Loslaten, even de andere kant opkijken en dan over een kans struikelen. Nee, in dit rare jaar is het me niet gelukt werk te vinden. Er kwam iets anders op mijn pad.

Het begon met een vraag om kopij. Het clubblad Wijzer van de 2CV club waar we lid van zijn, was blijkbaar door zijn verhalen heen, wat, nu er geen tochten meer gereden kunnen worden, goed te begrijpen is.

De twee ritten die we deze zomer wel meegemaakt hebben zijn uitgebreid in mijn blogs beschreven, er hoefde maar weinig aan veranderd te worden om ze voor de Wijzer geschikt te maken. De verrassing was groot toen er in het eerstvolgende nummer ineens twéé van mijn verslagen gepubliceerd waren.

Er volgde een oproep ‘nieuwe redactieleden gezocht’. Ik had de tijd aan mezelf, waarom niet gebruik maken van de kansen die voor me lagen. Een mailtje later zat ik zomaar in het redactieteam van de Wijzer. Laat dat nou precies het werk zijn waar ik in mijn hart naar op zoek was. Iets moois creëren, met woorden en foto’s werken, thuis achter mijn computer en af en toe een online vergadering met de andere vrijwilligers. Hoe mooi wilde ik het hebben. Een mailtje later kon ik gelijk aan de bak. Snelle reactie met onvoorziene gevolgen…

Het begon met nieuwe dingen leren. Zoomvergaderingen. Een nieuw systeem van blad-opmaak leren. Een groot scherm op de eettafel, toetsenbord aan mijn laptop gekoppeld. Een webinar van de uitgever van het magazine bijwonen en direct inschrijven voor de volgende. Thuiswerken. Vrijwilligerswerk, maar met zoveel voldoening. Dit vind ik immers leuk, dit kan ik wel. Mijn inbreng wordt gewaardeerd. En, het meest belangrijk: de lezers vinden het elke keer een feest wanneer de nieuwe Wijzer bezorgd wordt. Die Wijzer waaraan ik mag meewerken.

Het decembernummer lag vorige week op de mat. Plezier, ja stiekem zelfs een beetje trots. Werk heb ik niet gevonden, maar ik heb wel veel gekregen waar ik niet eens op hoopte. ‘Laat het los, laat het gaan’. Zoiets schreef ik jaren geleden al. Loslaten, even de andere kant opkijken en dan over een kans struikelen. Het werkt.

ไม่เป็นไร

Mai pen rai
laat maar zitten
laat maar gaan

beren op de weg
fouten die te wachten staan
zorgen voor morgen
laat het los, laat het gaan

Mai pen rai
laat maar zitten
laat maar gaan


Een paar dagen later volgt een nieuwe poging het voorraam van Beessie te bevestigen. We hebben verse mankracht bereid gevonden te helpen: vriend Frans beschikt over goed materiaal en verstand van zaken. Ook de facebook-ledengroep van de 2CV Club spreekt Gijs moed in met allerhande tips.

Het tweede nieuwe rubber wordt weer in een bak warm water gelegd om soepel te worden, net als vorige keer. Maar nu zijn het twee paar sterke mannenhanden die het rubber om de ruit spannen. Wanneer dat zit, wordt er soepel elektradraad tussen geprutst, in plaats van het nylon touw. De hele exercitie wordt begeleid door gekreun en gesteun, ik zit op de bank empathisch mee te puffen. Een zware bevalling dit.

Op de motorklep wordt het rubber vakkundig met een hoekkwast vol bandenvet ingevet. Veel dikker dan het beetje wasmiddel van vorige keer. Grote raamklemmen en antisliphandschoenen komen eraan te pas. Dan een, twee, drie, in godsnaam. Op hoop van zegen wordt de ruit in de opening gezet. Aan jouw kant een beetje zakken, ja zo. Hier een beetje duwen, daar een beetje trekken. Langzaam maar zeker lijkt de ruit zijn verzet op te geven en valt het rubber om de sponning. Het puffen gaat onverminderd door bij deze krachtmeting. Voorzichtig eerst de draad aan de onderkant wegtrekken zodat de ruit hopelijk wat verder naar beneden geduwd kan worden. Ik loop met mijn telefoon verschrikkelijk in de weg om het gevecht vast te kunnen leggen.

