Uiteraard valt er een onweersbuitje, luttele uren voor vertrek. Evengoed hebben we de tent droog binnen, klaar voor de lange reis naar de voet van de Pyreneeën. 

De eerste reisdag voert ons onder andere door Lapalisse, een stadje dat bij oldtimerfanaten bekend staat om zijn tweejaarlijkse file, de Emboutaillage de Lapalisse waar de Zwarte Zaterdag van de jaren ’50-’70 wordt nagespeeld.

We lunchen in vulkanenland. Na Volvic kruipen we gewoon op de drukke D943 in zijn 2… ehhh, was het maar waar. Er wordt teruggeschakeld, dus stapvoets in zijn 1 kruipen we de lange berg op tot Col de Nugère, 875 meter.

We hebben de Mont Dore (of een andere, wat weet ik er nou van) lange tijd recht voor ons. In de Cantal mogen de sneeuwkettingen om. Laten we die nou net niet meehebben. Het is een geweldige rit, de lage bewolking geeft het uitzicht meer diepte, een schouwspel waar ik geen genoeg van kan krijgen. Gijs werkt zich intussen in het zweet, koud is het met 32°C niet.

Het hotel in Aurillac waar we overnachten is niet veel bijzonders. Wij vinden het allang best, zijn allemaal afgeknoedeld. Door het slingeren heb ik niet veel kunnen schrijven, de foto’s vertellen dit keer het verhaal van de vele indrukken.

Tijdens het ontbijt komt de regen met bakken uit lucht. In de auto is het is klam en kil, de ruitenwissers doen hun best. Bij de Decathlon staan de demo-tenten buiten in de blubber opgesteld.

Als het niet meer regent, rijden we in een schimmig sfeertje door sprookjeswonderland, de Vallée en de Gorges du Lot. Entraygues-sur-Truyère bestaat uit fantasy huisjes, hekken met een leien pannendakje boven de poort. Mistige flarden stomen uit het woud van Entraygues.

Vervolgens dalen we van 800 naar 200 meter, de temperatuur stijgt omgekeerd evenredig. Bij Estaing, net zo’n Eftelingdorp, steken we de Lot een paar keer over. Dit gebied onthouden we voor een volgende vakantie.

Kedeng-e-deng, kedeng-e-deng. We kruisen bij Millau tientallen spoorlijntjes die al jaren geleden zijn opgeheven. De rails roesten nutteloos in het hoge gras, de slagbomen staan uit het lood of liggen op de grond.

“We gingen naar Millau om de brug te zien,
we zagen het beroemde ding.
In nevelen gehuld,
maar we hebben ‘m gezien.”

Kijk, daar heb je die dekselse Nijhoff weer. We zwaaien de brug gedag en begeven ons verder zuidwaarts. Tussen de rotswanden door bereiken we de hoogvlakten en pakken hier de A75. Nevel en mist maken plaats voor de alomtegenwoordige brem. Op een aire met een belvédère stoppen we. Het beloofde uitzicht wordt belemmerd door hoge hekwerken; de foto’s zijn op goed geluk tussen de mazen door gekiekt.

Helaas is de rest van de route ontgoochelend. Met de wind vol in de flank gaat het voornamelijk door laagland, langs bedrijven- en industriegebieden. Naja, ik dramatiseer natuurlijk, er zijn ook dorpjes en plataanlaantjes. Maar niet veel.

Dan rijden we ineens dwars door Narbonne waar we vijf ogen nodig hebben om er heelhuids doorheen te kruisen. Twee ogen op de weg, twee op de andere weggebruikers en oja, ook een oogje houden op Tom. Het gaat. Maar niet van harte, we zijn het zat. Voor het laatste stuk pakken we de tolweg. Makkelijker gezegd dan gereden, die péage! Hier zijn harde rukwinden, we worden van links naar rechts geschud. Het is gelukkig niet al te druk.

Aan het eind van de middag bereiken we Camping Harras in Palau del Vidre. We waren van tevoren gelukkig gewaarschuwd niet eerder te komen want de campeurs en filmploeg van het tv-programma “We zijn er bijna!” hebben gisteren pas de camping verlaten. Nu kunnen we “rustig” ons tentje opzetten. Wij vinden de camping nog steeds vrij vol, we staan tussen een Engelse en een Franse caravan-enclave in en iedereen heeft een elektrische of hybride auto lijkt wel. Komen wij aan met ons herriebeessie. Dat overigens op voldoende belangstelling kan rekenen van alle nationaliteiten.

Even doorrossen, een plakkerig, zweterig klusje. Een klein uur later staat de tent en schuiven we in het restaurant aan het vaderdagdiner. Voor vegetariërs staat er werkelijk niets op de kaart, voor mij kunnen ze “chachouka” maken. De dame moet het 10x herhalen voor ik snap dat ze shakshuka bedoelt. Lekkere ratatouille, de aubergine boterzacht, met kaas en 2 eitjes. Als dessert krijgt Gijs abrikozencrumble met lavendelijs, met 2 lepeltjes. Belachelijk lekker dit.

De dagen erop doen we het rustig aan. Wat boodschappen doen, veel lezen in de schaduw, een keer de hond borstelen. Niet dat dat zin heeft: 5 minuten later graaft hij weer naar een koel plekje op de bosgrond. In de schemering horen we een gerucht in de bomen boven ons. Twee rode eekhoorns zitten elkaar achterna, hupsen met gemak van tak naar tak, zwiepend en zwaaiend.

Ik verbaas me over de oleanders, op de camping en langs de weg. Zoveel hoger en voller dan we ze kennen uit de Côte d’Azur of Ardèche. De auto’s op de camping die er toevallig onder geparkeerd staan, zijn de volgende ochtend in bruidstooi gehuld. Schattig.

Wordt vervolgd…


Bij Amsterdam is het opgehouden met zachtjes regenen. Mensenlief wat een wolkbreuk, Dyaantje en Gijs moeten hard werken. Wind, veel wind, pal tegen.

Martinus Nijhoff heeft veel op zijn geweten. Telkens als we de nieuwe Maasbrug naderen, denk ik aan die twee overzijden die elkaar leken te mijden en toch buren werden.

Verder gaat de reis, van snelweg naar snelweg, door de tunnels bij Luik die Goog en Tom nog steeds niet aangeven. We rijden via Arlon want in Luxemburg zijn de files dramatisch zo te zien en dit is een aardige route. Denk alleen niet dat je een tankstation tegenkomt. We duiken de snelweg af: de 40 liter benzine plus de 5 liter uit het tankje in de kofferbak beginnen nu wel op te raken na die steile heuvels met snoeiharde tegenwind. In Longlaville, een grensstadje, ligt een aantal benzinestations achter elkaar. We tanken spotgoedkoop (€1,56 voor E98) en als we op het bonnetje kijken zien we dat we in Luxemburg getankt hebben. Vreemd, we dachten al in Frankrijk te zitten. Hierna arriveren we met een malle omweg al om 5 uur in Metz bij ons vertrouwde hotelletje. Hallo koe…

…dag koe. Tussen Verdun en Bar-le-Duc volgen we een poos de Voie Sacrée, D1916. In WO I was Verdun aan drie kanten belegerd door de Duitsers waardoor deze weg de belangrijkste aanvoerroute voor de Fransen werd om munitie en goederen naar het slagveld te vervoeren. Na de oorlog kreeg deze route de naam “Voie Sacrée”, gewijde weg. In Bar-le-Duc klimmen we al slingerend vanaf de Maas tot bijna 300 meter. Mooie stad om te bezoeken denk ik, maar we willen dóór.

