Vertel de voorzienigheid of wie dan ook over je plannen. Ze zullen je allemaal uitlachen. Zo gaat het ook deze vakantie. Het is begin september, de voorzienigheid in de vorm van Météo France dwarsboomt mijn plannen. Het énige puntje van Frankrijk waar we juist om die reden altijd heen reden en waar we nu juist níet naartoe wilden, is het enige puntje van Frankrijk waar het wel zonnig lijkt te worden. Wat gaat het worden?

Met de Middellandse Zee als voorlopig einddoel in ons hoofd gaan we op pad. Bij de eerste stop in Limburg gaat het dak een stukje open, de lange broek verwissel ik voor short en shirt.

Net als in juni hebben we harde wind tegen. Met het open dak geeft dat een beetje lawaai, maar het is veel minder heet dan in het kokende koekblik van vorige jaren. Aldus nemen we de tunnels in Luik en kachelen zoetjes-an in de goeie richting. Na anderhalf uur heuvel op en af komen we door Martelange waar 25 tankstations gebroederlijk naast elkaar aan de hoofdstraat zitten. Scheelt weer twee kwartjes met Nederlandse benzineprijzen. Grappig: als je het shopje in loopt, stuit je direct op een múúr van tweeliter flessen sterke drank. Iets wat ik niet direct met verkeersveiligheid associeer. We lunchen in de schaduw van een vrachtwagen in Hondelange waar het ‘over-de-weg-restaurant’ op instorten staat. Het is vast al 20 jaar gesloten en nu aan verpaupering overgeleverd.

Echt hoor! Spiegels? Die zijn voor de ándere mensen. Bij Nancy, zondagmiddag half 5, druk verkeer, korte lontjes, 29°. Achter ons naderen blauwe zwaailichten. Opzij gaan? Nee, men schrikt zich dood als er behalve de zwaailichten achter ze plotseling de sirene begint te loeien. Hals over kop, in paniek, een slinger aan het stuur geven. In de spiegels kijken? Nee, dat is ijdelheid. En ijdelheid is één der hoofdzonden.

Niet helemaal plankgas en toch gestaag met 114 km/u op de péage scheuren we door. Opschieten willen we. We pauzeren voor een broodje en cola en checken de hotels voorbij Lyon. Dat is nog zeker drie uur verder, maar dan hebben we dat alvast gehad. Gijs is nog niet moe.

Als de zon onder is gegaan rijden we A46 voor Lyon op. De straatverlichting is gelijk uit, poeh wat is het ineens donker. Het blijft warm, het dak gaat verder open. Recht voor ons verschijnt een grote roze maan, laag aan de horizon. Het duurt even voor we beseffen dat we naar een maansverduistering zitten te kijken, een volle bloedmaan die zich, omhuld door nevelsluiers, aan de schaduwen der aarde ontworstelt. Het zilveren nageltje links onderaan begint langzaam steeds feller te schijnen. Door het open dak tel ik de sterren. We zijn er bijna.

Precies 12 uur na vertrek komen we aan bij het Mercure hotel in Villefontaine. Eindelijk rust aan mijn hoofd. De olifantenpootjes gaan omhoog. We checken de Météo en kijk, de wispelturige voorzienigheid is van mening veranderd. Stante pede wijzigen we ons reisdoel, Gijs zet een kronkelroute uit naar Entrevaux dat al zolang op mijn wensenlijstje staat.

De stralend-volle maan zien we niet meer. We slapen.

In grijze, miezerige druilregen vertrekken we de volgende morgen. We beginnen met een stukje péage richting Grenoble. Van daar rijden we door de Vercors. Het heuvelt direct behoorlijk. Op 550 meter is het kil. De wolken hangen laag. Wat is het hier intens gróen. Heel af en toe is al een glimp op van de naderende herfst te bespeuren. Zonnebloemen laten hun oude, uitgebloeide hoofden hangen. Achter de hoge bergen van de Chartreuse gloort er licht. We stijgen tot 1175 meter, omhoog, omhoog!

We volgen urenlang de melkachtige rivier de Bruëch en komen bij Sisteron uit. Hier draaien we ervan af om een stukje Durance te volgen. Dan duiken we al snel de bergen in, vlak voor Voronne (Vourouno) zie ik een bordje “Commune de Route de Napoléon”.

We volgen een stroompje met een spoorlijntje erlangs. Serieus wat een enige route is dit, ik geniet honderduit. Om sleeziekte te voorkomen maak ik weinig foto’s. We passeren stationnetje Moriez op 885 meter hoogte, de weg klimt verder en zo doen wij. Col des Robines volgt met 988 meter. Dan slaan we de bocht om langs de Verdon en het helblauwe stuwmeer Barrage de Castillon. Weten wij veel dat we er nog vaker langs zullen komen.

Eind van de middag arriveren we op Camping du Brec bij Entrevaux. Een ‘gewone’ camping zonder poespas, snotgoedkoop. Er liggen kano’s klaar voor gebruik voor de campeurs.

We installeren ons op een aardige plek, er is genoeg keuze. ’s Avonds eten we lekker makkelijk soep en brood. We kijken sterren en satellieten, genieten van de stilte. Vroeg slapen.

Na het ontbijt met veel thee en uitgebreid koffie komt de zon een beetje door. De boodschappen halen we bij de Intermarché, vijf minuutjes verderop. Tussen de middag is het strakblauw en 30°. Klein windje, klein schaduwtje. Wat een snertweer.

Later in de middag loopt Gijs naar het stadje, Ravi slaapt en ik werk deze hiërogliefen uit. Ach ja, die weersvoorzienigheid. Van de vorige week voorspelde hoosbuien is niets te bekennen.

We lopen met Ravi naar het riviertje. Nu een smal stroompje met een zeer brede rivierbedding. Het hele gebied bestaat uit uiterwaarden voor de winterse Var. Ik denk dat als die uit zijn plaat gaat, en dat is de afgelopen jaren vaak voorgekomen, de camping en de rest onder water staat. Het meertje van de camping is een kunstmatig omleidinkje.

Oh, al die blaadjes… Ravi swiffert de hele camping. Een kleine borstelbeurt later ondernemen we de tocht naar Entrevaux. Voornamelijk over gravel en grind bereiken we het stadje op zo’n 480 meter hoogte en komen binnen via de Porte de France, met schietgaten en een ophaalbrugje.

We drinken koffie naast het Hospice de St. Jacques. Daarna struinen we straatje op, staatje af, steegje links, trappetje rechts. Ik geniet van de doorkijkjes en de deuren met hun kloppers. Het stadje doet middeleeuws aan, maar de meeste gebouwen zijn voornamelijk uit de 17e en 18e eeuw, gebouwdonder supervisie van de zeventiende-eeuwse architect Vauban. We komen bij de Cathédrale de Notre Dame de l’Assomption, die onderdeel is van de stadmuren. De klokkentoren kon tevens dienst doen als verdedigingstoren.

Ik geef Gijs mijn hoed in bewaring en ga naar binnen, hij wacht met Ravi op het muurtje in de schaduw. Indigoblauw bolt een hemelgewelf boven het koor van de kerk. Achter mij geeft de organist uitleg aan een groepje toeristen, ik sluip weer naar buiten. Daar in de schaduw koelt een briesje ons af terwijl binnen het orgel wordt bespeeld.

Wij laten de klim naar de Citadel voor wat het is. Is vast erg mooi. Voor ons net effe teveel stijgen, het pad vanaf de camping naar het stadje was al pittig genoeg. “Je zóu naar die citadel toe kunnen lopen. Je kunt het ook níet doen. Een paar ansichten kopen en gewoon zeggen dat je er geweest bent. Niemand die het controleert.” (vrij naar Brigitte Kaandorp: vakantie met zus, 1990)

We sjouwen terug naar het eerste pleintje. Lunch met een Salade Chèvre, vanavond hoeven we niet over eten na te denken.

Tonnetjerond vangen we de afdaling aan, met de zon in de rug en beduidend minder schaduw dan de heenweg. In de verte zien we het blauwe treintje. De inmiddels drooggeroosterde dennennaalden geuren sterk. Zalig. Schoenen uit bij de tent. Ruim 9000 stappen, die hebben we vast binnen.