De mannen triomferen met brute kracht, stug doorzettingsvermogen en beleid. De nieuwe, gelaagde voorruit kijkt vettig door zijn rubberen montuur. Operatie Raam is geslaagd. Dankjewel Frans!

Van hier >>> naar daar!

‘Je zult nog dágen, maanden zelfs, overal glas vinden’ werd ons door de kenners te verstaan gegeven. Welnee, we hebben het immers direct al zo goed weggeveegd en gestofzuigd. Ons gebeurt dat niet. Ehm, dus wel. De volgende dag gaat Gijs met de Dyson de Dyane te lijf. Overal, werkelijk overal tot de achterbank aan toe, glinsteren de splinters ons tegemoet. Een groot brok duikt op uit een ventilator, op de kilometerteller liggen nog of weer gruizels en op de vloer flonkeren fonkelingen glas. Knipogend. Tot in de woonkamer aan toe vinden we restjes van wat eens voorruit was. Dachten we nou écht dat er geen scherf ontsnapt was? Het glas weet wel beter. Wij nu ook.


Eindelijk is de auto teruggebracht, precies een week na zijn brute kennismaking met een steentje. Nu kunnen we opgelucht ademhalen en verdere plannen smeden. De Dyane wordt zolang op het werk in de fabriekshal gestald.

Op de vakantie met ruim 3000 kilometers op de teller ontbraken de laatste 250. Die maken we -weliswaar met de Captur en niet met de Dyane- diezelfde middag alsnog goed. We rijden 200 kilometer naar Valthermond en terug om een nieuwe, gelaagde voorruit op te halen. Een doodsaaie rit die we voor het goeie doel over hebben.

’s Avonds gaan we de schade nader bekijken. Wat een bende, de scherven liggen overal. Waar te beginnen? We leggen eerst een groot stuk karton op de voorbank om de nieuwe bekleding niet te beschadigen, daarna trekt Gijs voorzichtig het rubber met de laatste brokken glas los. Rinkeldekletter op het karton, de vloer, de motorkap.

Behoedzaam trekken we het karton naar buiten en gooien het glas in de grote container, bij de koekjes en papieren zakdoeken die ik uit het deur-vak heb gehaald. Daar waag ik me niet meer aan. Met een zachte bezem veeg ik alvast het ergste puin bij elkaar.

Hierna zijn de matten aan de beurt. Drijfnat kletsen ze op de gladde betonvloer. Het meeste water vegen we met grote stukken keukenpapier weg, in de hoop dat ze wat sneller drogen. De vloer van de auto deppen we met beleid, het is inmiddels te donker om nog te kunnen zien of ergens misschien verdwaalde splinters liggen. Op de bodem zijn nu grote, oppervlakkige roestplekken waar een week lang water op heeft gestaan. Winterklusje vrees ik.

Wat er onder het raam-rubber vandaan komt, is niet fraai. De vorige eigenaar(s) waren amateur knutselaars, sommige restauraties zijn zo knullig uitgevoerd, dat de onkunde eraf spat. Letterlijk. Ook hier is blijkbaar ooit iets van roest overgeschilderd in plaats van verwijderd. Van ‘zondag even de nieuwe ruit erin zetten’ is ineens geen sprake meer, eerst moet deze rotte vulling uitgeboord worden.

Met een kachel en ventilator op de Dyane gericht wensen we hem welterusten. Morgen weer een dag.

Gewapend met een Dremel gaat Gijs zaterdag het raamkozijn te lijf. Schuren, slijpen, vijlen net zolang tot alle roest en bouwmarktverf verwijderd is. Vervolgens een laag menie en vier uur later nog een laag. Zondag rijdt hij, zonder ruit, net voor de bui naar huis. Welkom thuis Beessie, in je eigen warme garage.

De herstelwerkzaamheden worden hervat. Schuren. Afplakken. Plamuren. Wachten. Schuren. Plamuren. Wachten. Een pot verf, AC-645, Bleu Myosotis, en een compleet airbrush-systeem worden aangeschaft. Het mag een paar centen kosten want oude Citroëns kennende zullen er wel meer roestplekken volgen.