Eenmaal op de Route Touristique de Champagne zetten we de rit voort door Polisot, Polisey en Les Riceys, enkel omdat ik dat zulke karakteristieke dorpjes vind. Zodra we de Champagnestreek uit zijn, heet de weg ineens Route de Crémant, want ja, buiten de Champagne mag dezelfde wijn ineens geen Champagne meer heten. Ook al staan de stokken zij aan zij met de dure variant op dezelfde helling. Rare Gallois.

De auto houdt zich goed, al rammelt zo langzamerhand alles los door het knip- en plakwerk op het wegdek. Overal langs de wegen zien we borden met “trous en formation”, gaten in de weg. Goh, zou je denken?

Bij een stopplek turen we minutenlang naar een paar wouwen, rode of zwarte, daar wil ik vanaf zijn, die zonder één enkele vleugelslag op de thermiek hoger en hoger tot in de wolken schroeven. Wauw.

Onze eerste standplaats is Camping les Deux Rivières in La-Celle-en-Morvan. Een oude bekende. We bezetten een reusachtige plek naast het beekje, hier kunnen we de komende tijd bijkomen van de 800-nogwat kilometer in 2 x 8 uur.

De eerste dagen is het ’s nachts best fris, we zijn blij met de vesten en elektrische dekens. Zelfs het kacheltje gaat de eerste nacht aan, tegen het opkruipende vocht. Weten wij veel dat zowel de dikke vesten als de elektrische dekens en het kacheltje de rest van de vakantie alleen maar in de weg zullen liggen…

We maken om te beginnen een uitstapje naar Les Rochers du Carnaval waar we in 2020 ook waren. Feestende stenen, wat een naam voor een stel lompe rotsblokken. In dat bemoste bos, aan de rand van een vallei met weids uitzicht en tussen manshoge varens zijn de paadjes een avontuur in het klein.

Ik heb vaak gedacht dat ik een goede spiegelreflexcamera zou willen hebben, in plaats alleen met mijn mobiel foto’s te maken. Maar nee, je moet mij geen goede camera geven. Het risico is groot dat ik dan tijdens de rit elke 5 minuten wil stoppen voor het volgende fotogenieke beeld. Bijvoorbeeld in Laizy, het robuuste kerkje met een enkel rond glas-in-lood venster, glanzend tussen de klaprozen en margrietjes, een simpele korenbloem knalt er blauw tussendoor.

Koeien schuilen op een kluitje in de schaduw onder een eenzame boom in het veld. Bij alle huizen staan rozen, rozen en nog meer rozen, hoog tegen de muren of borderranden. Dubbeldikke rode en roze pioenen als uitbundige boeketten. Zoveel kleur.

Een baltsende fazant pronkt met zijn wapperende vleugels in de berm. In het struikgewas zal wel een onzichtbaar vrouwtje zitten. Met grand jetés zweeft een hert de weg over, verdwijnt als een fata morgana in het dicht-groene woud. Uit de gebarsten stam van een grijze boom macrameeën zijn dode takken zich de hemel in.

Laat in de avond komt de maan als kolossale oranje lampion langzaam tussen de nevelslierten omhoog. De lucht kleurt donkerviolet. Welterusten.

Na een zeer rustige lees-dag, wil ik iets ondernemen. Zoals gebruikelijk op het heetst van de dag (inmiddels zo’n 30°C) toeren we naar Bibracte, een andere bekende trekpleister. Bibracte ligt op een hoge heuvel in een oeroud beukenbos, waar we met de auto helemaal door naar boven kunnen rijden. Daarvandaan kunnen we kiezen uit verschillende wandelroutes langs de Romeinse opgravingen. De bewegwijzering is alleen niet overal duidelijk, hier lopen we verkeerd en daar steken we een stukkie af. Het geeft niet, we zien genoeg. Beukenstammen met doorsnede van 1,5 meter. Veel bos en mos, varens en dan weer vergezichten. Toortsen vingerhoedskruid vlammen her en der paars op. We lopen twee uur en vinden dan dat we aardig ons best hebben gedaan. ’s Avonds slapen we als bosmarmotten.

Op onze laatste dag op deze camping gaan we naar de markt in Luzy, een kunstenaarsdorp. Een leuk ritje. Grappig dorp, je hoort en ziet hier vooral de tweedehuisbezitters. Die praten luid. En verbazen zich dat wij he-le-maal uit Nederland zijn gekomen met Dyaantje.

De markt is vrij klein, in de markthal vinden we vooral honing en groente en fruit. Een donkere klok galmt 11 keer, een minuut later opnieuw. We bezetten een tafeltje op een gezellig terras voor een grand café crème. Daarna sla ik mijn slag in een artistiek winkeltje, terwijl Gijs en Ravi bij de kerk blijven wachten.

Ondertussen stijgt de temperatuur tot 33°C. “Ik ga pas inpakken als de boel in de schaduw staat!” zeg ik. Ik ben er na het avondeten, een rondje door de stad en de kerk in Autun, inderdaad snel mee klaar.

Wordt vervolgd…


Drie jaar op rij kamperen met vrienden begint op een heuse traditie te lijken. Herinner je je die vriend die indertijd niets van kamperen moest hebben? Die begint nu in februari te vragen waar we dit jaar heen zullen gaan. Het kan verkeren zou Bredero gezegd hebben.

Het komt deze Hemelvaartochtend met bakken uit de hemel. Noodgedwongen pakken we de kar en de kofferbak van de Dyane in de garage in.

Na vertrek snijden we, geleid door Tom, via allerlei boerenlandwegen de A7-file helemaal af tot voor de sluizen en voegen vlak voor de brug in op de snelweg. Staan we net zo goed stil, maar wel helemaal vooraan. Het IJsselmeer in de stromende regen is dreigend groen met witte schuimkoppen. Vijf kilometer voor het eind van de dijk staat het verkeer weer vast. Bruggetje open, bruggetje dicht (bis).


Even na vieren komen we aan in Vorden op Minicamping Erve Zonnehoeve en het gelijknamige wijndomein. Zonnehoeve, de naam alleen al is genoeg om in vakantiestemming te komen. Zoals beloofd regent het niet meer.

Als we uitstappen komt Maarten, de eigenaar, met een big smile aangelopen. “Bekend geluidje!” Want ja, uiteraard heeft ook zijn familie vroeger een Dyane gehad. We worden gewezen waar we de auto zóuden moeten parkeren, echter “Voor de Dyane maken we een uitzondering, deze mag in de wijngaard achter de heg staan.” Wij bedanken hem vriendelijk. Na het sanitair en andere gelegenheden getoond te hebben zegt hij ons vrolijk gedag en laat ons alleen om de tenten op te zetten.

De vakantie kan beginnen. Met de heg achter ons en de twee identieke Queshua’s aan weerszijde zitten we buiten heerlijk beschut.

“Dineren” doen we in Ruurlo. Plotseling wordt de zijdeur van de Grand Cafézaal abrupt opengegooid en stommelt er een grote horde uitbundige mensen luidruchtig naar binnen. Het feest kan beginnen! Liever gezegd: het feest is duidelijk reeds begonnen. Mannen in keurig lichtblauw overhemd met een onleesbaar logo op de borstzak en met rode sjaals om de hals, iedereen is uitgelaten. Nieuwsgierig vragen we aan de serveerster wat dit voor gezelschap is. “Ik weet het niet, ik zal het even vragen” is het verlegen antwoord.