Om het niet te verleren probeert Gijs te kanoën in een lekke kano.

’s Avonds zijn er windvlagen van buien die elders vallen.

Wordt vervolgd…


Kon het maar altijd vakantie zijn. Ik slaap nou eenmaal altijd stukken beter in de tent dan thuis. En nu helemaal, de privébadkamer is slechts enkele stappen van de tent verwijderd waarna ik amper afgekoeld terug in mijn warme slaapzak kan kruipen.

Op vrijdagmiddag gaan we op pad. De 2CV Club heeft een rit uitgezet, de weersverwachting is niet onaardig, we maken er een weekendjeweg van. Het fijne Bilderberg Hotel in Oosterbeek heeft geen honden-kamers meer vrij, vandaar dat we ons bivak opslaan op de naastgelegen camping Aan Veluwe.

We lopen een rondje door het bekende bos. Nu komen we vanaf de andere kant dus ineens oogt het niet meer zo bekend. We komen nochtans bij het heideveldje, het holle pad is verder uitgesleten. Heide bloeit.

Ik heb geen idee hoe laat ik ’s avonds in mijn voorverwarmde bed stap, ik slaap in elk geval zodra ik mijn kussen ruik.

’s Nachts blijkt het geregend te hebben, Gijs heeft de koelkast tenminste onder de douche gezet. Rond een uur of 9 staan we met tegenzin op. De dag kijkt nog grauw uit zijn ogen.

We vertrekken op ons gemak over de snelweg naar Kasteel Doornenburg waar de 2CV Club zich verzamelt. We kunnen op een groot weiland parkeren, het binnenplein van het kasteel ontvangt ons gastvrij met een zonnetje. We melden ons aan, begroeten wat mensen en gaan op een muurtje van de koffie met cake genieten. Ravi zegt HAP! Weg cake.

Bij de uitleg over de rit horen we dat er van alles is afgesloten in verband met een triatlon, een kermis en wegwerkzaamheden in Duitsland. Ik onthoud het niet allemaal, we zullen wel zien. Er blijken 87 eend(achtig)en, zo’n 165 mensen ingeschreven te zijn. Poeh, grote opkomst. Om te beginnen vertrekken we, met het dak halfopen, in colonne naar de pont.

Wanneer we na het overtochtje bij de eerste de beste rotonde aankomen is het direct al bal: iedereen gaat een andere kant op. Huh? De aanwijzingen zijn vrij summier, ik kan er niet goed wijs uit worden, misschien ligt dat aan mij. Helaas is er geen GPX bestand voor de Tomtom van de route gemaakt. Wat zijn we daar altijd mee verwend!

Er zijn meer mensen die de weg of kluts kwijt zijn. Eenden keren naar hartenlust op de gekste plekken, niet altijd op een even verkeersveilige manier. Via omzwervingen komen we in Hoch Elten bij het kerkje. We werpen wat Blickjes ins Rheintal, zien in de verte de ‘Golden Gate’ brug bij Emmerich waar we straks overheen gaan, lopen een rondje om de kerk en verorberen krentenbollen en kadetjes uit ‘t vuistje.

Een aantal mensen is de naastgelegen pannenkoek-tent gedoken, sommigen eten net als wij een broodje uit de kofferbak, anderen keren direct om in haast om de reis te vervolgen.

Op den duur doen wij dat ook en rijden prompt verkeerd. Een vriendelijke man op de fiets brult door het open dak: “Je moet hier naar links en dan gelijk weer links!” Deze snuggere Henkie ziet in één oogopslag dat we bij de 2CVclub horen. We bedanken hem vriendelijk en al snel hebben we de routebeschrijving weer te pakken.

Na de rode brug volgen er wat 100 km-wegen, afgelost door 80 km-wegen. Niet helemaal ons ding. We willen wat zien! Op onze wenken bediend komen we in een grappig dorpje en eindelijk komen we in de Ooypolder. Weidse natuurgebieden, indrukwekkende wolkenluchten, een paar ooievaars, mooi zitten en domweg rond kijken. De zeer lange Erlecomsedam gaat over in de Ooijse Bandijk die pas na vele kilometers overgaat in de Ooijsedijk.

De volgende aanwijzing is zoiets als “bij de laatste stop voor Nijmegen kun je lekker ijs eten.” Nou maar hopen dat we op tijd zien wat nou precies de laatste stop is. We hebben mazzel, het parkeerterrein vol 2CV’s doet vermoeden dat we hier goed zitten.

Het ijs is inderdaad heerlijk. Als Ravi mijn bakje leeggelebberd heeft, zijn we genoeg opgeladen voor het laatste hortje. Aan het einde van de dijk moeten we goed opletten, want, zegt de beschrijving: “we moeten de Waalbrug over.” Eehhh, oké? Welke van de 3 bruggen die ik zie is de Waalbrug die bedoeld wordt? Dwars door Nijmegen krauten we, ik let op de borden, Gijs op welke rijstrook bij welk bord hoort, het is een drama van drukte. Laat dit nou juist goed gaan: zonder mankeren rijden we Nijmegen uit.

Wat kronkels later is er wederom een straat afgesloten. “Volg 4” zegt het gele bordje. Helaas, het blijft bij dat ene bordje, nergens een 4 te bekennen. Nu zijn we het zat. Rechtstreeks terug naar het eindpunt alsjeblieft, Tom. Bij het kasteel kletsen we met wat bekenden na voor we naar de tent terug te keren.

De terugreis naar Oosterbeek is leuker dan heen omdat nu de Rijndijk na de triatlon weer opengesteld is voor verkeer. Het is al ver in de middag als we bij de tent nog net het laatste restje zon meepakken. Gijs haalt pizza in het dorp. Een luchtballon zweeft over bos en hei.

Zulk slaaaaapen! Om 9.15u (!) de volgende morgen maakt Gijs me wakker. Ik wil toch echt eerst thee, nog meer thee, een krentenbol, een kopje koffie. Pas dán ben ik klaar om te gaan pakken. Gijs heeft in de tussentijd de bedden leeg laten lopen en ingerold, ik gooi de losse spulletjes in het krat, maak een thermos voor onderweg, zet alles klaar voor het karretje en de kofferbak. Gijs gaat de auto halen en komt direct terug: lekke band! Zo krijg ik aanschouwelijk les in hoe je in een kwartiertje een band verwisselt. Al met al kunnen we met slechts weinig vertraging vertrekken.

Het eerste stuk kronkelen we door mooi Veluws bos. Bij Lunteren komt ons een optocht van antieke trekkers met oude kampeermiddelen tegemoet, huifkarren, oldtimer caravans en wat dies meer zij. Nergens vinden we echter een leuk picknickplekje.

Paniek! Of tenminste een hartgrondig “OEPS!” in minder nette bewoordingen. “Ik ben de wieldop vergeten terug op het wiel te zetten!” zegt Gijs. Ik denk na. We hebben het ding niet meer zien liggen toen we langs de parkeerplek kwamen bij het wegrijden, toch? “Ik hou het erop dat je dat op de volautomatische piloot hebt gedaan, dat je je dat niet meer herinnert,” zeg ik. Maar Gijs weet 99% zeker van niet…

Bij Lelystad staan we even in de file voor de brug. Over de brug draaien we rechtsom het parkeerterrein op, eindelijk lunch. Voor de gein check ik het achterwiel en schiet in de lach. Natuurlijk zit de dop veilig en wel op het wiel. Kon niet missen.

Thuis schijnt de zon. Kampeerspul is snel weggewerkt. Morgen weer een nieuwe dag.


The saga continues.

Bij die plensbui op de terugweg uit Limburg zwommen we letterlijk de Wijkertunnel in. Eindelijk zijn we het erover eens dat er, vóórdat we hier inderdaad mee naar Frankrijk willen, nieuwe voorbanden om moeten komen. Ik hou niet van het woord “moeten”, maar in dit geval maak ik een uitzondering. Op een winderige dinsdagavond rijden we met de voorwielen in de kofferbak van de Captur naar het magazijn van de ID/DS Club in Tull en ’t Waal waar we onder een regenboog arriveren. De bui is net voorbij getrokken.

