Bij Amsterdam is het opgehouden met zachtjes regenen. Mensenlief wat een wolkbreuk, Dyaantje en Gijs moeten hard werken. Wind, veel wind, pal tegen.
Martinus Nijhoff heeft veel op zijn geweten. Telkens als we de nieuwe Maasbrug naderen, denk ik aan die twee overzijden die elkaar leken te mijden en toch buren werden.
Verder gaat de reis, van snelweg naar snelweg, door de tunnels bij Luik die Goog en Tom nog steeds niet aangeven. We rijden via Arlon want in Luxemburg zijn de files dramatisch zo te zien en dit is een aardige route. Denk alleen niet dat je een tankstation tegenkomt. We duiken de snelweg af: de 40 liter benzine plus de 5 liter uit het tankje in de kofferbak beginnen nu wel op te raken na die steile heuvels met snoeiharde tegenwind. In Longlaville, een grensstadje, ligt een aantal benzinestations achter elkaar. We tanken spotgoedkoop (€1,56 voor E98) en als we op het bonnetje kijken zien we dat we in Luxemburg getankt hebben. Vreemd, we dachten al in Frankrijk te zitten. Hierna arriveren we met een malle omweg al om 5 uur in Metz bij ons vertrouwde hotelletje. Hallo koe…



…dag koe. Tussen Verdun en Bar-le-Duc volgen we een poos de Voie Sacrée, D1916. In WO I was Verdun aan drie kanten belegerd door de Duitsers waardoor deze weg de belangrijkste aanvoerroute voor de Fransen werd om munitie en goederen naar het slagveld te vervoeren. Na de oorlog kreeg deze route de naam “Voie Sacrée”, gewijde weg. In Bar-le-Duc klimmen we al slingerend vanaf de Maas tot bijna 300 meter. Mooie stad om te bezoeken denk ik, maar we willen dóór.


Eenmaal op de Route Touristique de Champagne zetten we de rit voort door Polisot, Polisey en Les Riceys, enkel omdat ik dat zulke karakteristieke dorpjes vind. Zodra we de Champagnestreek uit zijn, heet de weg ineens Route de Crémant, want ja, buiten de Champagne mag dezelfde wijn ineens geen Champagne meer heten. Ook al staan de stokken zij aan zij met de dure variant op dezelfde helling. Rare Gallois.








De auto houdt zich goed, al rammelt zo langzamerhand alles los door het knip- en plakwerk op het wegdek. Overal langs de wegen zien we borden met “trous en formation”, gaten in de weg. Goh, zou je denken?
Bij een stopplek turen we minutenlang naar een paar wouwen, rode of zwarte, daar wil ik vanaf zijn, die zonder één enkele vleugelslag op de thermiek hoger en hoger tot in de wolken schroeven. Wauw.


Onze eerste standplaats is Camping les Deux Rivières in La-Celle-en-Morvan. Een oude bekende. We bezetten een reusachtige plek naast het beekje, hier kunnen we de komende tijd bijkomen van de 800-nogwat kilometer in 2 x 8 uur.


De eerste dagen is het ’s nachts best fris, we zijn blij met de vesten en elektrische dekens. Zelfs het kacheltje gaat de eerste nacht aan, tegen het opkruipende vocht. Weten wij veel dat zowel de dikke vesten als de elektrische dekens en het kacheltje de rest van de vakantie alleen maar in de weg zullen liggen…
We maken om te beginnen een uitstapje naar Les Rochers du Carnaval waar we in 2020 ook waren. Feestende stenen, wat een naam voor een stel lompe rotsblokken. In dat bemoste bos, aan de rand van een vallei met weids uitzicht en tussen manshoge varens zijn de paadjes een avontuur in het klein.
Ik heb vaak gedacht dat ik een goede spiegelreflexcamera zou willen hebben, in plaats alleen met mijn mobiel foto’s te maken. Maar nee, je moet mij geen goede camera geven. Het risico is groot dat ik dan tijdens de rit elke 5 minuten wil stoppen voor het volgende fotogenieke beeld. Bijvoorbeeld in Laizy, het robuuste kerkje met een enkel rond glas-in-lood venster, glanzend tussen de klaprozen en margrietjes, een simpele korenbloem knalt er blauw tussendoor.
Koeien schuilen op een kluitje in de schaduw onder een eenzame boom in het veld. Bij alle huizen staan rozen, rozen en nog meer rozen, hoog tegen de muren of borderranden. Dubbeldikke rode en roze pioenen als uitbundige boeketten. Zoveel kleur.
Een baltsende fazant pronkt met zijn wapperende vleugels in de berm. In het struikgewas zal wel een onzichtbaar vrouwtje zitten. Met grand jetés zweeft een hert de weg over, verdwijnt als een fata morgana in het dicht-groene woud. Uit de gebarsten stam van een grijze boom macrameeën zijn dode takken zich de hemel in.
Laat in de avond komt de maan als kolossale oranje lampion langzaam tussen de nevelslierten omhoog. De lucht kleurt donkerviolet. Welterusten.

















Na een zeer rustige lees-dag, wil ik iets ondernemen. Zoals gebruikelijk op het heetst van de dag (inmiddels zo’n 30°C) toeren we naar Bibracte, een andere bekende trekpleister. Bibracte ligt op een hoge heuvel in een oeroud beukenbos, waar we met de auto helemaal door naar boven kunnen rijden. Daarvandaan kunnen we kiezen uit verschillende wandelroutes langs de Romeinse opgravingen. De bewegwijzering is alleen niet overal duidelijk, hier lopen we verkeerd en daar steken we een stukkie af. Het geeft niet, we zien genoeg. Beukenstammen met doorsnede van 1,5 meter. Veel bos en mos, varens en dan weer vergezichten. Toortsen vingerhoedskruid vlammen her en der paars op. We lopen twee uur en vinden dan dat we aardig ons best hebben gedaan. ’s Avonds slapen we als bosmarmotten.














Op onze laatste dag op deze camping gaan we naar de markt in Luzy, een kunstenaarsdorp. Een leuk ritje. Grappig dorp, je hoort en ziet hier vooral de tweedehuisbezitters. Die praten luid. En verbazen zich dat wij he-le-maal uit Nederland zijn gekomen met Dyaantje.
De markt is vrij klein, in de markthal vinden we vooral honing en groente en fruit. Een donkere klok galmt 11 keer, een minuut later opnieuw. We bezetten een tafeltje op een gezellig terras voor een grand café crème. Daarna sla ik mijn slag in een artistiek winkeltje, terwijl Gijs en Ravi bij de kerk blijven wachten.







Ondertussen stijgt de temperatuur tot 33°C. “Ik ga pas inpakken als de boel in de schaduw staat!” zeg ik. Ik ben er na het avondeten, een rondje door de stad en de kerk in Autun, inderdaad snel mee klaar.











Wordt vervolgd…