De ene na de andere heer verdwijnt door de deur naar de toiletten. Een gegeven waar we stiekem om grinniken want meestal zijn het de dames die als eerste naar de wc’s racen en bovendien, hoeveel wc’s zullen er zijn? Als de zoveelste grijzende heer met rood sjaaltje langs ons tafeltje loopt, kan ik niet laten te vragen wat er nou eigenlijk op het logo op zijn overhemd staat. De man komt dichterbij en bij nadere inspectie ontwaar ik in de Gotische letters “C’est Tout”. Ik zie de kleine koperblaasinstrumenten rond de hoofdletters, ik gok op een Fanfare of Harmonie? Welnee, zo chic is het allemaal niet, ze vormen een dweilorkest dat ’s middags op de Dweilorkestendag in Groenlo heeft gespeeld. Niet opgetreden maar gespééld. Dat woord zegt genoeg. We worden uitgenodigd voor een polonaise als ze later op de avond spontaan de instrumenten tevoorschijn halen. Aangezien wij het toetje bijna ophebben, kunnen we dat makkelijk beloven.

Dachten we in Frankrijk veel kikkers te horen? Hier op het wijndomein maken ze ’s avonds een oordeel van jewelste. De maan komt op als een afgekloven nageltje boven de heg.


Vrijdag is het al flink warm als we opstaan, een torenvalk profiteert van de thermiek. Na de lunch gaat de rest lopen, ik kruip genoeglijk achter mijn laptop. Dat is míjn ontspanning.

Voor het avondeten rijden we naar Vorden waar we op een soort binnenplaatsje/tuinterras een tafeltje bezetten. Terug bij de tent zitten we te lezen bij het licht van de ondergaande zon. Tijd om te gaan slapen.


Ontbijt met verse broodjes en een eitje -met dank aan onze zorgzame vriendin. Afwas. Koffie. Douchen. Meer koffie. Aan het begin van de middag vertrekken wij om een open-dak-rondje Achterhoek te gaan kronkelen. De vrienden hebben andere plannen. Dat is juist zo fijn, samen en toch vrij om te doen waar je zin in hebt.

Vlak voor een grensovergang met Duitsland picknicken we. Komen onze bekenden van de Ami Vereniging, die we in april ontmoet hebben, in optocht langs. De witte met rood dak, zijn zoon met de Acadiane waarmee ik heb staan kletsen en nog meer bekende voitures. Er wordt uiteraard enthousiast gezwaaid. Hadden we dat geweten, hadden we lekker met hun meegereden.


Precies op tijd zijn we alle vier terug voor het wijnproeverij-evenement. Echt, ik kan het iedereen aanraden, ook al houd je eigenlijk niet van witte wijn zoals Gijs. Het is net een voorstelling waar we naar kijken. Tineke en Maarten hebben jarenlang een kroeg in Leiden gehad, de babbel hebben ze van nature. Ze vertellen smakelijk hoe ze twee jaar geleden van de drukke stad naar het platteland zijn verhuisd, de uitdagingen waar ze voor kwamen te staan: een gesetteld wijnbedrijf waarvan de oogst direct moest worden binnengehaald en ondertussen de camping runnen. Ze zijn beiden open van aard, contacten worden makkelijk gelegd en ze krijgen veel hulp van een inmiddels bevriende wijnbouwer uit de contreien.

Uitdagingen zijn bijvoorbeeld de Reetjes. “Schattige Bambi’s om te zien, maar als ze de kans krijgen vreten ze de trosjes kaal en vind je slechts de steeltjes bungelend aan de wijnstok. Daar valt weinig eer meer aan te behalen, ze zijn lastig te weren.” Voor de volgende plaag zijn er duizenden witte gazen zakjes aangeschaft, want daar is de fruitvlieg. “Niet de doodgewone huis-, tuin- en keuken fruitvlieg die van beschadigd en rottend fruit houdt, nee, de elite: de Aziatische/Japanse Fruitvlieg, de heer en mevrouw Suzuki. Zij houden alleen van rode of blauwe vruchten en die moeten puntgaaf zijn, zonder deuken of smetplekjes. Mijnheer Suzuki met zijn rode helmpje stapt op zijn brommertje, op zoek naar gave blauwe druiven. Heeft hij er eentje op het oog, haalt hij snel mevrouw Suzuki op. Mevrouw Suzuki boort met het zaagje in haar achterste een gaatje in het vruchtje en vult dit met eitjes. De rest van de blauwe-druivenoogst kun je dan vergeten. Je kunt natuurlijk hele rijen druivenstokken met netten inpakken maar dat bederft het uitzicht voor de campinggasten. Vandaar de witte zakjes die stuk voor stuk om de nog groene trosjes van de blauwe druiven worden gebonden. Dat ziet er tenminste feestelijk uit.”

Ik kan het lang niet zo smeuïg navertellen. Er volgt een verhaal over een anti-valse-meeldauw-pap die gemaakt wordt van het alomtegenwoordige Heermoes, de pest als je het in je tuin hebt en het daar niet wilt hebben, dan is het je reinste onkruid. Op Zonnehoeve zijn ze er blij mee. De rest van de uitleg over de wijn, het persen en bottelen is al even boeiend maar ga ik hier niet herhalen. Ik zou zeggen: boek een proeverij met rondleiding, met een glas in de hand tussen de zonnige wijnstokken wandelen. Je ziet per stam de twee hoofdtakken gebogen naar links en rechts en alle uitlopers naar boven, het verhaal van daarnet wordt ineens aanschouwelijk. De rozen aan begin of eind van een rij vraagt Maarten elk jaar voor zijn verjaardag, dat is de vaste rozenplantdag. Verschillende soorten door mekaar, dat maakt niet uit voor dit natuurlijke en decoratieve “alarmsysteem”.

Wij genieten na met een glaasje buiten op het terras terwijl we wachten tot de pizza’s bezorgd worden.


Het wordt donkerder, de wind trekt aan. Gijs gaat spullen binnen zetten, ik ga gauw naar de wc. Klokslag 10 uur FLITZZZZ! Een oogverblindend, fascinerend schouwspel, de ene zigzag na de andere. Vrij uitzicht rondom, het rommelt aan één stuk door. De flitsen gaan overdwars, slaan niet in.

Ik zit net-an binnen of de bui komt als zondvloed naar beneden. Ravi vindt het een beetje spannend, kruipt tussen en op onze voeten. Een kwartier later is de bui voorbij. ’s Nachts moet ik er een keer uit, het is net een momentje droog. Het flitst achter de wolken als een stroboscoop achter een rookmachine, de donder onophoudelijk, ver weg als boze draak.

De volgende morgen is het droog. Klein zonnetje erbij stoomt de tenten droog. Broodje, eitje, inpakken. Dan zijn we weg na uitgebreid afscheid genomen te hebben van de vrienden en van de familie Collée. Alles bij elkaar was dit een zeer geslaagde try-out, komende week gaan we voor het echie!