Men rekende al op ons. Met twee man sterk duwen en trekken ze de oude banden van de velgen, verwonderd dat er geen binnenband in zit. Nieuwe banden, ditmaal echte Michelins mét binnenband, worden door de twee heren erom geplooid en daarna worden de wielen gebalanceerd. De twee afgesleten banden nemen we mee om zelf naar de stort af te voeren.

Tijdens het opmaken van de rekening somt Gijs allerlei items van de to-do lijst op. Een stroom van informatie over de stoelen, de bandenspanning voor en achter, welke radiatorkachelkraan en zo nog het één en ander vliegt mijn ene oor in en het andere uit. Als Gijs het maar onthoudt.

Omhuld door de stank van nieuw rubber rijden we in het licht van de zon die ondergaat in een uurtje terug naar huis. Woensdagavond zet Gijs de nieuwe banden eronder. Na dit snelle klusje heeft hij eindelijk een avondje vrij.

Een goeie gebruikte kachelkraan is lastig te krijgen, en nieuw is erg duur. Het advies is een kogelkraan tussen de waterslang van kachelradiator te zetten zodat de toevoer van warme water open of dicht gezet kan worden. Helaas heeft het magazijn die niet, via internet is zo’n kraan echter snel besteld. In mum van tijd is het kraantje in de slang bevestigd, nu kan de verwarming helemaal dicht gedraaid worden en geen warme lucht blijft uitstoten. Wat ’s zomers wel zo lekker is.

kraantje > kraantje dicht > kraantje open.

In mijn vorige verhaal vertelde ik dat het rubber van de vooruit in de bovenhoeken bleef wijken. Toen Gijs dat noemde bij het ID/DS Clubmagazijn zei men daarop: “Je had beter een origineel rubber kunnen nemen (nb: alleen bij de vereniging te krijgen)!” Mijn reactie was vanzelfsprekend: “Dat raam gaat er NIET MEER UIT!” Gijs beaamde dat, die voorruit gaat er de komende 50 jaar liever niet meer uit. Laten we thuis nou een stuk van een dikke rubberen mat hebben liggen. Gijs snijdt er met één van mijn beste Xenos-tomatenmesjes een reepje uit en drukt dat tussen de sponning en het glas. Geen gat meer te zien.

rubber wijkt > rubber wijkt niet meer

Voorts de stoelen, eveneens een ergernis hoe mooi ze ook lijken. De niet-originele hoofdsteunen, die we meegeleverd kregen bij het kopen van de auto, had Gijs weliswaar bevestigd alleen duwden de ijzeren staven waarmee ze in de rugleuning vastgeprikt zaten onze rug in een vreemde houding. Dat is voor een uurtje nog overkomelijk, bij lange ritten echter niet aan te raden. Je krijgt geheid last van je rug. Die hoofdsteunen gaan er weer uit, ook al is dat wat minder veilig. De fauteuils zijn so wie so erg slap en doorgezakt, ze bieden weinig tot geen steun. Gijs probeert de veren strakker te trekken met behulp van tie-wraps. Het helpt niet veel. Daar is op korte termijn echter even niets aan te doen. Er moet tenslotte iets op het to-do lijstje blijven staan. We gaan kijken of we via één Citroënonderdelen leveranciers aan nieuw schuimrubber kunnen komen om de vulling te vervangen door vers en hopelijk steviger materiaal.

Een handgreep voor boven mijn deur, om mij toch íets van houvast te bieden, is iets lastiger te bevestigen dan in de Dyane. Gijs buigt twee strookjes rvs om tot beugeltjes waar hij de handgreep aan schroeft waarna hij de beugeltjes tussen de binnen-dakrand en het binnen-dakrand-rubber klemt. Voilá, ik heb een handgreep. Nu alleen die stoelen nog en, voor de vakantie in elk geval, de achterruit en de achterzijruiten van zonne-folie voorzien zodat Ravi en de koelkast niet pal in de zon zitten. Dat kan gelukkig zonder de hele ruit eruit te hoeven pakken.

Voor nu zijn we geloof ik wel klaar…


 

Categorieën: ThuisTags:

Er is ook altijd wat met die oude auto’s. Na de 4000 kilometervakantie met de Dyane is nu de Snoek aan de beurt om mee aan het werk te gaan.
Ik ergerde me al heel lang aan de versleten en gedraaide gordels, het metaal van de ouderwetse vliegtuig-sluiting brandde bij felle zon altijd vreselijk op mijn onderarm. Door moderne DS gordels met die voor een 2CV te combineren, hebben we nu goed werkende riemen. Het onderste stuk, de sluiting, is voor de DS; de bovenkant, met het rolmechanisme en de riem, zijn voor een 2CV. Dat dat werkt als een tierelier hebben we ervaren met het weekendje-weg voor het vouwdak.

Uit die weekendtrip volgden vanzelfsprekend meer klussen. Het to-do-lijstje werd langer en langer. Bij de stortbui op de terugweg uit Limburg hebben we gemerkt dat het aan Gijs’ kant langs de voorruit lekt. De stopverf aan de onderkant, waarmee het ding vastgekit zit, is gaar als boter. Gijs heeft allang andere pasta klaar liggen, het was er alleen nog niet van gekomen. Als hij de oude kit ertussen vandaan peutert komt de hele voorruit los en nu blijkt dat het boven-rubber totaal verhard is. Oftewel, het blijft niet bij simpel wat kit vervangen. Nee, de hele voorruit gaat eruit, nieuwe rubbers, nieuwe stopverf…

Was het maar zo simpel.

De roest op de metalen rand onder het raam wordt verwijderd en een laag anti-roestmiddel aangebracht. Nu die ruit los ligt, willen we er graag een gekleurde band op, een soort zonnebril. Gijs bestelt een bruine, dat lijkt me mooi kleuren bij het interieur van de auto. Omdat het raam gebogen is, zal het folie so wie so in vorm gesneden moeten worden. Een dik uur later komt Gijs me halen: “Kom eens kijken, ik vind het veel te donker. Of ben ik nou gek?” Het was een lange dag, inmiddels is het 10 uur ’s avonds, dus ik hou die optie open. Tot ik in de hal naar het raam kijk. Het folie zit er keurig op, het lijkt alleen net van dat bruine verhuisdozen-tape. Geen gezicht. Het is niet doorschijnend, het maakt vooral het panorama-uitzicht smaller. Rats-rats, het folie is er sneller af dan dat het erop zat. We geven niet zo snel op, een ander, grijs folie wordt besteld.

Afijn, dat folie arriveert. Ziet er goed uit. Gijs en Casper gaan ermee aan de slag. Gijs had al een mal gemaakt van een dunne plaat hout om mooi langs te kunnen snijden. Als het folie op die manier is afgesneden, wordt het met een hoop geklieder met een zeep en water mengsel op de ruit aangebracht. De volgende dag blijkt dat het niet mooi genoeg is opgedroogd, tenminste: Gijs is niet tevreden. Gefrustreerd rukt hij ook deze folie eraf. In ben bang dat hij het voor gezien houdt.

Gelukkig is er genoeg folie over, we proberen het nog één keer. Nu aan de binnenzijde van het raam. In plaats van de bult fabriceren we nu een kulekie in de kussens waar de ruit in komt te liggen. Gijs pakt wederom de plantenspuit en kliedert de boel goed nat. Samen frutten we net zo lang met het folie tot het goed gepositioneerd is waarna Gijs met een rakel (een zacht soort raamwissertje) het overtollige vocht eronder uit wist. De nu holle kromming van de ruit maakt het lastig, het folie trekt steeds strak en blijft zodoende niet plakken in de holte. Ik haal mijn föhntje. Als het folie verwarmd wordt is het makkelijker in vorm te drukken. Het gaat langzaam, maar het lijkt er goed uit te zien. Wat mij betreft in elk geval. En zo niet dan toch. We laten de ruit een extra dag rusten en drogen.

