen. Hartelijk nemen we afscheid. “Wie weet, tot ziens op een meeting, misschien de Internationale 2CV Meeting in 2027 in Nederland?” Wie weet.

Wat we zien

In Noord-Frankrijk is de drukkende lucht bespikkeld met laag-scherende zwaluwtjes die zich tegoed doen aan een feestmaal van onweersbeestjes. Hoog boven het landschap zwalkt een roofvogel door het zwerk op zoek naar grotere prooi; de rijgdraden die door het panorama golven, lijken wel bezet met kraaltjes, zo hebben hele spreeuwenkolonies zich erop verzameld.

Ons ezeltje kachelt op zijn gemak de lange hellingen op, de nieuwe Jumbo huppelt vrolijk mee. Op de horizon is een tractortje op de vlucht voor een grote stofwolk.

Binnendoor rijden we, van Châlons naar Châlon, van de Champagne naar de Bourgogne, van durrepie naar durrepie, dat lijkt ons nou grappig. Het wordt een superrit, mooie landschappen, ouderwetse vakwerkhuisjes, zelfs een vakwerkkerkje. Een Engels kaboutercaravannetje bij een stopplek. Weelderige rozenstruiken sieren met hun tomeloze uitbundigheid de tuinen en bermen. Verderop laten topzware zonnebloemen het moede hoofd hangen, uitgebloeid.

Bij het eerste opsekoppe naambordje denk je: plaatselijke mafketels. Als we zien dat bijna elk gehucht het naambord heeft omgedraaid, is de vergelijking met de omgekeerde Nederlandse vlaggen, die nog steeds her en der fanatiek langs de weilanden staan, gauw gemaakt. Ook in Frankrijk protesteren de boeren tegen het landbouwbeleid.

De laatste dag is een péageroute om kilometers te maken. Nee, geen foto’s van Signe Infini en Musée des Confluences (waarbij ik altijd bedenk dat dit het werk is van een crazy geniale architect. Wie verzínt nou zoiets?). Daar heb ik er al teveel van. Nu alleen op mijn gemak reizen en kijken zonder steeds een camera voor m’n hoofd. We zweten ons suf maar gaan stug door en trotseren de hitte van driebaans asfalt.

De wijnranken langs de Rhône kleuren voorzichtig geel, de berken laten hun eerste blaadjes vallen. De herfst is in aantocht.

 

 

 

 

Op Camping La Grenouille, Goudargues

Na drie dagen in de hitte en motorlawaai zijn onze verkouden hoofden aan rust toe en Ravi aan een borstelbeurt. Na de koffie lopen we een rondje dorp. Langs het stroompje is het een gewemel van kleine zwart-gevleugelde libelletjes (bosbeekjuffers), kleurige vlindertjes en grote zwart-geel gestreepte libellen.

De rest van de middag regent het en zitten we noodgedwongen binnen. Dat zal de komende tijd zo blijven helaas.

De markt op woensdag bezoeken we in rap tempo tussen de druppels door. Een kopje koffie op het terras, mensen kijken en een langsrijdende Dyane kieken. Je ziet aan die foto hoe vochtig het is, de lens beslaat direct. Vijf minuten later komt de volgende bui naar beneden. Tijd voor nog meer koffie, een merengue en een puzzeltje.

 

 

 

 

Een rondje oldtimers

De volgende ochtend: regen. Pas als het opklaart loop ik even door het dorp om door de geijkte winkeltjes te snuffelen. Daarbuiten is meer te zien. Die snoek op de aanhanger naast de camping staat er nog steeds. Al jaren, zo zonde. Die autootjes blijven fotogeniek.

We hebben het hier wel bekeken, morgen inpakken en wegwezen. Op naar de zon?

Wordt vervolgd…


“Wat doe ik hier,” dacht hij terwijl hij zich door het krankzinnige verkeer van Pattaya een weg baande. “Ik moet hier weg, weg uit dit gekkenhuis! Ik ga het gewoon doen!”

Gijs was voor een paar weken in Thailand voor zijn werk; het project verliep zo voorspoedig dat hij zou het weekend vrij zou zijn. Twee lange dagen lagen voor hem. Wat kon hij verzinnen om Pattaya te ontvluchten? Kamperen? In Thailand?

Zo gedacht, zo gedaan. Voor gek verklaard -deels uit bewondering, deels uit afgunst- door vrouwlief toog hij naar de Decathlon voor een tentje, een slaapmatje, slaapzak, lampje en een haringhamer. De klantenpas werd gescand en geaccepteerd, of je nu in Alkmaar, Toulon of Pattaya bent. Hij was er klaar voor, het avontuur kon beginnen.

Zaterdagmorgen werd alles in de Vios gemikt en na een rit van drie uur, met onderweg een koffiestop, kwam hij aan in Khao Yai National Park. Vanaf de ingang van het park moest hij nog een halfuurtje verder slingeren tot Lam Ta Khong campground, wat een heuse camping bleek te zijn, met sanitair, een winkeltje en een restaurantje. Net echt. Tijd voor een welverdiend Singhabiertje nu dat nog koel was.

De camping lag op zo’n 700 meter hoogte, waardoor de temperatuur een stuk beter uit te houden was dan in die vieze stad aan zee. Bewolkt, vochtig, met af en toe een bui maar niet koud. Het wemelde er van het wildlife, felgekleurde vlinders, apen die rond de tenten brutaal naar eten zochten, schooiende herten die iets bescheidener waren en het gekrakeel van krekels en kikkers wat de hele nacht zou doorgaan. Al wist Gijs dat ’s middags nog niet. Bij het restaurantje kon hij schuilen voor de regen, onderwijl kijkend naar de dieren die kwamen scheumen. Met een beker koffie erbij tussen de Thai wachten tot de bui over zou zijn.