Zaterdagavond zijn we naar Eindhoven gereden en hebben daar overnacht om zondag uitgerust aan de toertocht te kunnen beginnen. Deze rit is uitgezet door de Dyane Vereniging in samenwerking met de Ami Vereniging, een heel andere samenstelling dan de clubs met wie we tot nu toe gereden hebben. Op ons gemak rijden we naar het startpunt in Oirschot, het weer is somber maar droog.

Bij bosrestaurant De Vrolijke Jager is al een bont gezelschap op het terras neergestreken, iedereen lijkt elkaar te kennen zo geanimeerd wordt er gebabbeld. Wij kijken nog even de kat uit de boom en lopen na de koffie met gebak een nieuwsgierig rondje tussen de auto’s.

Volgens de statistieken zijn er ongeveer 55 Ami’s en 13 Dyanes. Dat aantal kan haast niet kloppen, het zijn er vast veel meer. Er zijn niet zoveel “scheeffies” zoals ik ze noem, de Ami’s met overstekende dakrand, maar die er zijn, zijn dan ook glimmend gerestaureerd. Deze scheeffies zijn voor mij het ultieme stripvoorbeeld van een oldtimer, bijna cartoonesk.

Wanneer het welkomstwoord is gehouden en de papieren routebeschrijvingen zijn uitgedeeld, vertrekken we in colonne zodat we als een vrolijke serpentine van oldtimers door het land kronkelen. We zien veel groen, veel bos, veel nieuwbouw boerderettes en dito villa’s en veel, heel veel bungalowparken, pannenkoekhuizen en bosbistro’s. Dit is goed vakantieland. Her en der staat een verscholen veldkapelletje dat precies door een voorzichtig zonnestraaltje wordt gekieteld. We rijden Oisterwijk in en weer uit en dat herhalen we zo een paar keer tot we dwars door Oisterwijks centrum kachelen.

Ik verklaar net tegen Gijs dat ik deze routebeschrijving zo duidelijk vind, zonder afkortingen als RD, RT of RA waarbij ik altijd moet gokken wat er bedoeld wordt, als we op dat moment op een omleiding stuiten. Wij volgen de meute, lekker makkelijk, zo’n optocht. Een groene Ami met de motorkap open geeft de stoet de gelegenheid te husselen.

Eenmaal weer op de route passeren we De Leemkuilen, een waterrijk natuurgebied dat is ontstaan door de afgravingen van leem voor de baksteenfabricage, waarna we terug zijn op het vlakke platteland. Een kruidige mix van koeienpoepdampen en uitlaatgassen walmt naar binnen.

We kronkelen in en rond Helvoirt, door naar Cromvoirt tot we bij de eerste tussenstop bij paviljoen De IJzeren Man in Vught aankomen. De club bezet de achterste parkeerterreinen tussen de dennen. Kofferdeksels gaan open en ieder begint aan zijn eigen picknick. Met bekers koffie in de hand wordt er uitgebreid kennis gemaakt, gekletst, bewonderd en verwonderd. Met een krentenbol achter de kiezen ga ik de boel verkennen, er is genoeg te zien. Naast ons staat een Dyane met een oudere heer uit deze omgeving die drie kleindochters mee heeft genomen. Er zijn ook wat  jongeren, studenten, niet alleen 55plussers. Veel hondjes en honden en alles en iedereen loopt door elkaar. Dit is toch veel leuker dan met je eigen kliekje ergens aan een tafeltje te gaan zitten eten. Je ziet veel meer en leert makkelijk nieuwe mensen kennen, contact is door de gemeenschappelijke interesse snel gelegd.

We vertrekken wederom achter elkaar aan. Velen hebben net als wij het dak open of halfopen, het is onverwacht warm geworden. Na een aantal rotondes zijn we in Sint Michielsgestel en later in Gemonde. Vlak voor Sint Oedenrode passeren we op een dijkje een rijtje geparkeerde auto’s, een stuk of zeven, zonder uitzondering zwart of antraciet donker grijs. Vergelijk ik dat treurige rijtje dure nieuwelingen met onze feestelijke slinger gekleurde oldtimertjes, vraag ik me af waar de creativiteit, de fantasie van de huidige generatie designers is gebleven. Vroeger was alles beter, nee, dat vast niet. Maar met gekleurde billen is het vrolijker leven*. Werkelijk, er is bijna geen wagen in onze sliert dezelfde kleur als een andere. Zelfs het bruin van de ene Dyane verschilt van hetzelfde bruin van een andere Dyane: de een is glimmend gerestaureerd, de ander heeft het originele patina van een 50 jaar oude wagen.

Bij Kienehoef Park waar we wederom en masse de parkeerplaats bezetten houd ik een kleine inventarisatie van enkele blauwen. Zo heb je de varianten Bleu Weekend (een glimmende vierruiter uit ’68, jeansblauw), naast ons staat een Bleu Lagune (de kleur van onze eerste Dyane) en naast de mintgroene (Vert Jade) staat een ijsblauwe (Bleu Christal). Die van ons is felblauw, Bleu Myosotis, vergeet-me-nietjes-blauw.

Na deze kortere stop koetelen we in ganzenmars richting eindpunt waar is bij een gezellige gelegenheid op het dorpsplein van Liempde de mogelijkheid is om na te babbelen. Wij hebben echter nog een tippel van twee uur voor de boeg. We zeggen iedereen gedag en stellen we Tom in op ‘Thuis’. Files zijn ook een soort optocht…


 

*) vrij naar het gedicht ‘Gelukkiger leven’ van J. Bernlef, 1963.

Vlak boven het IJsselmeer hangt een dunne sluier aan de voeten van de windmolens, de zon verwarmt mijn rechteroor. Eenmaal in het kale Friese landschap slingeren we met het dak halfopen over dijkjes. Blinkende slootjes met stoeiende eenden, een molen hier, een brugje daar. We passeren een wielrenner in zijn t-shirtje in tegenstelling tot een boodschappenmevrouw die ons op de fiets tegemoet komt in een dikke winterjas. Wat een rust. Wat lammetjes, een grote kerk, nog een dorpje. Anders niets.

Om half 1 vinden we het tijd voor een lunchpauze. SHIT. Thermoskan voor de koffie en thee vergeten. Niet de eerste en vast niet de laatste keer dat me dat overkomt. De rust hier is helaas zó ver doorgevoerd dat er nérgens een caféterras open is. In arren moede parkeren we aan een jachthaventje nabij Akkrum. Gelukkig had ik er wel aan gedacht mangosap mee te nemen, dat smaakt ook best bij het kadetje kaas.

Na de kronkels door Heerenveen en Wolvega komen we door de Weerribben. Op enkele fietsers en vogelaars na komen we niemand tegen. Grote zwermen weidevogels zigzaggen boven het laagveen, een paartje ooievaars struint op hoge poten door het riet.

We passeren de buurtschap “Moespot”, wat in mijn oren klinkt als een carnavalsnaam. Wat dacht je van “Poppenwier” en “Poepershoek”. Net zoiets. We komen door “Nederland”. Ik denk dat het de grens is tussen Friesland en Nederland, maar nee, het dorpje heet echt zo. Meer dan 5 of 6 boerderijen telt het niet en het schijnt nog geen 20 inwoners te hebben. Geinig.

Na het pontje bij Genemuiden schampen we Kampen en passeren we  even later “Kerkdorp”. “Zoek de kerk,” zegt Gijs. Kerkdorp is dus, vreemd genoeg, een dorp zonder kerk. Kallumpies-an kachelen we richting de Veluwe en bij een ijssalon in ’t Harde stoppen we eindelijk voor een ijsje en een hoognodige plaspauze. De route gaat verder, dwars door het drukke Nunspeet. Hierna niets meer dan zand, bruine heide en bossen.