Dan is het zover, het nieuwe raam kan erin. Met enorm veel beleid, kracht en zweet spannen we het rubber rond het raam. Een monsterklus, het rubber is zwaar en stroef. ’s Avonds komt de buurman helpen het geheel in het kozijn te plaatsen. Als het eenmaal met veel moeite ongeveer op zijn plaats zit, kan ‘het touwtje’ er simpelweg uit getrokken te worden. Dat touw zit in de gleuf van het rubber dat over het kozijn heen valt. Als je het eruit trekt, valt het rubber mooi op zijn plaats. Tot zover de theorie.

De werkelijkheid is weerbarstiger. Het touw doet het rubber scheuren. Bij scheurtje één denk je nog: ‘dat repareren we wel’, bij scheurtje vijf is het verloren zaak. Dit gaat niet meer goedkomen. Wederom komen er spierballen aan te pas om het raam weer uit het kozijn te duwen.

Status quo: poging één mislukt. Een nieuw rubber is besteld, dat moet deze week binnen komen. De uiterste keuringsdatum voor de Dyane is 24 oktober 2020…


Eigenlijk wilde zij me ‘Dyaantje’ noemen, ware het niet dat haar vriendin al zo heet. Dat je je werkezeltje dan niet ook zo noemt, dat snap ik wel. Sinds ik bij hen op stal sta, klopt ze me in het voorbijgaan altijd even liefkozend op mijn hoofd: ‘hé Beessie’ of, als ik hard gewerkt heb: ‘braaf Beessie’. Het is op één of andere manier Beessie gebleven. Hij noemt me altijd ‘De Dyáááááne’ om vooral te benadrukken dat ik geen Eend ben. 

Eindelijk mocht ik met ze mee naar het land van mijn voorvaderen. Frankrijk. Plannen werden gesmeed en zoals je weet zijn mensenplannen er om te veranderen. Dan noemen ze het ‘avontuur’. Mij maakte het allemaal niet uit, ik deed mijn werk en deed wat ze wilden dat ik deed. Ze hebben zelfs een soort zonnehoed voor me gemaakt. Met blóemen notabene. Past niet helemaal bij het beeld van een stoere pakezel. Maar als ik op tijd mijn voer krijg, mijn hoeven af en toe nagelopen worden en mijn binnenste gecheckt, vind ik alles best. Karretje, een oude knar, huppelde volgzaam achter me aan, als een veulentje achter zijn moeder.

Een mooie belevenis hoor, dat Franse landschap en het bewonderende publiek. Wat stonden we daar in de spotlights van de zon. Op de gekste plekken werden er foto’s gemaakt en poseerden we geduldig in een kale woestenij, een geblakerd zonnebloemveld of een wijngaard. Kar deed dienst als koffietafel.

Op een kruising werd Grootvader Beige in het langsrijden met een peppertje begroet. ‘Pweeep pweeep!’ klonk het in het Frans terug. Van de Eenden-tak kwamen we veel meer familieleden tegen. Neef Charleston, nicht Dolly, baby Blanc, een paar Blauwe verwanten en diverse Grijze Oude Duiven. Het was mooi om te zien dat Grande Dame Peugeot 203 ook nog leefde. Meester Snoek, Boer Mehari en Kwajongen R5 roestten helaas hun oude dag bij het sanitair in de braamstruiken.

Twee dieren-ezels graasden in de wei naast het zwembad. Hun baas zette ze ’s avonds op stal, waarbij ze met afgewend hoofd langs hun eindbestemming, de boucherie/charcuterie, klosten. Kar en ik overnachtten gewoon buiten, wij konden best tegen de Zuid-Franse regen- en onweersbuien. Zolang we straks in de Hollandse kou maar binnen mogen overwinteren, is de slager bij lange na niet in zicht.

Alleen als het ’s nachts heel koud was en vochtig, kon mijn spijsvertering van slag raken. Stinkende gassen walmden achter me aan als ik vertrok, de hele camping stond blauw. Dat deed ik niet expres, ik was enkel een beetje overvoerd.

Terwijl zij en hij een ijsje aten of een apéritief namen op een terras, hield ik de wacht over de blauwe karavaan op de camping. Verschil moet er zijn. Werkezels en luxemensen. Toch, wanneer we in de schaduw onder de platanen doorreden, voelde ík me een teruggekeerde keizer te rijk.