Eenmaal droog ging hij op pad voor een wandeling door het regenwoud. Rugzak om, voldoende water mee en een hoed op tegen zon en/of regen. Een waterval, een wankel bamboe hangbruggetje, kilometerhoge bomen (te hoog om op de foto te passen) en dat alles onder begeleiding van de cirkelzagende herrie der insecten.

Terug op de camping hadden de herten plaats gemaakt voor… een olifant. Weer eens wat anders dan een vos of everzwijn naast je tent. Beetje groter vooral. Met enige moeite werd het dier door de rangers en hun 4×4 teruggedreven het bos in wat een boel sensatie leverde voor het toegestroomde publiek.

Aan het eind van de middag trokken groepen en families uit Bangkok en omstreken op hun brommertjes naar de camping. Uit het winkeltje werden zakken met ijsklontjes tevoorschijn getoverd die in de meegebrachte styrofoam isoleerbox werden leeggekieperd. Blikjes erin en de avondvullende picknick kon beginnen. Gijs was op een idee gebracht en haalde ook zo’n zak, dan bleven zijn biertjes wat langer fris. (volgende keer koelbox mee!)

Uit pure arremoe zat hij de rest van de avond op de bumper van de auto onder de kofferklep, te koekeloeren naar de lichtjes bij het restaurantje en de tentjes. Een stoeltje had hij niet bij zich. (volgende keer stoeltje mee!) Dan maar vroeg naar bed. Te vroeg, het was nog stervensbenauwd in de tent en die kikkers bleven maar doorgaan…

Zondagmorgen was het droog, de zon scheen zelfs een beetje zodat de tent kon drogen. Na een karig ontbijt met een meegebracht yoghurtje en fruit was de boel snel ingepakt en werd ontdekkingsreis door het park met de auto vervolgd. Een grote waterval donderde van grote hoogte de berg af, het voetpad in een modderstroom veranderend. Glibberend en glijdend klauterde Gijs de lange trappen af naar beneden waar de kracht van al dat water pas echt duidelijk werd. Naar boven was een nog zwaardere onderneming, de treden onwijs steil, terwijl de temperatuur evenredig opliep.

Dankbaar gebruik makend van de airco in de auto koerste hij tenslotte naar het hoogste punt van het park, 1290 meter. Mooi uitzicht over het park en lekkere temperatuur. Helaas zat daarmee het weekend er bijna op.

Drie-en-een-half uur later kwam het gekkenhuis weer in zicht, een geweldig avontuur kwam ten eind. De doos met kampeerspullen is achtergebleven op de fabriek, bij een volgende bezoek kan deze zo van de stelling worden gehaald!


*) foto’s © Gijs. Veel ervan zijn frames gehaald uit verschillende whatsapp filmpjes, dus niet al te scherp.

Cavalaire sur Mer

En zo sta je dan gewoon weer op je oude camping. Niet veranderlijker dan de mens. Of is het: de mens is niet te veranderen? Vol stellige overtuiging hadden we besloten: “Het boek is uit, we slaan het definitief dicht. We zoeken een ander boek om te reizen.”

En toch. Zeg nooit nooit.

Dit jaar pakken we een nieuwere editie van het boek Cros de Mouton erbij, een volgend hoofdstuk wordt opengeslagen. We gaan nu de sfeer proeven van het oudste kampeergedeelte, helemaal beneden, plek 38 waar de everzwijnen onderlangs in de greppel ’s avonds rondstruinen. Waar je geen uitzicht hebt maar onder de oude bomen staat en dus veel schaduw hebt. Waar vogels in soorten en maten kwinkeleren.

Ofschoon het bewolkt is, is het niet koud, we gaan de volgende morgen het dorp en de haven verkennen. Op zondag. In voorseizoen. Geen donder aan. En ‘ons’ pannenkoekenhuis (foto 2015) is wag (foto 2024). Wel mooi zijn die wolkenluchten, die langzaam de campingberg afdalen.

Er is een reden

Een reden dat we al die jaren zo ver reden. Nieuwe wandelschoenen aan en lopen. Bij Gigaro het Sentier du Littoral op, als een klipgeit langs smalle paadjes, diepe treden en hoge boomwortels, tot voorbij de welbekende bomen. Blauw kan altijd blauwer. Dat is de reden dat we zo ver reden.

Bij die bomen komen de wortels steeds hoger te liggen. Dubbelgoed uitkijken dat ik er niet achter blijf haken. Nog een stukje stijgen tot we bij de brandgang zijn waar we op een boomstam in de schaduw uitrusten en afkoelen. Het windje maakt het behaaglijk. Terug bij de auto heb ik net geen 10.000 stappen gehaald, het leken er meer.

’s Avonds eten we in het restaurant van de camping, comme d’habitude.