Het zonlicht, gefilterd door de naaldbomen, legt een zilveren gaas als een glinsterend web over de lagere struikjes en dorre varens. In de dorpen, bij kerken en de plantsoenen, zijn de grasvelden besprenkeld met krokussen als veelkleurig tapijt. Soms lijkt in een berm een enkel smal krullerig lint van lila krokusjes uitgestrooid te zijn door een bloemenfee.

Tenslotte arriveren we aan het eind van de middag in het hotel. Terwijl de zon steeds roder naar de horizon zakt, lopen wij onder vocale begeleiding van zanglijsters, mezen en vinken de wiebel uit onze benen. Het pad is bedekt met een dikke laag droog verdorrend blad dat zo heerlijk aan Ravi’s vacht blijft plakken.

Wat een afwisselende dag was het vandaag! De weidsheid van Friesland met zijn statige here-boerderijen, de Weerribben -voor ons nieuw en onbekend- met zijn gek genaamde dorpjes, vogels en riet, de Veluwe met bossen en heide. Fantastische dag.

‘s Zondags na het ontbijt laten we de hond uit in het bos voor we weer op pad gaan, we hebben op goed geluk een soortelijke reis voor de terugreis geprikt. Op een strategisch in Hoenderloo gelegen kruispunt zit het stampvol met groepen fietsers, wandelaars en bikers die zich tegoed doen aan koffie en -zo te zien- grote punten appelgebak.

We rijden dwars door Deventer, mooie stad met parken met oeroude bomen, paden en zitplekjes vol studenten, gezinnetjes en wandelaars genietend van de vrolijke vrije dag. In Heino vinden we dat we koffie met gebak hebben verdiend. Aan lange tafels buiten is een grote groep kleurrijke wielrenners van zekere leeftijd neergestreken; het is dorstig weer, het bier is amper aan te slepen. Wij houden het op koffie met een gebakje.

Een uurtje later komen we door Staphorst. Het contrast met het uitbundige genieten van zon en leven daarstraks op het terras met dit ingetogen, uitgestorven dorp kan niet groter zijn. Afgezien van een echtpaar in jurk en pak-met-stropdas op de fiets zien we helemaal niemand. Het is tenslotte zondag.

Na Zwartsluis komt Blokzijl. Net als gisteren wurmen we ons door de straatjes die nog smaller zijn dan Graft-De Rijp langs de overvolle kades en de kinderen met smeltende ijsjes. Vervolgens kruisen we opnieuw de Weerribben, gewoon omdat we dat zo mooi vonden gisteren. Bij boerderij ’t Zwaluwnest hebben ze bijzondere zwaluwen op de schoorsteen.

We naderen Friesland. Waar we een rechttoe-rechtaan route vreesden, worden we verrast met een smal slingerdijkje. Het is zo’n dijkje waar je 60 mag maar eigenlijk niet harder kunt dan 40 door alle bochten en drempels en toch even zo vrolijk wordt ingehaald door snerpende jank-motorretjes, terwijl fietsers overhaast een goed heenkomen zoeken in de stuk gereden bermen.

Wanneer we tenslotte de Afsluitdijk naderen en het hiervandaan plankgas naar huis gaat, doen we eerst het dak dicht. Naast ons zien we de lucht helemaal dichttrekken, de temperatuur daalt van 17 naar 12 graden, de zon gaat schuil in de lage dampkring. Bijna thuis.

Het leek wel zomer, zomaar een weekend begin maart.


Op de radio hoor ik reclames over een tentoonstelling in het keramiekmuseum Princessehof in Leeuwarden. Het is vakantie, eindelijk tijd voor een vriendinnenuitje. Op een sombere 1 novemberdag gaan we gezelligheid opzoeken, óp naar China.

De auto droppen we in de Oldehove-garage en als we daaruit tevoorschijn komen staan we recht voor die Oldehove. De malle scheve toren zonder kerk of logica staat al sinds 1533 op het plein in de stad. Hij is te bezoeken, tussen april en oktober kun je hem zelfs beklimmen. Dat idee onthouden we voor een andere keer.

Het plein overstekend lopen we naar Museum de Princessehof, een allegaartje van aan elkaar geplakte 16e-, 17e-, 18e- en 19e eeuwse panden. Door het museumwinkeltje komen we in de ruime ontvangstruimte, de tickets en museumkaarten worden gescand, jassen en tassen in de kluisjes en daar gaan we.

Wu Zetian is de enige vrouwelijke keizer die China ooit gehad heeft. Precies 1400 jaar geleden werd ze geboren, kwam als jong meisje als concubine naar het keizerlijke hof en werkt zich op tot keizerin. Ik ga geen wetenschappelijk, historisch verhaal ophangen, de kans op onjuistheden zou te groot zijn. Daarvoor kun je beter (de site van) het museum bezoeken.

Ze stichtte haar eigen Wu Zhou dynastie, die de Tang dynastie met 15 jaar doorbreekt. Als ze is afgezet gaat het Tang-keizerrijk weer op oude voet verder. Bij elke zaal staan teksten die dagboekfragmenten lijken. Wu Zetian is erg overtuigd van zichzelf: “Ik heb ervoor gezorgd dat…”; “Ik wilde zus en ik regelde zo.” Ze zou het grondgebied vergroot hebben, meer welvaart en voorspoed gebracht hebben. Tsja, en of dat allemaal op een nette manier ging, kun je je afvragen. Al was dat vast niet anders dan wanneer ze een man geweest zou zijn.

Er is maar zo weinig, er zijn niet meer dan enkele scherven van haar leven bewaard gebleven. Je kunt je afvragen in hoeverre dit allemaal letterlijk waargebeurd is. Dat weet niemand, dat kun je slechts onderzoeken aan de hand van de talrijke andere “scherven” van rond die tijd. Wij bekijken dit alles nu met onze 21e-eeuwse ogen. Zeggen oh en ah en tjee!  Maar hoe het tóen, in díe tijd, werkelijk was, hoe men leefde, voelde, dacht, daar kunnen we alleen naar gissen. Wij dragen altijd onze hedendaagse en Hollandse oogkleppen.

De tentoongestelde objecten zijn overigens allesbehalve scherven. Het is werkelijk bijzonder, zo goed als de beelden en gebruiksvoorwerpen bewaard zijn gebleven. Theeserviezen en eetstokjes, stoeptegels met reliëf tegen de gladheid en dakpannen, haarspelden en bronzen spiegeltjes. Er is van alles het mooiste bijeen vergaard. De schilderingen geven een beeld van het Chinese leven, de handelingen van zijdebewerking, de jacht, een klooster. Wat een andere tijd, wat een andere cultuur. Ik maak weinig foto’s, we hebben het te druk met kijken, verwonderen en filosoferen.

Na Wu Zetian volgt de expositie Van Oost naar West met diverse keramiek, vazen, serviezen en beeldjes uit de hele wereld. Mijn moeders Ravelli-vaasje staat er ook bij. Daarna zit ons hoofd vol en wordt het tijd voor koffie en een tosti. We lopen een winkelstraatje door tot we bij een Grand Café uitkomen. Half 2 en het zit stampvol. De koffie, thee en tosti zijn echter warm en we zijn nog lang niet uitgepraat.