Het venijn zat hem in de staart van de reis, toen ik een steen tegen mijn kop kreeg. Hij en zij totaal van de kaart terwijl ík degene was met een hersenschudding. Met een ambulance werd ik afgevoerd en na een rillerige tocht werd ik in Breda bij de berger gestald.

Inmiddels ben ik weer thuis. Het gat in mijn kop wordt geheeld, dat komt vast goed. Het ergste leed is geleden.

Ik kan haast niet wachten op volgend jaar, in juni de brem zien bloeien, de lavendel opsnuiven. Ja zeker, de plannen liggen al gereed. Laten we zien wat ervan terecht komt. On verra!

Een schitterend avontuur!


Drie weken lang heeft de Dyane perfect gereden. Oké, we hebben wat regen gehad onderweg en vandaag, de laatste dag van de terugweg, was dat nog wat erger. Het wegdek was soms waardeloos maar we reden en vonden alles, zoals de ontmoeting vanmorgen, nog steeds leuk.

En toen

gebeurde er

dit.

Met een grote explosie klapt de voorruit aan diggelen. Dit zijn de diggelen.

Een steen, KLABAM! en we zien niks meer. Op gevoel schuift Gijs op naar de vluchtstrook en een tel later komen alle scherven naar binnen. Voordeel: je ziet weer wat en de ruit beslaat niet meer. Nadeel: de splinters zijn vlijmscherp en zitten overal. De regen heeft vrij spel. Verkrampt blijft Gijs het stuur vasthouden en ik duw mijn voet naar voren alsof ik een rempedaal intrap. Totaal verstijfd blijven we zitten, in shock. Wat gebeurde er? Wat, wat? En direct daarop: en nu? Ik sta strak van de schrik, mijn tranen van onbegrip, machteloosheid, woede, angst, verdriet strijden om voorrang.

Het is vrijdagmiddag. We staan langs een driebaanssnelweg, in de spits van Brussel naar Antwerpen. Terwijl we juist dáár of all places niet wilden stoppen. Denk vooral niet dat er iemand komt informeren, er komt geen politie langs, laat staan verkeersregelaars om een baan af te zetten zoals in Nederland rond de grote steden te doen gebruikelijk is. Het zware verkeer dendert met veel kabaal langs ons heen.

De ANWB stuurt ons door naar de verzekering. Hoezo ‘dit is geen pech, meneer’. Hoeveel méér moet er gebeuren voor iets ‘pech’ heet? Nee, dit is een ‘ongeval’ en daar is de verzekering voor. Die reageert snel op ons telefoontje, na twee minuten worden we teruggebeld dat er een Belgische sleper ons hier komt weghalen en bij de grens zal neerzetten, waarna een Nederlands bergingsbedrijf de auto en het karretje daar komt ophalen. Wij zouden dan met de trein naar huis moeten kunnen komen.

Na wat een eeuwigheid lijkt arriveert de sleepdienst. Vlaams, maar de beste man spreekt alleen Frans met een (koeter)Waals accent. Hij begrijpt niet wat er is afgesproken, heeft niet de goeie stekker om onze aanhanger te mogen trekken en snapt er in het geheel niets van. Uiteindelijk zitten we in de cabine, Dyane achterop en de kar aan de trekhaak. Zonder verlichting, maar dat is dan niet anders. Vele telefoontjes later is meneer akkoord en zijn we op weg naar de grens.

Inmiddels heeft Gijs zijn broer te pakken gekregen. De lieverd stapt direct in zijn auto en begint aan de 180 kilometer naar Hazeldonk. Zijn auto heeft een trekhaak, zodat we het karretje mee naar huis kunnen nemen.

Bij de parkeerplaats op Hazeldonk-Oost worden we uitgeladen. Onder de pui van een seizoensarbeidershotel overleggen we wat we straks mee willen nemen uit de auto. De beheerder ziet ons kleumen en noodt ons binnen om op te warmen terwijl we op sleepwagen wachten. Met ons hebben en houden druipen we de lobby binnen. Hier brandt de kachel en staat een kop hete thee onmiddellijk voor ons neus. Gijs loopt nog vijf keer heen en weer, hij wordt natter en natter. De tent, ja de tent moet ook mee want die hebben we drie dagen geleden drijfnat ingepakt en zouden we thuis laten drogen.