L’Eau Blanche

De klim naar boven valt me alles mee, maar ja, het is nu veel koeler dan wanneer we dit mid-zomer deden. Na een half uur zijn we al op de splitsing waar de zon tussen de sluiers achter de heuvels verdwijnt. We slaan linksaf, tot boven de camping. Ravi gaat los, leeft zich lekker uit. De stenen glinsteren, het zand fonkelt. Een familie wilde zwijnen dendert knorrend naast ons in het struikgewas naar beneden. Terugrijdend is de hemel rozepaarsblauw.
Bij de tent wacht Ravi’s borstel…

3e ronde

Auto geparkeerd voor de tunnel naar Hameau du Dattier en van daaruit gelopen naar Domaine du Rayol. Ik herinnerde me langs dat pad een huis met een pigeonnier, duiventoren. Die was er niet. Er waren wel heel veel fietsers, die ik me juist niet herinnerde. Hoe graag ik de botanische tuinen ook in gewild had, een hond, groot, klein, aangelijnd of in een rugzak, mag absoluut niet naar binnen. We lopen dezelfde weg weerom, met uitzicht op Maison Fonçin.

Ronde 4.

Na de tocht van vanmorgen volgt een eenzaam zonnig middagje aan het zwembad (ik) en tent (Gijs en Ravi). Net als eergisteren gaan we na het eten de berg op, Crète de Pradels. Dit keer gaan we bovenaan naar rechts, tot boven het vliegveldje van La Môle. Birdnet vindt een nachtegaal, we horen hem maar zien hem niet. De wind trekt aan, het wordt kouder. Gauw naar beneden.

De laatste vakantiedag

’s Avonds eten we met zijn vieren crèpes bij Crèperie Senequier. Zoals gezegd bestaat ‘onze’ Crèperie Bretonne niet meer. Het restaurant waar we 30 jaar geleden voor het eerst en daarna iedere zomervakantie samen pannenkoeken aten. 30 Jaar vrienden, de Meesjes en wij; wat ooit begon met de uitwisseling van een Telegraaf op Cros de Mouton, groeide uit tot levenslang…

In weerwil van de laaghangende mist blijft het droog. De buren, of eigenlijk de halve camping, kijkt naar voetbal. Wij gaan bijtijds naar bed, morgen lange rit voor de boeg.

Terugreis

Alles is gortdroog, inpakken gaat vlot. Uitgezwaaid door onze vrienden vertrekken we. Au revoir!

Net buiten Cavalaire, daar waar we vroeger in de file stonden vanwege de markt in La Croix Valmer, loopt er aan de linkerkant van de weg doodgemoedereerd een wild zwijn. ‘t Is eens wat anders. Boven op de berg, na La Garde Freinet op het kale Plaine des Maures, gonst het -eindelijk- van de cigales. En eenmaal op de snelweg kijken we neer op de dorpjes en wegen die we met de Dyane zo graag doorkruisen. Zo heeft alles z’n voor en z’n tegen.

Het achterland is veel groener dan de geel-verdorde kuststreek. Het enige geel hier komt van de bermbremmen. Soms een paarse zweem tussen het groen van een lavendelveld in de verte. Wolkenflarden dampen op tussen de heuvels. De andere kant van de weg, zuidwaarts, is totaal ingeblikt. Zwarte zaterdag, half juni?

En het zal zo druk blijven. Ook onze kant wordt niet gespaard. Vertraging hier, werkzaamheden daar. Bij Lyon volgen we de omleidingsroute van Tom omdat de stad volgens de borden vast staat. Een miljoen korte op- en afritjes, krappe invoegers en motorren die ons graag al omkijkend een duimpje willen geven op een plek waar je nou net níet voor ons neus moet gaan hangen. Malloten.

‘Signe Infini’ voorbij Lyon. Pas na Macon wordt de weg wat rustiger. Kunstwerk bij Langres. Na Langres gauwgauw wat eten, het laatste stukje brood met kaas. Bibberend in de wind trekken we de spijkerbroeken aan.

21.15 uur bij hotel. Pfff. 12 uur in die DS is echt teveel! Er staan twee bussen, het hotel zal waarschijnlijk vol zitten. We merken er niet veel meer van.

Zondag starten we op ons dooie akkertje. De linker achterband is bijna leeg, oppompen duurt lang maar het werkt. Ondertussen loop ik met Ravi langs de rozenperkjes. De route wordt uitgezet over Luik, we zijn benieuwd.

In Luxemburg tanken, scheelt twee kwartjes per liter met de pomp in Middenmeer. Koffie bij Sprimont, vlak voor Luik. Daarna volgen we de E25 die met een lange tunnel onder de stad doorgaat niet dwars erdoorheen. Veel verkeer, maar het rijdt goed door.

Een Citroën SM komt ons bij Maastricht Aachen Airport voorbij toeteren, met zo’n zelfde luchthoorn als wij hebben. Wederzijdse duimpjes. De SM is vooral mooi omdat die glimt. Ons beige is -hoewel inmiddels iets schoner geregend- nog steeds dof van het stofzand. In de buurt van Eindhoven krijgen we in een filetje de kans om te kieken.

Godallemachtig wat is Nederland VOL! Zelfs op zondagmiddag karren we continue mannetje aan mannetje. Bij Amsterdam worden we door de Gaasperdammertunnel gedirigeerd. Dat ding is nog langer dan die onder Luik. We komen op de A1 uit voor de Zeeburgertunnel. Grappige sluiproute, die onthouden we.

Bij afslag Middenmeer volgen we B, we moeten een stukje omrijden omdat de hoofdweg door het dorp open ligt. Krautend door de polder zijn we om 16.45 THUIS!

Start: KM stand 1: 67.164. Eind: KM stand 2: 70.492. Totaal 3.328 KM gereden.