Het moment is daar, het glas moet weer op zijn plek gezet worden. Voorzichtig dragen Gijs en Casper de ruit van de hal waar de operatie plaatsvond naar onze eigen box. Ik bekijk het met angstige ogen. Doodeng. Gelukkig gaat het allemaal goed waarna het getob, met het nieuwe bovenste rubber en de boel op zijn plaats drukken, begint. Met vereende krachten schuiven we het glas steeds een beetje verder omhoog in het rubber en plooien we dat profiel om de bovendorpel. In de hoeken blijft het wijken, we hopen dat dat een kwestie van settelen is. Casper en ik houden de ruit op zijn plaats, Gijs wurmt strategische balkjes eronder om het glas op zijn plek te houden.

Dan moet er een soort voegpasta onder gefrut worden, letterlijk. Een soort stopverfachtige substantie, strip-calk, in dunne reepjes dat je als een soort kneedgum tussen het glas en de sponning duwt. De volgende dag komt Gijs’ broer helpen om de onderste beugel, eveneens in de verse antiroest, en het onder-rubber te plaatsen. Sjonge, ik dacht dat de Dyane-voorruit ingewikkeld was, maar dit is echt een gebed zonder end.

Ten langen leste zit de boel op zijn plek en vast. De motorkap kan er weer op en de ruitenwissers worden terug op hun asjes bevestigd. De achteruitkijkspiegel moest er noodgedwongen af, deze wordt eveneens op zijn plek geplakt. Met een rondje door het oude land en de Zuiderzeedijk, met foto’s door het raam en uit het dak, ronden we deze operatie af.

Al met al zijn we wel 1,30 Franse francs rijker geworden, muntjes die ooit in de jaren 80 van het dashboard gegleden zijn.

Wordt vervolgd vrees ik, de lijst is nog lang.


“Ik ga pas weer met de snoek op vakantie als er een open dak in zit,” zei ik na de junivakantie vorig jaar. Tegen mijn verwachting in heeft Gijs die handschoen opgepikt en is dit voorjaar op snor gegaan naar een schuif- of vouwdak. En laat hij via de DS/ID club nu iemand gevonden hebben die Twingo-vouwdaken in snoeken installeert. Daar sta ik dan met mijn uitdaging, ik (of de snoek?) zal eraan moeten geloven. De beste man woont uiteraard níet in de buurt maar in Limburg. Vooruit, het is mooi weer, niet zeuren, we gaan een weekendje kamperen.

Hoe vaak zeggen we niet: als we naar het zuiden willen, kunnen we beter de Afsluitdijk of Markerwaarddijk nemen. Waarom zijn we dan wéér eigenwijs en nemen we toch de gewone route? Ook dit keer blijkt het namelijk een oefening in geduld te zijn. Veel geduld. Over de hele 270 kilometer, van de A10 tot en met de A2 stuiten we op files. De bijbehorende wegwerkzaamheden zien we nergens, we zitten slechts te koken in de auto. Want het is warm, heel warm. Uiteindelijk arriveren we pas na ruim vier uur rijden bij minicamping Het Fruitweike. Het sanitair-blok is gauw gevonden, er zijn nou eenmaal prioriteiten.

Marc, de eigenaar, begroet ons vriendelijk met Limburgse tongval. We mogen kiezen uit de tentplekken, uiteraard pakken we de grootste onder de kersenbomen. Gijs gaat de auto halen, als een koning komt hij over de camping aangezweefd. De campingbaas vindt het fantastisch. We komen aan de praat over de dak-operatie van morgen, een gewonnen pétanque wedstrijd in jonge jaren en alles wat er meer aan bod komt. Je bent zo een halfuur verder en er zit nog geen haring in de grond. Ik rol zo langzamerhand om van de honger.

We zijn intussen geroutineerd, het is een kwestie van doordouwen met verstand op nul om de tent op te zetten en in te richten. Gijs warmt de pittige kerriesoep van gisteren op, verrukkelijk met de veggie spekkies en stokbroodjes. Het pannetje wordt nog net niet door me uitgelikt. Wat waren we eraan toe.
Inmiddels slaat een verre klok 9 uur, ik was de bakjes en het pannetje snel af. Daarna nestel ik me op mijn stoel, pootjes omhoog en de Wijzer, die net voor vertrek door de postbode werd overhandigd, bij de hand. Ons andere beessie prijkt vrolijk op de cover.

Het Fruitweike ligt in het buurtschap Oensel, bij Schimmert. Achter ons liggen maisvelden en akkers met suikerbieten waar de caravan- en camperplaatsen mooi op uitkijken, wij staan in de luwte achter een heggetje. De doorgaande weg van Oensel loopt langs de camping, de hele dag tot in de late avond rijdt het landbouwverkeer hierlangs. Ik slaap evengoed als een roos.

Na een rustig ontbijtje gaat Gijs richting Sittard en blijf ik met Ravi achter op de camping. Mijn voorgaande blog wil ik afmaken en de wifi werkt hier perfect. De kippies scharrelen om de tent, een mega Brahma-haan kukelt zich schor en Ravi houdt vanonder de tafel de wacht.

Tussen de middag wandelen we een klein rondje. Terug naar de tent lopend, bots ik zowat tegen het campingbusje aan, ik lach me suf. Want niet alleen wist ik dat dit een kinderloze “adults only camping” zou zijn, het kan nog erger. Het is een “50+ camping.” Ik lig in een deuk, ik wist niet dat die bestonden.

Dan ontvang ik de eerste foto. Het dak is eraf. Geen weg terug… spannend hoor. ‘s Middags appt Gijs dat het klaar is en hij terug komt. Een halfuurtje later komt hij enthousiast aangelopen. “Met 100 over de snelweg, dak open, geen geklapper of lawaai!” Da’s mooi.

Als we samen naar de auto op de parkeerplaats lopen vertelt Gijs intussen over zijn wederwaardigheden. Dat ze eerst een uur bij de koffie hebben zitten babbelen. Leo heeft genoeg te vertellen over alle daken die hij heeft geïnstalleerd en hij doet dat dan ook uitgebreid.

Tijd om aan het werk te gaan. Met een mal wordt precies afgetekend waar geboord en gezaagd gaat worden en dan is het moment daar: geen weg terug. Het gaat allemaal van een stoffen dakje. Onderwijl worden er tips uitgewisseld over ontvettings- en smeermiddelen, Michelin- of andere banden en zo meer. Gijs krijgt instructie over het bedieningsmechanisme, supersimpel, dat snap ík zelfs.

Gijs is dus blij maar of ik dat ook ben blijft natuurlijk te bewijzen over. We gaan een proefritje maken. “Kijk, ik kan uit het dak fotograferen.” “Heerlijk, een beetje wind om mijn hoofd zonder kabaal, niet dat geloei om mijn oren van de open ramen.” “Oh, wat is dit leuk!” Geweldig, ik ben overtuigd. Voor Ravi kunnen we het dak desnoods iets verder dichtdoen zodat hij in de schaduw zit, zonder dat dat voor ons afdoet aan de cabrio-beleving.

Wat avondeten betreft hebben we een makkie, pannenkoekrestaurant De Binnenplaets ligt op 200 meter van de camping, letterlijk om de hoek. Met een kinderpannenkoek ben ik dik tevreden, ik laat meestal toch de helft staan. Terug bij de tent begint het te spetten. Je wordt er precies niet nat van, de grote voorspelde buien vallen elders. Het waait af en toe wel hard, we zitten knus binnen met de deur open.

Zondag staan we laat op en breken op ons dooie akkertje de boel op. Op de terugreis, via België om te tanken en Vleuten om bij dochterlief een bakkie te doen, komen we voor de Wijkertunnel in een stortbui terecht. Bij een klein buitje kan het dak op een kier open blijven, bij deze zondvloed doen we hem toch maar dicht. Heel gemakkelijk kan dat gewoon onder het rijden. Bij thuiskomst drupt het enkel wat na. De snoek wordt met een ventilator in haar hok gezet om te drogen, de paar spulletjes en kussens zijn snel uit de kar gehaald.