Terug in het museum hebben we nog net tijd om de kleine expositie over M. C. Escher te zien, we staan in zijn geboortehuis. Eventjes iets totaal anders dan die Chinese cultuur. In één van de keldergewelven heeft straatkunstenaar Leon Keer een schildering á la Escher gemaakt, vol met gezichtsbedrog, omgekeerde trappen en salamanders. Of zijn het krokodillen, dat kan ook. Heel apart.

We struinen vijf minuten in het winkeltje. Nee, aan merchandise is niet gedacht, er zijn geen koelkastmagneten, geen koperen miniatuurdraakjes en zelfs geen ansichtkaarten over deze tentoonstelling. Ik neem enkel een magneet mee van Escher. Met enige pijn, moeite en de slappe lach vinden we de auto terug in het doolhof van de Oldehove garage. De terugreis gaat daarentegen vlot en we zijn nog steeds niet uitgebabbeld. Op de dijk miezert het.


…zien we brede rivieren etc.

“Niet zoveel mee” is best wel veel. Bench en toebehoren, picknicktas en proviand, klein koffertje, mijn laarzen want ja het is herfst en met de dikke jassen erbij zit de kofferbak vol. Voor één enkel nachtje.

De Dyane, vorige week opnieuw voor twee jaar goedgekeurd, is uitgebreid gepoetst. Dat was na de vakantie nog niet gebeurd. Nu glimt het erover, zoals ze hier zeggen. Door de blinkende ramen hebben we helder uitzicht op zware laaghangende bewolking die boven Amsterdam wat uiteen trekt.

Het laatste stuk naar het hotel gaan we kronkelen. Afslag Vleuten, door Meerndijk en als je even niet oplet zit je zomaar op het platteland. Omgekeerd geldt hetzelfde: als je even niet oplet, zit je midden in de stad. Nieuwegein dit keer, door de wijk Oudegein. De lanen zijn aan weerszijden getooid met goudkleurende bomen, van citroengeel tot wijnrood. Een Ford Mustang Club komt ons tegemoet geronkt, die zijn ook een dagje uit met de stichting.

Een heel verschil met onze polder, dit oude land met zijn oude en nieuwe boerderijen. Allemaal hebben ze strak onderhouden siertuinen, sloten en bruggetjes. Het water in de sloten en kanalen staat hoog, heel hoog. Eenden drentelen op hun dooie gemak midden op de weg. Ken je dat liedje “Een witte eend op het midden van de weg en onze blauwe eend hing in de bomen?” Deze eenden kijken enkel verbaasd op als ze ons aan horen komen, trippelen dan gehaast naar de walkant. Weer mazzel.

We hebben een overnachting geboekt in hotel De Schildkamp in Asperen. Idioot zwembadblauw van buiten, binnen een grote kamer met semivorstelijke allure met nephouten lambrisering en bordeauxrood tapijt met fantasie Franse lelies. Voor het eten lopen we een stukje langs de Zuiderlingedijk. De yuppenstulpen aan de overkant van de rivier hebben een 24-uurs privé hovenier, zo walgelijk geschoren zijn de gazons en zo aangeharkt het grint.

Nederland is raar. De hond is welkom in het hotel, maar níet in de ontbijtzaal, níet in de brasserie. Nou, dan haalt Gijs toch gewoon een pizza. Die is goed, met vreselijk veel olijven. Simpelweg lekker is lekker simpel.

Als we zondagmorgen ontbeten hebben is het een soort van droog, dus: laarzen aan en gaan. Deze keer wandelen we langs de dorps-ijsbaan met naastgelegen speeltuin en een parkachtig landhuis uit 1893 dat misschien ooit gemeentehuis was. Iets verderop staat een betonnen muziekkoepel. Zware klokken van de kerk aan de overkant slaan 10 uur, de mis begint. De machtige Gotische toren kijkt neer op het dorp.

Een plots regengordijn trekt het uitzicht in één keer dicht. We schuilen vijf minuten bij de muziektent voor we terug baggeren. Wat ben ik blij met de handdoek die ik met voorbedachten rade voor Ravi heb meegenomen! Er komt een hoop modder van hem af. Voor het idee even een borstel over de bovenkant en niemand die het ziet.

Op ons gemak rijden we naar Meerkerk, het startpunt van de clubrit. We zijn vroeg, er staan nog niet zoveel eenden. Als we aan de koffie met plaatkoek zitten treffen we Harry (van de redactie van het clubblad) met zijn vrouw en dochter. Gezellig. Na het welkomstpraatje ontvangen we de papieren routebeschrijving en weg zijn we. In colonne kachelen we het terrein af.

We beginnen met een paar spetters. Voor de gele eend gloort een regenboog, de wolken spelen met de camera. De zon komt eraan. De routebeschrijving belooft ons vreemd-genaamde dorpen: Ottoland, Molenaarsgraaf, Klein Peursum, Hoornaar, Vogelswerf, Heukelum en zo meer, een traject dat langs dijken, molens en gemalen gaat, met koeien, schapen, forse boerenbedrijven en die heel foute yuppenkastelen die we gisteren aan de overkant van de rivier zagen liggen. Daar steken we over naar Asperen, langs de kerk waar we vanmorgen liepen.

Na al dat geslinger rond de Linge komen we bij de Lek. Die is zo breed dattie wel lek moet zijn, de uiterwaarden zijn ondergelopen of op zijn minst drassig. Dat belooft wat, de winter is nog niet eens begonnen. Met de zon voor ons blikkert het natte asfalt warm in ons gezicht als we onderweg zijn naar Nieuwpoort waar we ons door de smalle straatjes wringen.

Terug bij het startpunt komt de lichtblauwe Dyane6 vlak na ons binnen. Há, een kans op een babbel met zoon en zijn vader. De auto uit 1972, in originele staat, ziet er piekfijn uit. In het restaurant praten we bij een kopje koffie nog wat na en dan is het tijd om afscheid te nemen.

Het was een mooie tocht. Helaas te koud en vochtig om te kunnen picknickelen en met anderen te kletsen maar een goeie route om te onthouden. Misschien in het voorjaar, als alle bloesembomen rond de Linge in bloei staan.


Tomstom gebruikelijk worden we al snel het bos ingestuurd. Opnieuw een pad dat we niet (her)kennen, hoe Tom die dingen uit zijn geheugen schudt, geen idee. In de bermen zijn oranje mannetjes her en der gele waarschuwingsdriehoeken aan het plaatsen: “Chasse en cours!” Net als ik bedenk “gatverdarrie, je zal zo’n verdwaalde kogel door je dak krijgen” dreunt er ineens een harde knal vanonder de vloerplaat. Ik schrik me te barsten. Gijs stopt, loopt een rondje en checkt onder de auto. Het zal wel een gewone tak geweest zijn, er ligt tenslotte genoeg herfst op straat.

We snorren gerustgesteld door. Van cementfabriek naar cementfabriek, het hagelt ervan langs de Rhône. Zolang je rond de rivier rijdt blijf je in industriegebieden, doodsaai. Eenmaal de Rhône over wordt het afwisselender.

Daar verschijnt ook eindelijk wat zon. Mysterieus zijn die bergen van Parc Naturel Réginal du Vercors in schaduwnevels. De Vercors, weten we, is donkergroen noten- en natuurgebied, al dat fraais blijft echter rechts van ons liggen. We passeren Viviers (vierkante kerktoren), Rochemaure (burchtstadje) en bij Pouzin steken we onverwacht weer de Rhône over.