De tassen zijn uitgepakt, de wassen gewassen, de strijk gestreken. Laat ik nu eindelijk proberen onze twee weken vakantie samen te vatten. Je kent me: dat lukt niet. Hou je vast.

Op zaterdag 1 juni vertrekken we. Vroeger in het jaar dan ooit, we hopen er het beste van. Als we opstaan, plenst het. Dat belooft wat…

Onderweg is het druk of nog drukker. Vooral Brussel ligt rondom open door werkzaamheden. Bij de cirkel van Wellin rijden we op de tast. Zóveel water, brrr. Wisten wij veel dat dat slechts een voorbode zou zijn…

De herkenningstekens volgen elkaar op. Thionville. De Tol bij Toul, piepertje (tolbadge) doet het gelukkig. Langres kunstwerk. Hier zijn we op de helft van de reis. Bij het hotel in Chalon sur Saône is het droog, even later hoost het. Gijs is doornat als hij de rest van de bagage haalt.

Lekker slapen en zondag vrolijk op weg, van de drup naar de regen langs de volgende mijlpaal, Aire de Jugy.

Bij een drukke plotselinge wegversmalling hapert de versnelling. Stress! Uiteindelijk schiet-ie in zijn 3. Pfieuw. Wanneer de weg weer terug is op zijn eigen banen rijden we loeiend in zijn 3 een stukkie door. Als het minder druk is kan Gijs naar 4 schakelen. Bij een aire stoppen we. De motorkap gaat open en er wordt wat met olie gehannest terwijl ik een bakkie troost maak. We kunnen verder.

Door Lyon, dat hebben we wel eens sneller gedaan. Je mag het hele stuk vanaf ver vóór de tunnels tot ver daarna overal maar 50 of 70 en iedereen houdt zich daar braaf aan want om de 100 meter staan camera’s. Rustig de tijd om het museum te kieken. Hij sprankelt niet zoals anders. De Rhône is grauw zoals de lucht. De enige vrolijke noten zijn het goud-vonkende vuurwerk van de brem in de bermen en de ontplofte roze pruikenstruiken.

De lucht wordt al zwarter, de bliksems vliegen ons om de oren. De wolkbreuk laat niet lang op zich wachten. Na de péage poortjes na Aix-en-Provence staat de weg blank, de snoek leert zwemmen. De afrit naar Toulon staat vast, geen idee welk wegdeel we moeten volgen. De meute auto’s krioelt. Zien geen hand voor ogen. “Op het ‘te doen’ lijstje voor de DS: een snorkel!” zegt Gijs.

We hebben genoeg water gezien zou je zeggen maar pas bij afslag Ciotat zie ik een glimp van de zee. Ik heb gewonnen. Niettemin hebben we nog 79 km te gaan.

Bij aankomst líjkt de zon door te komen. De camping is ál twee dagen open, er staat één kip en een campertje. We pakken dezelfde etage als vorig jaar september. Gauw opschieten, het onweert al. Te laat, de wolk die de hele reis boven ons hoofd hing had nog een restje over. In de stromende regen ramt Gijs wat haringen in de rotsbodem, de rest van de bui wachten we in de auto af. Nee, tent opzetten in de nattigheid: niet mijn favoriet.

Camping Le Grand Bataillier, La Favière/Bormes les Mimosas

Over de camping heb ik vorig jaar al veel geschreven (zie: un-camping-comme-dantan), dat hoef ik niet te herhalen. De dagen rijgen zich aaneen met nietsnutterijen en Ravi borstelen. Een paar keer per dag moeten we zorgvuldig de grasaren, klitjes en stekels uit zijn vacht kammen. Lezen, koffie, broodje, lezen, puzzelen. Om met Sonneveld te spreken: zo heerlijk rustig jaja. ’s Avonds sluiten we de dag af met een wandelingetje over het strand. De eilanden Porquerolles en Port Cros zijn helder te zien. Verlaten zandkastelen wachten gelaten op de vloed. Voetjes in het kalme water afkoelen en onder de blauwbloeiende jacaranda’s (pallisanderbomen) een ijsje toe.

Dof geworden door de zwempartijtjes is de Snoek aan een douche toe. Gijs knutselt wat verder aan de versnellingen en vindt het verloren 8mm dopje weer terug. De nieuwgekochte doppenset overbodig.

Birdnet vindt een geelgors, een wielewaal en tijdens de wandeling door het wijnveld tegenover de camping een Europese kanarie. Eksters, duiven en Vlaamse gaaien zien we genoeg, de app gebruiken we om de onzichtbare zangertjes te leren kennen.

Bovenlangs slingerend rijden we naar Bormes les Mimosas waar we als vanouds een rondje zwerven en klimmen. Het dorp heeft de tand des tijds goed weerstaan. Al zijn de ijsjes in de loop der jaren 5x duurder geworden, het dorp zelf is niet erg ‘verpoend’ wat in zoveel kustplaatsen zo rigoureus gebeurt. Afgezien van het nieuwe autovrije plein voor de kerk, en de megaparking en wat nieuwe aanrijwegen rondom de heuvel. We lachen om Tom die ons steeds haaks linksaf de berg af wil laten donderen. Nah, geen goed plan. Niet met de DS in elk geval.

We gaan op bezoek bij onze vrienden, ‘de Meesjes’, die in een huisje zitten op ‘onze’ oude camping in Cavalaire sur Mer. We halen lekkere dingetjes voor bij de koffie bij ‘ons’ bakkertje, Léone. Bij de campingreceptie zien we niemand, we stormen gewoon door, de trap langs het restaurant op. Hijghijgpufpuf. Oja, die steile hellingen. Toch wel weer… een beetje thuis komen.