Ja, het open dak heeft zelfs beter uitgepakt dan we hadden durven hopen. Het was de gok meer dan waard. En weet je? Het was ook gewoon lekker een weekendje weg!


Jullie hebben vast al door dat we allang weer thuis zijn. In deze laatste editie doe ik verslag van de driedaagse terugrit…

Dag 1

Het overkomt ons vaker: regen in de nacht voor vertrek. We zijn vroeg wakker, het drupt nog steeds… Alles wordt er heerlijk smerig van. Voordeel: het is iets koeler. We pakken het zooitje rammedebam kleddernat in, zondag zetten we de tent in de tuin wel weer op. Issie zo droog.

Twee keer slaat de klok negen keer als we de lichtjes-check doen. Allez-óu! Bij Bollène zijn de meeste rotondes versierd met fietsen; gele, groene en rood-witte bolletjesframes knallen tussen de lavendel. De Tour zal er binnenkort vast passeren*. Het is wat bewolkt, fijn voor de variatie. We rijden een stuk langs de Eygues, een glashelder stroompje dat in de loop van millennia deze kloof heeft uitgesleten.

Route du Gap wordt de Route des Alpes. “Sneeuwkettingen verplicht,” ik moet er altijd om grinniken. De brem aan weerszijden leidt ons slingerend van de ene berg naar de andere, een schitterende weg in alle opzichten. Bij Col de la Croix Haute (1179 m) houden we een stopje voor de lunch en bij Lalley zetten we de wagen aan de kant om te proberen de vergezichten vast te leggen.

Langzamerhand nemen hortensia’s de plaats in van de oleanders, de druiven hebben het veld geruimd voor mais. Een glorieus brok graniet, de Mont Aiguille, houden we een hele poos in het vizier.

Langzaamaan naderen we Grenoble. “Voordat we op de snelweg zijn, wil ik het dak dicht doen.” Jahaaa. Nee dus. Plots zitten we op die gevreesde snelweg. “Ik stop wel bij een aire…”

Uiteraard, zoals deze hele vakantie, de wind, heel hárde wind recht in het gezicht. Wat een kabaal! Het voorraam klappert, het bloemetjesgordijn flappert en het plastic om de waterflessen op de hoedenplank fladdert nog veel harder. Het is loeidruk op de koop toe, verkeer voegt in en uit op de 1001 op- en afritten. Ik sta doodsangsten uit, dit is echt niet grappig. En nergens een aire te vinden. We denderen ineengeklemd tussen de vrachtwagens, langs (of door?) Grenoble tot we bij de bekende afslag Voreppe komen. Hèhè, hier kunnen we eindelijk een zwieper maken en stoppen om het dak dicht te doen. Ik heb er koppijn van gekregen, van de spanning, het lawaai, de hitte. Door de voorstad Voreppe voert de weg ons naar de volgende voorstad Voiron waar alleen de kerk het fotograferen waard is, omdat we toevallig bij een stoplicht staan.

Eenmaal daaruit verlost rijden we snel weer op het niet zo platte platteland. We beginnen het zat te worden, houden nog een klein stopje voor een suikershot van icetea en merengue voor we door karren. Kwart over 5, we zijn er, Mercure Bourg-en-Bresse. We zijn kapot. De hond ook.

Dag 2

En route encore! De dag begint zonnig en een beetje heiig, het dak kan veilig open. We volgen de Bis-route die we vorig jaar ook namen. Toen zag ik wel bordjes Vignobles de Jura, maar de wijnvelden vielen me niet op. Nu zie ik ze, smaragdgroene lappen tegen de heuvelwand gedrapeerd.

Vanaf het koffiepauzetje bij Polligny zijn we al bijna drie uur aan één stuk onderweg, het wordt tijd voor lunch. Nergens een fatsoenlijk stopplekje te vinden, net als op de snelweg bij Grenoble. Uit pure arremoe duiken we een willekeurig afslagje in. Letterlijk, het gaat gelijk met 10% naar beneden. Oei, dat moeten we dadelijk terug omhoog? Eindelijk vinden we bij Fougerolles-le-Chateau een stuk asfalt dat we ondanks het gatenkaaswegdek tot picknickplek bombarderen. Moeizaam kreukel ik me de auto uit, ik snak naar koffie en een broodje. Tom heeft intussen tijd om de route bij te werken.

Gevoederd en gelaafd stuiteren we naar boven, staan dan recht voor een oud pand, “École du Chateau”. Een gietijzeren wegwijzer van voor de oorlog staat er wat steels voor. Achter een volgende bocht staat een geel-witte borne (kilometerpaal) met D83 te pronken voor knalblauwe hortensia’s.

Een paar honderd meter verder zijn we terug op de N57. Een hoge rood-witte borne vertelt ons dat we hier de grens tussen Franche-Comté en Lorraine passeren. Even later zien we het fameuze bord “Ligne partage des eaux” oftewel, de scheiding der wateren. Vanaf nu stromen alle rivieren naar de Noordzee/Atlantische Oceaan. Helaas heb ik die mooie plaatjes niet kunnen fotograferen, ik heb ze al schrijvend in mijn geheugen geprent.

Bij de bekende Ibis in Metz heb ik een grotere kamer geboekt, er is zelfs een waterkoker en koffiemachine. Eten doen we vanavond in het restaurant. We schuiven net vóór twee busgroepen aan tafel, zij met z’n allen in het restaurant, wij op het terras. We zitten hier best.

Dag 3

De laatste dag van is altijd de langste, vervelendste rit. Dag rozen, dag bijtjes, dag koe!

Ergens in België stoppen we een kwartiertje voor koffie voor we verder racen. We kunnen in Sprimont wel stoppen om te tanken en wat te eten maar bij de pomp is het te druk. We gaan door. We karren door de tunnels bij Luik, het door Tom beloofde tankstation komt echter niet dichterbij. Pas bij Echt-Susteren stoppen we eindelijk. Zijn we gelijk 2 kwartjes per liter meer kwijt aan de benzine, jammer dan. We nemen ons verlies.

Eindelijk rust. Een schone wc, hoe blij kun je daarmee zijn. Pas na twee bakken koffie en de restjes van de boulangerie word ik in het briesje weer ‘n beetje mens. Er staat een blauw-witte Fordbus uit 1975 die helaas van alles schijnt te mankeren, zonde van zo’n leuk ding.

De gebruikelijke files staan rond Eindhoven en Den Bosch. Bij Veldhoven kiezen we het alternatief van Tom zodat we de hele file rechts kunnen inhalen. Die van 11 kilometer rond Den Bosch kunnen we helaas minder goed ontwijken, er is geen ont- of doorkomen aan. Tja, this is Holland.
We nemen voor de verandering de A9, nu eens niet die saaaaaie A7. Tegen vijven zijn we thuis, waar de mereltjes fluiten, het gras bij thuiskomst keurig is gemaaid en de zon schijnt. Zo nemen we afscheid van deze Tour de France, we hebben ervan genoten. Tot de volgende keer, het lijstje is nog lang!

Totaal hebben we 4068 kilometer afgelegd in 3 weken volgens het tankbonnetje bij vertrek en de km-stand bij thuiskomst.


*) Thuis kom ik erachter dat Bollène de startplaats is van de etappe op 23 juli.

“We hebben nog een week om thuis te komen,” ik zei het al. De vraag is alleen, hoe gaan we die week invullen? In twee dagen bijvoorbeeld naar Poitiers, en van daaruit ook in minimaal twee dagen terug naar huis, over Parijs? Daar hebben we geen zin in. De Alpen dan, Entrevaux staat bijvoorbeeld op mijn lijstje, maar daarvandaan hebben we zeker drie dagen nodig om thuis te komen en hebben we er te weinig tijd om de omgeving te bekijken. Ik hak de knoop door. In één dag, via de péage, naar Goudargues. Hebben we vier nachtjes in een bekende omgeving die we leuk blijven vinden om bij te komen van alle indrukken die we in de Pyreneeën hebben opgedaan. Vanuit Goudargues kunnen we vervolgens met een oostelijke route in drie dagen terug naar boven rijden. Het klinkt als een plan.