De lucht trekt verder open en wordt het uitzicht gaandeweg Zwitseriger, heuvelachtiger en authentieker naarmate we de Vercors naderen. Komen we ineens toch langs de notenkwekerijen. We huppelen steeds van durp naar durp, slierend over de rotondes en in zijn 2 lange hellingen van 10% op. Vergezichten, kerktorentjes zoals de spitse van Voiron en locals die omkijken als ze ons gepruttel horen. Forten en kastelen, al dan niet tot ruïne vervallen lijken lukraak in het landschap gepoot. We lunchen in het zonnetje, nog een uurtje te gaan.

We hebben een Mercurehotel in Bourg en Bresse geboekt. Hond bezet bed, wij puffen uit met een drankje en chips. ‘s Avonds eten we wat in ‘t restaurant. Morgen gaan we naar Metz, kijken wat Tom daarvan vindt…

Voor ons ontrolt zich een groen heuvellandschap, een groot veld met -naar Hollandse maatstaven weinig- witte scharrelkippen, Poulet de Bresse: dit is het Barneveld van Frankrijk.

Kijk nou, een rood-witte HY knippert ons tegemoet. En een eend met duimpje uit het raam. Een Dauphientje. Een Peugeot. Eén lange slinger van old- en youngtimertjes, wat is dit een vrolijke club! Ik ben vanzelfsprekend te laat met mijn camera, zo zitten we te zwaaien en te lachen. Wat een enige ontmoeting in dit druilerige weer.

We golven door de Jura, bekend om zijn AOC wijnen. Ik zie alleen de vignobletjes op de rotondes, slechts heel in de verte gloort iets wat een wijngaard zou kunnen zijn. We zitten op de Bis-route naar Nancy, zeer geliefd bij campers en caravanners. Echt een aanrader. Het is zondag, op die enkele walvis na is het erg rustig.

In alle ruimte zwerven we. Over heuvels met steeds nieuwe vergezichten over het dal waarin we vervolgens afdalen. Naarmate we noordelijker komen, kleuren de bossen meer en meer in Indian Summertinten. Van dit alles komt niets op de foto, tegenlicht, te ver, te donker en vooral: ik heb het te druk met kijken. Daarbij slingeren we nogal, wat voor mij geen goeie combi met de telefoon is.

Na de Jura duiken we de Vogezen in. De sneeuwkettingen zijn niet nodig al rijden we het hele stuk voornamelijk in zijn drie wat een hels kabaal maakt. Geregeld moet er naar de tweede of zelfs de eerste versnelling worden teruggeschakeld.

Voor Nancy plots vertraging van een uur? Dat gaan we niet doen. Er plopt een alternatieve route op, dat zou 45 minuten schelen. Door Pompey en Custines, daarna volgt een déviation… die verderop is afgesloten dus volgen we de déviation van de déviation. Achter de meute aan. Terug op de A31 zien we dat de andere kant muurvast staat. Goed gegokt!

Om half 4 zijn we bij onze ouwe trouwe Ibis-koe Woippy. Een grote kamer, de hond dit keer ónder het bed terwijl zijn bench uitnodigend is opgezet. Mafkees.

We maken ons op voor het laatste hortje naar huis. We gaan het zien hoe het vandaag loopt. In elk geval laten we Luxemburg links liggen, rijden via Arlon wat een prima weg is. Vlak voor Luik bij Sprimont eindelijk koffietijd, bokkoud met een blauwe lucht.

Bij Luik volgen we de borden E25 Maastricht, wat Tom en Goog ook zeggen. Twee tunnels, je mag er maar 50 maar het sukkelt wel lekker. Na Luik kunnen we de gewone route Maastricht-Eindhoven-Utrecht-Amsterdam volgen, wat een verademing is in vergelijking met de heenreis.

Half vijf zijn we thuis. Het autogeraas uit de oren, met een drankje rust in de tuin, Ravi onder zijn tafel met een knaagje. Gijs raapt driekwart emmer noten in 10 minuten tijd. Herfst in Holland en nog steeds… buiten!

… tot even later de bui losbarst. Herfst in Holland!

3544 km gereden


We hebben vanuit Cavalaire naar de volgende camping een gekke rit uitgezet, benieuwd wat ons vandaag te wachten staat. Via Le Lavandou en Toulon en dan bij Hyères naar boven. Ergens in een dorpje foutparkeren en terwijl Gijs brood haalt sta ik nieuwsgierigen te woord: “Ja, we zijn hiermee helemaal uit Nederland gekomen.” Die vraag wordt zo vaak gesteld. Een rebbelende meneer, het duurt even voordat ik hem versta, vertelt een heel verhaal. Hij had een gele Dyane uit hetzelfde bouwjaar. We hebben een aanknopingspunt. Een oudere dame vertelt dat ze in 1972 uit Spanje naar Frankrijk is gekomen in een 2CV. Je leert op deze manier wel tellen in het Frans: bouwjaar, leeftijd, kilometers. Als Gijs terugkomt met het brood, komt de man van de gele Dyane aangesneld om trots een foto te laten zien van zijn toenmalige auto. Inderdaad een prachtkarretje. “Blijft mooi hè, maar het is hard werken, rijden in zo’n eend!” zegt de man.

Met uitzicht op de Mont Farron drinken we koffie. Verder omhoog, via de smalle straatjes van Puget Ville en een col door het bos bij Rocbaron naar Brignolles. Verre vergezichten zonder een plek om voor een foto te stoppen. Daarna stukken N7 en D3. We volgen een kanaal terwijl aan onze andere kant de Durance slingert. Komen door allerlei stadjes, hebben uitzicht op de rotspartijen van La Sainte Baume bij St. Maximin de la Ste Baume, tuffen door Tourves en duiken met de neus de mistral in.

De N7 gaat dwars door Avignon, langs de muren. Hartstikke mooi, ware het niet dat het ontzettend druk is en alle stoplichten verstopt raken wat mij mooi tijd geeft om hangend uit m’n raam foto’s te maken. Gijs is vooral aan het opletten.

Eenmaal op de camping, ja, terug op La Grenouille in Goudargues, stribbelt het plastic zeiltje hard tegen in de wind. Niettemin is na anderhalf uur het hele hebben en houen weer op zijn plek geïnstalleerd. We staan, weliswaar loeischeef met veel boomstronken maar goed op de zon, het watertje kabbelt gezellig achter de tent en de klokken luiden boven ons hoofd. Terug van even weggeweest. We hebben misschien weinig fantasie en de plannen waren écht totaal anders maar de météo stuurt ons terug hierheen. Ook goed! De Pyreneeën, Sisteron en de Morvan blijven voor volgend jaar op het lijstje staan, die lopen niet weg.

Er zijn weer andere oldtimertjes bij Garage du Lavoir achter de camping.

Bijkomdagje

Wat is het hier ’s morgens koud! 12 graden en erg vochtig. Da’s ff wennen. Gijs’ zus en haar man plus hondje komen een bakkie halen, hier zien we elkaar vaker dan in Nederland. Na het bezoek borstel ik Ravi, allemachies wat een hoop vilt en vuil komt eraf als dat een paar dagen niet gebeurt is. Een berg klitten later een aardig resultaat… wat 2 minuten later grondig teniet is gedaan.