Terug in La Favière staat een antiek Renaultje 6 naast onze DS geparkeerd. Bij de crèpes op een boulevardterrasje worden we getrakteerd op respectievelijk een Ami, een Alfaatje Spider en een Mehari bij het stoplicht. Wij vinden oude autootjes leuk. Na het toetje doen we een after dinner rondje over het strand.

En van wijn houden we ook. We ontdekken de volgende dag dat de cave naast de camping open is. Wijn proeven op je nuchtere maag kan alleen in de vakantie. In het museumachtige winkeltje kopen we naast een doosje rosé en twee flessen rood nog twee potjes honing voor de buurdames. ’s Middags gaan we op bezoek bij Mireille* en Mijnheer de Vries, de hond. Mireille zegt grinnikend: “Een dégustation om 10 uur pas? Da’s hier heel normaal!”

En de volgende dag… dat wordt vervolgd in het volgende verhaal over een paar dagen. Even geduld aub.


*) Mireille was voorheen receptioniste op Cros de Mouton, ze woont nu in Grimaud. We houden nog altijd contact.

Ik heb het al eerder genoemd, in het nieuwjaarstukje van 2022. Op een basisschool in Monnickendam werk ik met een aantal kinderen uit groep 6, 7 en 8 aan de schoolkrant. Meestal meiden, een enkele keer jongens. Het worden er alleen steeds méér, iedereen lijkt wel “bij de schoolkrant” te willen. Geen wonder, orde houden is niet mijn sterkste kant dus er worden geregeld grenzen opgezocht. Vinden ze nou eenmaal leuk, soms komen ze ermee weg.

We zijn nu aan het vierde seizoen bezig, gemiddeld drie kranten per seizoen. Het kluppie dat ik nu onder mijn hoede heb draait productie als een malle, we gaan dit jaar zelfs vijf kranten halen. Ze werken warempel alvast vooruit voor de volgende editie als de huidige nog in het kopieerapparaat ligt.

De eerste groep in november 2021 heeft de naam van de krant bedacht welke in variaties met het logo van de school op de cover staat. De rest van de voorpagina wordt verder door één der kinderen ingevuld. Er wordt een voorwoord/inhoudsopgave gemaakt, een spelletjes- en/of moppenpagina, een interview, soms een enquête. Soms is er een rubriek Weetjes met over iets van het seizoen, een dier, het nieuwe schoolgebouw of wat we maar verzinnen.

Op de achterpagina probeer ik meestal een stripverhaal te krijgen. Er was een keer een geweldige cartoon over Sok-Sok en Kletskous, geschreven en getekend door twee jongens die niet voor- of achteruit te bewegen waren. Daar was ik dan weer trots op, dat ze tóch ondanks alle tegenzin iets gefabriceerd hadden.

Vooral verhalen, véél verhalen schrijven ze. Is ook het leukste onderdeel. Ik moet ervoor waken niet een hele krant met alléén maar verhalen te krijgen, dat is soms wel lastig. Een kleine greep? Een spannend spookverhaal; een verhaal over een schatkaart; eentje over een uit de hand gelopen kerstfeest waarbij de kerstboom steeds van het dak van de auto viel; een magisch boek; een magisch paard; een magische pet; Aardt de uitvinder (inderdaad: met -dt, waarom weet niemand) en dan heb ik het nog niet gehad over het vervolgverhaal over een stel omaatjes dat met hun scootmobielen de buurt onveilig maakt. Bij de meeste verhalen worden plaatjes gezocht, getekend, geknipt en geplakt.

Het gekke is: zelf een boek lezen doen ze niet. Nou ja, op school, omdat het moet. Thuis hooguit de Donald Duck. Dan is het lastig een boekverslag in de krant te krijgen, dat leek mij nou leuk. Ik blijf hameren op spel- en schrijffouten en probeer de beginselen van een bladopmaak, marges en uitlijning bij te brengen. Ze zitten op school, moeten toch wat leren dacht ik.

In elk geval kan ik enorm genieten van, en me verbazen over, hun producties, hun verbeelding, hun inspiratie. Maar waarom die verwondering? Toen ik een jaar of 6 was schreef ik immers zelf een verhaal over een potlood? Wanneer ben ik die fantasie kwijtgeraakt?

Zoonlief componeerde in de brugklas op zijn beurt een verhaal over een dag dat hij van de trap af naar boven viel, uit het raam keek en zag dat het regende omdat de mollen laag vlogen. Zijn beginfrase “Het begon allemaal…” gebruik ik nog steeds regelmatig als de Van Gaalen variant op “Er was eens….”

Eerlijk, een goeie juf zal ik nooit worden, dat is ècht een VAK. Maar ik ben stiekem wel een beetje trots. Ik hoop dat deze kinderen hun verbeeldingskracht en creativiteit hun leven lang vasthouden!


Na een chaosweek waarin NIETS ging zoals ik wilde/gepland had, staan de kampeerspullen eindelijk ongeveer bij elkaar verzameld. Ondertussen zaten we in Noord-Holland in de tuin in de zon, terwijl Zuid-Limburg een bak regen over zich heen kreeg. Weersvoorspellingen voor het weekend waren navenant. Zaterdagochtend. Overstromingen in Limburg, campings ontruimd. Dat belooft wat. De appjes van iedereen (“weet je wel dat…” “zou je wel gaan…” etc.) wrijven wat extra zout in de wonde. We gáán en zien wel waar het schip strandt. Hoe hard het regent en wat we allemaal teveel of te weinig mee hebben, er is nu niets meer aan te doen. We zijn weg!