Na een laatste bakkie bij de buren kachelen we om half 10 het terrein af. In no time zitten we op de snelweg.

Van de Côtes de Rousillon naar de Côtes du Rhône. De A9 is vrij rustig, we karren goed door. Dat zwarte asfalt voelt heet, pas op de stops koelen we in de schaduw met veel wind lekker af. Niet lachen: deze air-d’eau werkt perfect. De cigales verzorgen een oorverdovend koffieconcert in de dennen.

Geel gras is voor een hond zoiets als gele sneeuw voor ons. Beter niet eten. We zijn zeker een kwartier bezig alle grasaren, klitjes en strootjes uit Ravi’s pootjes te verwijderen. Hond op tafel, kam en borstel erbij, Gijs de ene kant, ik de andere. Drama.

Vlak vóór Avignon nemen we de afslag en met een rechtstreekse, slingerende weg rijden we naar ‘huis’. Die verrotte DS staat nog steeds ‘sans son jus’ op het roje vrachtwagentje. Die jus is zo langzamerhand wel verdampt.

De tent en toebehoren zijn snel weer opgezet; het is broeierig met een waarschuwing voor onweersbuien. We wachten het af, eerst eten bij Café de France op “ons” terras.

Oja, dat onweer en die regen? Er gebeurt natuurlijk niks, al zorgt de hoge luchtvochtigheid voor een plakkerige, drukkende avond. De ventilator doet ’s nachts dienst in de tent.

Na een redelijk koele doch klamme nacht heeft Gijs de volgende morgen veel werk met het fatsoeneren van Ravi, die daarna direct zijn kop in het zwarte zand steekt en zain koil dieper uitgraaft. Tussen de middag loop ik met het beest een bekend rondje door het dorp, langs de wasplaats, de oleanders en een joekel van een paarse hibiscus. Verder doen we zo min mogelijk. Begin van de avond, 35°C. Het rommelt in de verte, de wind trekt wat aan. Met droog gekraak knapt er een boom aan de Cèze-oever. Wederom dreigt er onweer maar de zon is sterker. Net als gisteren lost het op in blauw. Al het blauw van de hemel.

Na lang speuren ontdekt Gijs wat het irritante rammeltje is waar we al de hele reis last van hebben. Het blijkt de linker voorschokbreker te zijn die twee van de drie bouten kwijt is. Niet zo gek na zo’n 2800 kilometer waarvan het merendeel over rammelweggetjes. Gijs monteert een bout uit de rechter- in de linker schokbreker, zo zitten ze in elk geval allebei twee om twee vast. Het “mannetje” van de garage achter de camping is met vakantie, de garage aan het begin van het dorp heeft de bouten niet op voorraad. De dichtstbijzijnde garage zit net voorbij Barjac in Saint-Jean-de-Maruéjols-et-Avéjan. Ik puzzel me steeds suf op die lange plaatsnamen, zo komisch. 

Zoals Cruchot (Louis de Funès) in de eend bij Zuster Clothilde, zo hang ik in de touwen als Gijs door de heuvels scheurt; lavendelveld rechts, wijngaard links, racen om op tijd bij de garage te zijn voor deze klokslag 12 uur dicht gaat voor de lunch. Helaas heeft ook deze garagist de benodigde doch ongebruikelijke M9 bouten niet in zijn rommelbak liggen, maar hij denkt wel dat we Nederland halen zoals het nu vast zit. Ik fotografeer intussen het craquelé van de koplamp van het gebutste eendje dat er staat.

Woensdag marktdag. Dit is een fatsoenlijke toeristenmarkt waar we enkel een meloentje kopen. We hebben meer dan genoeg souvenirzooi. Na de lunch peuter ik eindelijk de meegesjouwde bikini uit de krochten van het karretje en ga ik naar het zwembadje van ongeveer 10×7 meter. Het water is door de blakerende zon opgewarmd tot 30°C volgens het thermometertje. Ik zwem een paar rondjes onder toeziend oog van Michaël (links) en Maria (rechts). In de draak aan Michaëls voeten heeft een duivenpaar zijn nest met piepende jonkies. Veiliger kan niet. Een zwaluwtje scheert rakelings langs m’n hoofd over het water, andere voeren een schaduwballet met de grote klok in de klokkentoren. Een uurtje. Dan komt de club “ons-kent-onsers” en wordt ’t me te gezellig.

De laatste dag houden we ons gemak. Nog een keertje zwemmen, een laatste keer bij Café de France eten voor we morgen opbreken en ons opmaken voor de driedaagse terugreis.

Wordt nog éénmaal vervolgd…


 

Om eens niet met de auto erop uit te gaan, plannen we een rondvaartje vanuit Argelès-sur-Mer. De zon brandt gaten in het marmeren wegdek van de boulevard. We kopen bij de stalletjes langs de boulevard vast kaartjes voor de boot, ja, de hond mag ook mee. Nu hebben tijd over. “Als we nu eens gingen lunchen met pannenkoeken?” Crèpes en cidre brut, dat is toch vakantie?

In het rode bootje doen we als eerste Collioure aan. Een vrolijke bemanning vertelt van alles wat ik snel vergeet. Iets over het bijzondere witte open gebouwtje waar de beeldend kunstenaars die naar Collioure kwamen hun “salon” (tentoonstelling) inrichten, iets over het fort. Zwaluwtjes bakkeleien met de meeuwen rond de torens, de terrassen zitten vol dagjesmensen.

Het cruiseschip “The World” waar we langsvaren, is blijkbaar een bekend fenomeen waar je geen hut boekt. Die koop je gewoon. Als appartement. Of een hele verdieping. We praten hier over miljoenen, vertelt de gids op ons malle bootje. Verschil moet er wezen.

Op volle zee gaan we op de foto met hond en al in de captains cabin. Kijk vooral naar dat hoofd van de beste man. Port Vendres is een natuurlijke haven op de grens met Spanje, zoveel begrijp ik uit het verhaal. De gids vertelt nog meer. Geen idee meer wat, iets met explosievenfabriek, iets over de containertrawler die nu uitgeladen wordt met bananen uit Afrika en de douane die het hier maar druk heeft. We zijn gaargestoofd als klontjes boter als we in Argelès van boord stappen.

Met de Train Jaune, het gele toeristendieseltje, doen we de volgende dag een retourtje Villefranche-de-Conflent <> Font-Romeu-Odeillo-Via. Zo, da’s een mond vol. De namen klinken toch nèt iets anders dan ‘Naarden-Bussum’ of ‘Purmerend-Overwhere’. In Villefranche hebben we wat tijd over om rond te wandelen. Kopen Bunyettes Catalanes, heerlijke platbroden als vette snacks met tomaat/basilicum of met suiker. We snoepen er de hele middag van.

De heenrit zitten we binnen. De trein zit vol Fransen, wij zijn de enige buitenlanders. Tunnels en bruggen worden door een jongetje dat met Papy et Mamie op pad is en met zijn hoofd uit het raam hangt, luidkeels aangekondigd. “Tunnèl, tunnèl! Pont! Pont!” Zijn guitig smoeltje met roetvegen op de wangen glundert van pret. Op onmogelijk kleine stationnetjes stoppen we af en toe om een tegemoetkomende boemel te laten passeren.

Eenmaal aangekomen bij Font Romeu op ruim 1500 meter hebben we een uurtje rust om frisse lucht te snuiven. Heerlijk is het hierboven, relatief ‘koel’. We lopen richting van de Grand Four Solaire, een grote ‘zonneoven’ van spiegels die iets doen met de zonnewarmte. We zien niet veel van het bouwsel en hebben tijd noch zin om het nader te onderzoeken. Op de terugweg zitten we in het open compartiment, een ander soort oven, waar we levend verbranden maar genieten van de uitzichten.

Terugrijdend naar Palau stuiten we op een doodkalm uit de berm grazend paard. Bij de tent probeer ik af te koelen met mijn hoeven in een koudwaterbad, ik kóók! Daar zitten we dan met onze truien, vesten, dikke sokken en elektrische dekens… Een ventilator was handiger geweest.