We krijgen bezoek van een 8-9 centimeter grote Egyptische sprinkhaan. Wat een beest. En ’s avonds eten we een slaatje bij Café de France waar ze blijkbaar toch een kok hebben gevonden.

Aiguèze

Aiguèze, middeleeuws stadje op een halfuurtje rijden, hebben we al die jaren nooit bezocht. Vooruit met de geit. Als altijd in zulke stadjes komen we om 12 uur aan, precies wanneer alle lollige winkeltjes sluiten. Tant pis, we kwamen voor de doorkijkjes en de uitzichten. Dat is gelukt. Eerst stap ik nieuwsgierig het kerkje in waar een mannenkoor bescheiden door de speakers klinkt. Het kerkhofje ligt knus tegen de rotswand aan, een speeltuintje er recht tegenover: dood en leven gescheiden door een voetpaadje.

Langs de muren met zicht op de Ardèche klimmen we hoger en hoger tot we op het stadje neer kunnen kijken. Eenmaal beneden zijn we toe aan koffie, met een stukje Fondant aux Marrons, fait maison. Crimineel, wat een stuk. Zelfs met zijn tweeën krijgen we ‘m amper op. Lunchen hoeft niet meer. Tandenpoetsen wel, voor zover er nog glazuur op onze tanden zit. We lopen een ander klein rondje door de straatjes om de kastanjes te laten zakken voordat we een kronkelroute terug uitzetten via St.-Christol-de-Rodières. Lekker slingeren over een soort fietspad waar we gelukkig geen tegenliggers tegenkomen. Dit is leuk, dit is vakantie. Zo hoort het.

Omdat we de komende drie dagen in de auto zitten, maken we ook de laatste dag nog een ritje, langs gesnoeide lavendel- en nog niet geoogste wijnvelden om het af te leren.

Wordt vervolgd, nog eentje, dan hou ik op.


Heel langzaamaan klimmen we uit het griepdal al is de algehele conditie nog niet best. We lopen over de markt, drinken koffie met Mireille die het aandurfde met meneer De Vries naar de camping af te dalen. Oftewel: geen nieuw nieuws onder de zon.

Bonporteau enzo

Lange mouwen, lange broek en dikke sokken aan, jas aan en wandelschoenen opgediept: we gaan het zieke zweet eruit werken. Ik had de Sentier de Fenouillet bedacht, starten bij Plage Bonporteau. Dat was aardig vlak in mijn herinnering…

Zelden heb ik mij zo vergist. Het pad gaat loodrecht omhoog, met diep uitgesleten rotsspleten in het fonkelende gesteente. En zoals altijd: wat je naar boven klimt, moet je aan de andere kant weer afdalen langs net zo’n slechte weg. Er lijkt geen end aan te komen. Ik heb een paar foto’s gemaakt van wat ik dacht dat de ergste stukken waren, daarna had ik mijn volle aandacht nodig voor mijn voeten en de stekeltakken die in m’n gezicht zwiepten. Ravi huppelt gezellig mee, bij een zwijnenpoeltje hebben we moeite hem ervan te weerhouden in de oranje klei te gaan baggeren. Al met al hebben we net-aan 4 km gelopen, het leken er veel meer.

De nacht brengt veel wind en kou. Dat niet alleen: ook een zwijnenfamilie rumoert om de tent. Gijs stapt naar buiten en staat onverhoeds oog in oog met een stuk of wat biggen terwijl Pa Beer achter het hek commentaar staat te leveren. De beesten zijn totaal niet van Gijs onder de indruk, het kost hem enige moeite om ze een endje weg te jagen. Ik slaap door de meeste commotie heen.

Van-alles-wat-dag

De zon doet hard zijn best, die wind is evenwel ijzig. Een eenzame parasol van het terras hangt tientallen meters verderop treurig in een boom. Het is een goeie dag voor het zwembad en de was. Als die droog is, wil Gijs ineens lopen. Ik heb ’n particulier kapelletje op mijn lijstje staan, Chapelle de Pardigon. Het is een klein dingetje en we kunnen niet naar binnen maar het ziet er fraai uit, met die blauwige natuurstenen lijkt het haast gemozaïekt.

Om echt te kunnen wandelen rijden we door naar Gigaro. Hier waait het eveneens behoorlijk; mijn telefoon slaat op tilt van een weldadige overdaad aan blauw. We vinden een nieuwe doorsteek dat ons rondje met meer dan de helft inkort: bij de liggende boomstam recht omhoog naar het grote achterpad. Mijn voeten en ik halen opgelucht adem. We sluiten deze gekke dag af met crèpes, met uitzicht op de baai waar we een paar uur eerder liepen. De zon gaat vroeg onder.

Knutselen

Dyaantje maakt teveel kabaal, waarschijnlijk door een versleten versnellingsbaksteun. Gijs is de afgelopen dagen bezig geweest te proberen het onderdeel te krijgen, we willen er zelfs voor naar de Mehariclub Cassis rijden, hier 100 km vandaan. Die kunnen ons helaas pas volgende week aan het ding helpen. We bellen met Burton in Zutphen. Als zij het dingetje opsturen is het hier uiterlijk…? We gaan het meemaken. Tadaa! Nog voor 12en is eindelijk het pakketje geleverd. Ravi is als altijd nieuwsgierig: zou er iets lekkers in zitten? Sorry beest, niet eetbaar.

Gijs duikt onder de auto. Er is niets leuker dan knutselen aan je karretje op de camping. Zie je wel dat al dat gereedschap van pas komt. Met enig geweld komt de steun los, aan het gesmolten en gesleten rubber is goed te zien wat het ding te lijden heeft gehad van de bloedhete ritten boven zinderend asfalt. Geen wonder dat ons bij aanvang zo timide ezeltje zo ging bokken na verloop van tijd.

Een poosje later zit alles weer in elkaar en kan Dyanes kruk eronder uit. Alle losse onderdelen terug op hun plek zetten neemt het volgende halfuurtje in beslag en dan kletst de klep dicht. Nu zijn we alleen benieuwd of dít echt het enige euvel was… Zou het geholpen hebben?

Na een stokbroodje gaan we het uitproberen. Beneden bij de boulevard hangt er van alles in de lucht, dat gaan we eerst bekijken. En niet alleen bekijken: op de boulevard moeten we ons een weg banen door de aftershaves en Douglas-uitverkopen terwijl vanaf het strand de vette kokoswalm van Nivea en Ambre Solaire ons in het gezicht slaat van de glimmende lijven, gebronsd tot zwartgeblakerd, die liggen te braden op het zand. De windveren wedijveren met de vrolijk vliegende vissen. Het lijkt wel zomer.

Via een achteraf kronkelroute, D93, slaan we af richting Ramatuelle. Fotoshoot bij Col de Collebasse (plm 136 meter). Tenslotte komen we bij Port Grimaud. Jaren geleden dat we daar waren, tijd voor een weerzien met de kanaaltjes, de nogakleurige huizen en de bruggetjes.

Les Terrasses de l’Eau Blanche

Kennen jullie ook al. Blijft mooi. We sjouwen tot boven de camping (druk aan ‘t zwembad), uitkijkend naar Maison Foncin op de heuvel in de verte. Grijs bestofte sokken en schoenen, ze hebben goed gewerkt. 9900 Stappen, niet slecht in deze conditie.

Wordt vervolgd…