Bij Maarheeze stoppen we bij tankstation ’t Haasje om te lunchen en om 3 uur arriveren we op de camping waar Lauren en Vince* reeds geïnstalleerd staan. Luttele minuten later zitten we aan de bubbels. Proost. Op de vakantie!

In een half uurtje staat ook onze tent, ingericht en wel. Het begint te rommelen, de spetters stellen niet zoveel voor. Als het tenslotte echt pikdonker wordt, ga ik snel even naar de wc. Te laat… Keurig gepland door buienradar dondert -letterlijk- om kwart voor 5 de hemel naar beneden. Rennend en slippend op de terugweg ben in no time doorweekt. Emmers water worden een klein halfuur lang over de tent leeg gekiept.

We gaan eten in restaurant Bergzicht waar we in Vincents auto naartoe rijden. Wachten. Veel wachten. De twee vriendelijke tieners kunnen het gewoon niet bijbenen. We hebben het gezellig en komen de tijd wel door.

Terug op de camping begint het te schemeren. Bij ‘t vallen van de nacht roept achter gindse heuvel de koekoek zacht. Vleermuizen racen door de bomen. Welterusten.

De volgende morgen. Het dal dampt. In Vijlen luiden de eerste Pinksterklokken, de camping ontwaakt. De vogels tetteren in alle talen. Volgens mijn Birdnet app zitten er mussen, merels, vinken, zwartkopjes, winterkoninkjes. We horen van alles maar zien slechts flitsen van tak naar tak hupsen.

We vertrekken naar het startpunt van de tocht in Echt, waar we worden ontvangen met koffie en vlaai. Bijkletsen met Els, collega redactielid van de club. Achterin de zaak verstaan we niets van het welkomstpraatje, maar dat mag de pret niet drukken.

Dan gaan we op pad. In Duitsland stopt een meute eenden om te tanken, wij gaan er niet voor in de rij staan. We rijden van het meest westelijke stukje Duitsland terug naar het smalste deel van Nederland. Nederland op zijn smalst is 4,8 km breed. In Susteren stoppen we bij de Sint Amelbergabasiliek, de oudste basiliek van Nederland, waar je in het voorportaal een kaarsje kunt opsteken. Het is tenslotte Pinksteren. Verder is de kerk gesloten. Het is een aardig plein waar we in alle rust wat eten.

De eerste onverharde weg zou een blubberpad zijn, die slaat Tom alvast voor ons over. We passeren een boel kleurrijke terrasjes, bezienswaardigheden en kastelen waar we allemaal niet voor stoppen. Eigenlijk zijn wij maar saaie mensen. Je ziet aan de doffe foto’s dat we niet met open dak rijden. De voorruit is soms wat mistig.

Bijzondere straatnamen komen voorbij: Gebroekweg, Steenakkerwegske, Reutjesweg, Gestraatje, Oude Maasweg (niet te verwarren met de Oude Maasweg van de Amazing Stroopwafels -die bevindt zich in het Botlekgebied bij Rotterdam) en de mafste: Weg langs het Lateraalkanaal. Jawel, die hele mondvol.

Slingerend over de Maas hebben we telkens andere eenden voor ons. Een clubgenoot staat op een kruising te fotograferen. Wie kiekt wie? Hierna volgt een stukje onverharde weg, altijd leuk hotseklotsen. Rond 3en arriveren we -helemaal in ons uppie- bij ‘t eindpunt aan de Maas. Zijn we de eersten? Geen eend te zien. Rijdt iedereen door? Geen idee. Wij prakken ons Dyaantje langs de boulevard en zetten ons op het dichtstbijzijnde terras. Met zicht op koeltorens doen we thee, koffie en nóg een puntje vlaai voordat we campingwaards keren.

Alwaar ik direct gauw ga douchen. Na een graspauze heb ik overal kriebel en jeuk, ik moet goed op teken checken. Douchemuntje voor 5 minuten, aan 3 heb ik genoeg. Zo. Lekker schoon. Schone kleren, schone haren, nu eindelijk in het zonnetje uitsudderen. Dit is het betere werk.

Een paarhonderd meter bergopwaarts ligt Restaurant Buitenlust waar we naartoe kunnen lopen. Goed eten. Veel teveel. Ravi eet mee van Gijs’ forel en mijn komkommers. Genoeglijk kouten we de avond door. In de schemer rollen we de berg af. Nog één drankje voor het licht uitgaat.

Maandagmorgen. Zon komt door, het is een stuk warmer dan gisteren. We rekken de vakantie een beetje op het terras van de camping waarna we de weg afdalen naar IJsboer Wingbergerhoeve. Dan is het toch echt tijd om afscheid te nemen. Zij steken direct door naar boven, wij rollen het dak half op en dalen af naar België om daar te tanken.

Bij Visé vinden we een tank met de goede benzine. Ook het reservetankje wordt gevuld, het scheelt dik 40 cent per liter dus dat is de moeite. We vervolgen onze kronkelroute langs de Maas, ik ben de tel kwijtgeraakt hoe vaak we dit weekend de rivier zijn overgestoken.