Na deze avonturen houden we een rustdag. De ‘markt’ in Palau telt twee kramen, daar zijn we snel mee klaar. Wel loop ik een grote glasblazerij/-winkel binnen. Als ik toch ‘ns rijk was… De kleine zomerdromenbol staat nu naast me in de vensterbank te glinsteren.

We doen koffie op een terrasje, halen lekkers en brood bij ’n bakkertje en lopen campingwaarts. Met de schone was aan de lijn hoef ik vandaag niks meer. Tijd voor het dikste boek dat ooit een Dyanevakantie meegemaakt heeft…

Oké, we zijn uitgerust, wat staat er nu op de planning? Je kunt niet naar de Pyreneeën zonder een kasteel te bezoeken. De dichtstbijzijnde is Quéribus, één van de Katharenburchten. We volgen grotendeels het spoortraject van le petit train rouge, het rode treintje dat zich door Katharenland, de Pays Cathares et Fenouillède, slingert. Met de auto komen we tot aan de voet van het kasteel, verder zullen we moeten lopen.

Ik trek mijn wandelschoenen aan: ik zie dat paadje, dat ga ik vanzelangzalzeleven niet op mijn teenslippers redden. Zeker niet in deze bloedhitte. Mijn god, waar beginnen we aan. Hoe zou het komen dat het zo rustig is hier? Haha. Trap na trap, trede voor trede hijs ik mezelf langs de muurtjes en de touwleuning naar boven. Omhoog! Omhoog! Kanonnepietje, zulk zweten. Leve mijn hoed! Ook ik kom er, met een wenteltrap tot bovenop de donjon waar een vriendelijke mijnheer een foto ter bewijs van ons maakt.

Bij ieder schaduwplekje drinken we. Water, veel water, vooral voor Ravi die niet weet waar hij het zoeken moet. De gladgesleten granieten stenen van de trappen schroeien zijn voetzooltjes.

Als we na afloop tussen de wijngaarden van Mas Amiel door kronkelen, schrikt de Garmin (ons hoogte- en temperatuur gadgetje) zich helemaal rot. 37°C? Jup, echt 37°C. De cigales lachen iedereen uit vanuit hun koele schaduwplekje in de bomen.

Op de camping is het al even warm. Gijs is van z’n geloof gevallen en ik verklaar hem voor gek: hij koopt een ventilator. Heerlijk. Hoe we ‘m gaan meekrijgen is van later zorg… ’s Avonds gaan we voor het gemak terug naar Argelès voor de crèpes. Met een ijs toe.

Deze camping is overigens heel modern met automatische elektronische slagboom. Nadeel van een oldtimertje met blauwe kentekenplaat? De slagboom herkent hem niet en gaat niet open. Voordeel van dat oldtimertje? Je kunt er omheen slalommen.

Mijn collega Els van de redactie van het 2CV Clubblad is inmiddels gearriveerd. We doen een fotoshoot van ons tweeën in de kofferbak en zetten de Dyane onder een grote oleander voor de coverfoto. De rest van de dag lummelen we rond de tent. Beetje scharrelen, beetje pakken. Voor de fan zitten en lezen.

Ons laatste avondmaal hier vieren we samen met Els en Lon in het campingrestaurant. Morgen schuiven we vast een stukje op naar het noorden, we hebben nog een week om thuis te komen.

Wordt vervolgd…


PS: de rechterfoto van de Four Solaire d’Odeillo heb ik ‘geleend’ van mijn collega Els die er een paar dagen later met de auto langs reed en de zonneoven van bovenaf, met enig inzoomen, goed kon bekijken.

Uiteraard valt er een onweersbuitje, luttele uren voor vertrek. Evengoed hebben we de tent droog binnen, klaar voor de lange reis naar de voet van de Pyreneeën. 

De eerste reisdag voert ons onder andere door Lapalisse, een stadje dat bij oldtimerfanaten bekend staat om zijn tweejaarlijkse file, de Emboutaillage de Lapalisse waar de Zwarte Zaterdag van de jaren ’50-’70 wordt nagespeeld.

We lunchen in vulkanenland. Na Volvic kruipen we gewoon op de drukke D943 in zijn 2… ehhh, was het maar waar. Er wordt teruggeschakeld, dus stapvoets in zijn 1 kruipen we de lange berg op tot Col de Nugère, 875 meter.

We hebben de Mont Dore (of een andere, wat weet ik er nou van) lange tijd recht voor ons. In de Cantal mogen de sneeuwkettingen om. Laten we die nou net niet meehebben. Het is een geweldige rit, de lage bewolking geeft het uitzicht meer diepte, een schouwspel waar ik geen genoeg van kan krijgen. Gijs werkt zich intussen in het zweet, koud is het met 32°C niet.

Het hotel in Aurillac waar we overnachten is niet veel bijzonders. Wij vinden het allang best, zijn allemaal afgeknoedeld. Door het slingeren heb ik niet veel kunnen schrijven, de foto’s vertellen dit keer het verhaal van de vele indrukken.

Tijdens het ontbijt komt de regen met bakken uit lucht. In de auto is het is klam en kil, de ruitenwissers doen hun best. Bij de Decathlon staan de demo-tenten buiten in de blubber opgesteld.

Als het niet meer regent, rijden we in een schimmig sfeertje door sprookjeswonderland, de Vallée en de Gorges du Lot. Entraygues-sur-Truyère bestaat uit fantasy huisjes, hekken met een leien pannendakje boven de poort. Mistige flarden stomen uit het woud van Entraygues.

Vervolgens dalen we van 800 naar 200 meter, de temperatuur stijgt omgekeerd evenredig. Bij Estaing, net zo’n Eftelingdorp, steken we de Lot een paar keer over. Dit gebied onthouden we voor een volgende vakantie.

Kedeng-e-deng, kedeng-e-deng. We kruisen bij Millau tientallen spoorlijntjes die al jaren geleden zijn opgeheven. De rails roesten nutteloos in het hoge gras, de slagbomen staan uit het lood of liggen op de grond.

“We gingen naar Millau om de brug te zien,
we zagen het beroemde ding.
In nevelen gehuld,
maar we hebben ‘m gezien.”

Kijk, daar heb je die dekselse Nijhoff weer. We zwaaien de brug gedag en begeven ons verder zuidwaarts. Tussen de rotswanden door bereiken we de hoogvlakten en pakken hier de A75. Nevel en mist maken plaats voor de alomtegenwoordige brem. Op een aire met een belvédère stoppen we. Het beloofde uitzicht wordt belemmerd door hoge hekwerken; de foto’s zijn op goed geluk tussen de mazen door gekiekt.

Helaas is de rest van de route ontgoochelend. Met de wind vol in de flank gaat het voornamelijk door laagland, langs bedrijven- en industriegebieden. Naja, ik dramatiseer natuurlijk, er zijn ook dorpjes en plataanlaantjes. Maar niet veel.

Dan rijden we ineens dwars door Narbonne waar we vijf ogen nodig hebben om er heelhuids doorheen te kruisen. Twee ogen op de weg, twee op de andere weggebruikers en oja, ook een oogje houden op Tom. Het gaat. Maar niet van harte, we zijn het zat. Voor het laatste stuk pakken we de tolweg. Makkelijker gezegd dan gereden, die péage! Hier zijn harde rukwinden, we worden van links naar rechts geschud. Het is gelukkig niet al te druk.

Aan het eind van de middag bereiken we Camping Harras in Palau del Vidre. We waren van tevoren gelukkig gewaarschuwd niet eerder te komen want de campeurs en filmploeg van het tv-programma “We zijn er bijna!” hebben gisteren pas de camping verlaten. Nu kunnen we “rustig” ons tentje opzetten. Wij vinden de camping nog steeds vrij vol, we staan tussen een Engelse en een Franse caravan-enclave in en iedereen heeft een elektrische of hybride auto lijkt wel. Komen wij aan met ons herriebeessie. Dat overigens op voldoende belangstelling kan rekenen van alle nationaliteiten.