Tom voert ons met een vreemde tour door niet zo pittoreske nieuwbouwwijken en nog minder schilderachtige industrieterreinen van Bilzen naar een grappig bankje aan een kabbelende beek. Koffie, eitje, broodje en snelste weg naar huis opzoeken.

Na een onvrijwillige dieseldouche door een BMW die bij het optrekken zijn brandstof recht in ons gezicht niest (we volgen zijn spoor al vele kilometers en evenzovele stoplichten lang) bereiken we Nederland. Het dieselspoor zit steevast voor ons. Verder. Steeds verder. Pas bij Veldhoven lijkt het spoor op te drogen en kijk, daar staat Petje-met-Peuk(!) op de vluchtstrook van een viaduct. We toeteren hem, met enig leedvermaak, goeiedag. Nog 200 km te gaan…

Laaaange rit. Boos weer boven Utrecht, een stortbui is net overgetrokken. En dan staat de file niet dáár, noch op de A7, maar bij de ingang van ons dorp waar blijkbaar een ongeluk op de rotonde is gebeurd. Rondje extra van de zaak en 5 minuten later ligt Ravi prinsheerlijk met een kluiffie op “zijn” bank!


*) namen op verzoek gefingeerd.

Hahaha, hoe dacht ik me nog met onze Dyane ertussen te kunnen wurmen op de taxatie-dag van 20 april bij de 2CV Club? Ik krijg vriendelijk antwoord op mijn mail, dat ik me daar direct voor moet melden als die online staat. Misschien maken we kans als we in het najaar met de taxatieronde mee willen. Maar: de taxateur komt eventueel ook aan huis, al krijgen we dan niet de clubkorting.

De stoute schoenen aangetrokken en ja, na wat combineren met adressen in Noord-Holland was Jan-Erik Plettenburg zo welwillend om naar de Noordkop af te reizen. We hebben drie auto’s voor hem in de aanbieding.

Vandaag is het zover. De rode eend met karakteristiek geel dak van Bertus, medeclublid uit het dorp, staat al te trappelen. Alle details worden bekeken en onder de loep gelegd. De 5e deur, vergrote achterklep, is een aanwinst. Dan mag de brug omhoog. Met een lampje wordt de onderkant geïnspecteerd, met een tooltje wordt het profiel van de banden gemeten. Secuur worden alle gegevens ingeklopt op de tablet.

Dyaantje is als volgende aan de beurt. De procedure wordt herhaald, poeren in de banden (reserve band is nog nieuw) en met een lampje om onmogelijke hoekjes gluren. De nieuwe veerpotten, nieuwe ventilatiebuizen en de nieuwe grote benzinetank worden waarderend bekeken.

Als de brug weer gedaald is en Dyaantje eraf gerold mag onze Snoek de troon betreden. Dat is wel een ander karretje, maar de procedure is niet heel anders. Lampie hier, prikken daar, koekeloeren onder de nieuwe 5 cm dikke vloerbedekking hoe de bodemplaat eruit ziet. Als de brug omhoog staat, worden er onder de bodem een paar rabberige plekken ontdekt die enige aandacht behoeven. Bij een spatbord ontbreekt een bout. Oeps. Het valt allemaal op te lossen.

We steken de straat over om thuis, bij een kopje koffie, de uitslagen te bespreken. Bertus’ eendje krijgt zijn verdiende hoge taxatiewaarde. Ook de Dyane is in waarde gestegen. Het vorige taxatierapport van de DS vonden wij altijd al aan de veel te hoge kant, vooral gezien alle klussen die Gijs eraan moest doen. De huidige waarde klinkt ons een stuk reëler in de oren, we zijn er blij mee.

Hartelijk nemen we afscheid van Jan-Erik. Het was een leerzame en gemoedelijke middag, zonder dat we er zelf 150 kilometer voor hoefden te rijden. Vlak voordat we naar Limburg afreizen voor de volgende rit is het fijn te weten dat onze auto in orde is!


 

Onder het mom van “doe ‘es gek” gaan we “vreemd” met een tocht van de 2CV Kitcar Club. Vertrek vanuit Zaandam, dus voor ons een “bijna-thuis” rit. Het is nog frisjes maar het belooft een mooie dag te worden.

Bij aankomst in Zaandam (1) staan grote kannen koffie en thee klaar met een keur aan gevulde- of roze koeken, stroopwafels en wat dies meer zij. Leutend en teutend mengen we ons tussen de mensen, een totaal andere groep liefhebbers dan we kennen.

Als de koffie op is worden we welkom geheten door Walter, de voorzitter van de 2CV-KCC. Arthur, de organisator van deze Dammentocht vertelt wat over de route. Andere sprekers krijgen de microfoon om diverse evenementen te promoten, Christ van de 2CV Club Nederland benoemt onze rit op 1e pinksterdag in Limburg. Onderwijl loop ik stiekem een rondje foto’s te maken. Zoveel kleuren en uitvoeringen van de “zelfbouwers”: Burtons, Lomaxen (low cost, max fun) en Le Patrons, ik kijk mijn ogen uit. Er zijn er geen twee hetzelfde!

Tijd voor vertrek. Linksom en rechtsom draaien de karretjes het terrein af tot we aan de straat in een lange stoet staan opgesteld. Wij eindigen met het dak halfopen ergens in de achterhoede in de lange rij. Kitcars, twee eenden en wij, de enige Dyane.

Daar gaan we! Langs de Zaans-groene huisjes en ’t Reght Huys van Westzaan. Het is 5 mei, overal hangt de vlag uit, overal stoppen mensen om onze optocht te filmen of te fotograferen. Kinderen zwaaien, wij toeteren terug. Het is tenslotte feest. Het moet ook een grappig gezicht en gehoor zijn, al die autootjes op basis van een 2CV, al die ronkende eendenmotortjes. Ze horen ons van verre aankomen.

Langs de watertoren en de Forbofabriek, Westknollendam (2) en Fort Marken-Binnen. De groep valt door de rotondes en stoplichten wat uiteen zodat op de Zuiddijk halt wordt gehouden om de rij weer compleet te krijgen. Een tegemoet komende club antieke brommers, Kreidlers, Zundapps, Puchs walmt evenzo vrolijk met de duimpjes omhoog langs.

Verder gaan we, in ganzen-/eendenmars. Hoe anders dan anders is het om in zo’n lange sliert te toeren, je kunt niet fout rijden. Erg leuk zo voor een keertje, hoewel op deze manier steeds dezelfde voorligger op de foto staat…

We passeren het Raadhuisje van Graft. Daarna over de Glob-, Meer-, Molen- Schermer-, Drechterlandse-, Huigen- en Oostdijk. Misschien ben ik er een paar vergeten, de Schermer bestaat tenslotte grotendeels uit dijken. Wij zitten op bekend terrein, de zuiderlingen onder ons in hun open karretjes zullen de harde wind, die voor ons heel gewoon is, wel vervloeken.

Bij Obdam (3) en Schardam (4) zijn we terug bij de Dammen. Bij de molen van Etersheim, luidkeels toegelachen door honderden kikkers, stoppen we. Onze inwendige mens is aan versterking toe maar de bediening kan het amper bijbenen. Geeft nix, we wachten op onze beurt en kletsen wat. De fietser die we net gepasseerd zijn en nu eveneens op zijn koffie staat te wachten is het met me eens: Noord-Holland heeft de prachtigste plekken… mits je in het Oude Land blijft.

Na de koffie, de praatjes en de nodige foto’s husselt de file een beetje en gaan we weer van start. Fort Edam is nummer (5). Dwars langs de haven van Monnickendam (6), zwaaiend naar de terrasjesmensen. En als er iemand pech heeft, staat de hele groep stil in de verzopen bermen van Waterland.

Na Uitdam (7) en Zunderdorp bereiken we al kronkelend via Oostzaan de buitenwijken van Amsterdam-Noord (8), om tenslotte, uitgewaaid en rozig, tegen half 5 bij het startpunt in Zaandam (1) te arriveren. Fantastische route, goed georganiseerd en een avontuur om eens in colonne te rijden. Graag tot een volgende keer!


Schrijven over iets waar je eigenlijk geen kaas van gegeten hebt, is nog zo makkelijk niet. Ik heb hierbij echt hulp van Gijs nodig, bij sommige foto’s heb ik geen idee waar ik naar zit te kijken. Dan volgen er termen als “iets verrots” of “dinges” en “huppelepup vat”. Het voorgaande verhaal is dan ook dankzij Gijs tot een enigszins logisch verslag geworden. Nu maar hopen dat dat dit keer ook lukt.

Want ja, na de DS is natuurlijk de Dyane aan de beurt. Het arme beessie heeft maanden in de garage staan wachten, ingebouwd tussen de oleanders, dozen kerstverlichting en oud papier. Na het zonsondergang-testrondje met de DS maken we de volgende dag een tochtje door Twisk om te kijken wat er ook alweer moest gebeuren. Oja, dat was het. De piepende en krakende vering.

Wanneer de auto op de brug staat wordt duidelijk waar het kreunen en steunen vandaan komt: de vering ziet er bijna vergaan uit. En zie dat maar eens los te krijgen! Met de beste wil van de wereld en veel brute kracht lukt het Gijs niet om de moeren van de veerbus los te krijgen. De tangen en sleutels die hij heeft (en dat zijn er heel veel en alles dubbel) zijn niet groot genoeg om goed grip te krijgen. Speuren op internet leert dat het benodigde gereedschap wel te koop is maar dan óf prijzig óf met een levertijd van twee weken. Daar hebben we niets aan.

Gelukkig hebben we een zoon die heel handig is met de freesmachine. Gijs klopt aan bij een plaatselijk mechanisatiebedrijf voor een stuk staal. Zoonlief tekent met een slim programma de sleutels en programmeert ze in de machine, et voilà: twee steeksleutels met de goede maat rollen eruit. Schuren, spuiten en ze lijken net echt. Indrukwekkend: sleutelen om te kunnen sleutelen, met dank aan zoonlief. Voor hij zich op de moer en veerbus gaat uitleven toont Gijs me nog even waar die sleutel nou voor nodig is zodat ik een béétje een idee krijg waar we het over hebben.

Nog steeds is er brute kracht nodig maar dan komen de veringen toch los. Als ze uit elkaar gehaald zijn en alle losse onderdelen op de werkbank liggen is pas goed te zien hoe slecht ze zijn. Hier is geen redden meer aan, hier moet geld gespendeerd worden. Het glanzende staal van de nieuwe veringen is echter geen gezicht. Weer gaat Gijs met de spuitbussen aan de slag, eerst in de glanzende grondlak, daarna matte eindlak.

Nog een dag sleutelen en de Dyane zit weer in elkaar. Dat vraagt om een rondje door de verzopen polder waar kelders onder zijn gelopen en de aardappels liggen te rotten. Het Lelygemaal heeft het zwaar.