Even doorrossen, een plakkerig, zweterig klusje. Een klein uur later staat de tent en schuiven we in het restaurant aan het vaderdagdiner. Voor vegetariërs staat er werkelijk niets op de kaart, voor mij kunnen ze “chachouka” maken. De dame moet het 10x herhalen voor ik snap dat ze shakshuka bedoelt. Lekkere ratatouille, de aubergine boterzacht, met kaas en 2 eitjes. Als dessert krijgt Gijs abrikozencrumble met lavendelijs, met 2 lepeltjes. Belachelijk lekker dit.

De dagen erop doen we het rustig aan. Wat boodschappen doen, veel lezen in de schaduw, een keer de hond borstelen. Niet dat dat zin heeft: 5 minuten later graaft hij weer naar een koel plekje op de bosgrond. In de schemering horen we een gerucht in de bomen boven ons. Twee rode eekhoorns zitten elkaar achterna, hupsen met gemak van tak naar tak, zwiepend en zwaaiend.

Ik verbaas me over de oleanders, op de camping en langs de weg. Zoveel hoger en voller dan we ze kennen uit de Côte d’Azur of Ardèche. De auto’s op de camping die er toevallig onder geparkeerd staan, zijn de volgende ochtend in bruidstooi gehuld. Schattig.

Wordt vervolgd…


Bij Amsterdam is het opgehouden met zachtjes regenen. Mensenlief wat een wolkbreuk, Dyaantje en Gijs moeten hard werken. Wind, veel wind, pal tegen.

Martinus Nijhoff heeft veel op zijn geweten. Telkens als we de nieuwe Maasbrug naderen, denk ik aan die twee overzijden die elkaar leken te mijden en toch buren werden.

Verder gaat de reis, van snelweg naar snelweg, door de tunnels bij Luik die Goog en Tom nog steeds niet aangeven. We rijden via Arlon want in Luxemburg zijn de files dramatisch zo te zien en dit is een aardige route. Denk alleen niet dat je een tankstation tegenkomt. We duiken de snelweg af: de 40 liter benzine plus de 5 liter uit het tankje in de kofferbak beginnen nu wel op te raken na die steile heuvels met snoeiharde tegenwind. In Longlaville, een grensstadje, ligt een aantal benzinestations achter elkaar. We tanken spotgoedkoop (€1,56 voor E98) en als we op het bonnetje kijken zien we dat we in Luxemburg getankt hebben. Vreemd, we dachten al in Frankrijk te zitten. Hierna arriveren we met een malle omweg al om 5 uur in Metz bij ons vertrouwde hotelletje. Hallo koe…

…dag koe. Tussen Verdun en Bar-le-Duc volgen we een poos de Voie Sacrée, D1916. In WO I was Verdun aan drie kanten belegerd door de Duitsers waardoor deze weg de belangrijkste aanvoerroute voor de Fransen werd om munitie en goederen naar het slagveld te vervoeren. Na de oorlog kreeg deze route de naam “Voie Sacrée”, gewijde weg. In Bar-le-Duc klimmen we al slingerend vanaf de Maas tot bijna 300 meter. Mooie stad om te bezoeken denk ik, maar we willen dóór.

Eenmaal op de Route Touristique de Champagne zetten we de rit voort door Polisot, Polisey en Les Riceys, enkel omdat ik dat zulke karakteristieke dorpjes vind. Zodra we de Champagnestreek uit zijn, heet de weg ineens Route de Crémant, want ja, buiten de Champagne mag dezelfde wijn ineens geen Champagne meer heten. Ook al staan de stokken zij aan zij met de dure variant op dezelfde helling. Rare Gallois.

De auto houdt zich goed, al rammelt zo langzamerhand alles los door het knip- en plakwerk op het wegdek. Overal langs de wegen zien we borden met “trous en formation”, gaten in de weg. Goh, zou je denken?

Bij een stopplek turen we minutenlang naar een paar wouwen, rode of zwarte, daar wil ik vanaf zijn, die zonder één enkele vleugelslag op de thermiek hoger en hoger tot in de wolken schroeven. Wauw.

Onze eerste standplaats is Camping les Deux Rivières in La-Celle-en-Morvan. Een oude bekende. We bezetten een reusachtige plek naast het beekje, hier kunnen we de komende tijd bijkomen van de 800-nogwat kilometer in 2 x 8 uur.

De eerste dagen is het ’s nachts best fris, we zijn blij met de vesten en elektrische dekens. Zelfs het kacheltje gaat de eerste nacht aan, tegen het opkruipende vocht. Weten wij veel dat zowel de dikke vesten als de elektrische dekens en het kacheltje de rest van de vakantie alleen maar in de weg zullen liggen…

We maken om te beginnen een uitstapje naar Les Rochers du Carnaval waar we in 2020 ook waren. Feestende stenen, wat een naam voor een stel lompe rotsblokken. In dat bemoste bos, aan de rand van een vallei met weids uitzicht en tussen manshoge varens zijn de paadjes een avontuur in het klein.

Ik heb vaak gedacht dat ik een goede spiegelreflexcamera zou willen hebben, in plaats alleen met mijn mobiel foto’s te maken. Maar nee, je moet mij geen goede camera geven. Het risico is groot dat ik dan tijdens de rit elke 5 minuten wil stoppen voor het volgende fotogenieke beeld. Bijvoorbeeld in Laizy, het robuuste kerkje met een enkel rond glas-in-lood venster, glanzend tussen de klaprozen en margrietjes, een simpele korenbloem knalt er blauw tussendoor.

Koeien schuilen op een kluitje in de schaduw onder een eenzame boom in het veld. Bij alle huizen staan rozen, rozen en nog meer rozen, hoog tegen de muren of borderranden. Dubbeldikke rode en roze pioenen als uitbundige boeketten. Zoveel kleur.

Een baltsende fazant pronkt met zijn wapperende vleugels in de berm. In het struikgewas zal wel een onzichtbaar vrouwtje zitten. Met grand jetés zweeft een hert de weg over, verdwijnt als een fata morgana in het dicht-groene woud. Uit de gebarsten stam van een grijze boom macrameeën zijn dode takken zich de hemel in.

Laat in de avond komt de maan als kolossale oranje lampion langzaam tussen de nevelslierten omhoog. De lucht kleurt donkerviolet. Welterusten.

Na een zeer rustige lees-dag, wil ik iets ondernemen. Zoals gebruikelijk op het heetst van de dag (inmiddels zo’n 30°C) toeren we naar Bibracte, een andere bekende trekpleister. Bibracte ligt op een hoge heuvel in een oeroud beukenbos, waar we met de auto helemaal door naar boven kunnen rijden. Daarvandaan kunnen we kiezen uit verschillende wandelroutes langs de Romeinse opgravingen. De bewegwijzering is alleen niet overal duidelijk, hier lopen we verkeerd en daar steken we een stukkie af. Het geeft niet, we zien genoeg. Beukenstammen met doorsnede van 1,5 meter. Veel bos en mos, varens en dan weer vergezichten. Toortsen vingerhoedskruid vlammen her en der paars op. We lopen twee uur en vinden dan dat we aardig ons best hebben gedaan. ’s Avonds slapen we als bosmarmotten.

Op onze laatste dag op deze camping gaan we naar de markt in Luzy, een kunstenaarsdorp. Een leuk ritje. Grappig dorp, je hoort en ziet hier vooral de tweedehuisbezitters. Die praten luid. En verbazen zich dat wij he-le-maal uit Nederland zijn gekomen met Dyaantje.

De markt is vrij klein, in de markthal vinden we vooral honing en groente en fruit. Een donkere klok galmt 11 keer, een minuut later opnieuw. We bezetten een tafeltje op een gezellig terras voor een grand café crème. Daarna sla ik mijn slag in een artistiek winkeltje, terwijl Gijs en Ravi bij de kerk blijven wachten.

Ondertussen stijgt de temperatuur tot 33°C. “Ik ga pas inpakken als de boel in de schaduw staat!” zeg ik. Ik ben er na het avondeten, een rondje door de stad en de kerk in Autun, inderdaad snel mee klaar.

Wordt vervolgd…