Een halfuur later verschijnt de hulpdienst. De man is erg begaan met ons autootje en belooft hem binnen te zullen stallen, bij de verwarming zodat hij snel kan opdrogen. Volgende week zal hij thuis gebracht worden. Karretje blijft in de regen heel alleen achter op de parkeerplaats.

Snel daarop arriveert superzwager en worden we naar huis gebracht. Daar kunnen we in alle rust bijkomen.

Ja natuurlijk:
– Gelukkig: dat we zelf, op de schrik na, ongedeerd zijn.
– Mazzel: dat we rechts reden en direct de dubbele vluchtstrook op konden glijden.
– Blij: dat het op de terugweg gebeurde en we drie fantastische, vrije weken beleefd hebben.
– Zo fijn: dat de hulpdiensten vlot in actie kwamen en de schuilplaats en warme thee zo hartelijk geboden werden.
– Dankbaar: dat Gijs’ broer ons en de kar helemaal in Hazeldonk ophaalde en snel en veilig thuis bracht. Dankjewel lieve zwager!
– Ik voor mij ben het allerblijst dat Gijs zoals altijd de rust zelve bleef, mij kalmeerde en ervoor zorgde dat het allemaal goed kwam.
Maar dat we het allebei ondanks dat alles verschrikkelijk vinden dat onze arme Dyane dit overkwam, spreekt voor zich.

Ons trouwe vehikel, met een groot gat in zijn hoofd, weggesleept op een gele truck, de kar eenzaam in de regen achterlatend. Het is een beeld dat me lang bij zal blijven.


Mijn betoog Naar de zuiderzon van 2018 moet ik herroepen. Of nee, niet zozeer herroepen dan wel nuanceren. De snelle route langs alle ijkpunten op die weg naar Zuid-Frankrijk blijft heerlijk. Het blijven herinneringsplekken van: bij het kunstwerk zijn we op de helft, bij de parasoldennen en de krekels zijn we definitief in het Zuiden en bij de afslag zijn we er bijna. Met de andere auto en het Karsten-kasteel drie weken lang genieten van zon, zee en niks doen is alleen een heel andere vakantie dan dit.

Want zoals we nu reizen en wat we nu allemaal meemaken, dat is zoveel méér. Meer zien, meer ruiken, meer proeven van la France profonde. Genieten van alle soorten binnenlanden van Frankrijk, met alle bijbehorende temperaturen en temperamenten. Meer beleven. Meer léven misschien wel. Want het volgende kan je dan onverwacht overkomen.

Juist als ik de pest in heb vanwege een onverwachte wegafsluiting en ik in Juniville, een dorp van niks in het midden van nog minder, tussen twee buien door even een boulangerie binnenwip voor een broodje en iets lekkers bij de koffie, word ik aangesproken door een Franse dame. Of we vijf minuten hebben? Eerst ben ik wat terughoudend, wat wil die me verkopen? Maar nee, dat is te Hollands gedacht.

Mevrouw begint te ratelen, dat ons autootje zo mooi gerestaureerd is en dat zij precies dezelfde in de schuur heeft staan en of we misschien even willen komen kijken? Gijs komt erbij staan, dit is té leuk om te laten schieten. Haastig schiet ik mijn vest aan maar vergeet mijn telefoon waar ik direct spijt van heb. Jammer dan, dan maar geen foto’s. Het gaat immers om de belevenis. Mijn sacherijnig bui is vergeten.

Door de grote hekken worden we naar een garage geloodst waar behalve een paar antieke motoren ook een Dyane6 in versleten vergeetmenietjesblauw staat. Aan dit exemplaar uit 1974 is duidelijk te zien dat er nog wel iets aan moet gebeuren. Het dak is met vliegtuigtape gerepareerd, er zit een grote roestplek naast het achterraam en de binnenbekleding kan wel een naaimachine gebruiken.

De mevrouw vertelt enthousiast verder. Ze hebben thuis ook nog een Ami in dezelfde kleur en een 2CV uit 1954 en een andere Dyane en een DS, een Snoek. Er komt geen eind aan de schier ademloze opsomming. We zijn nu in het huis van grand-mère, die er een hotel-restaurant had. De vroegere feestzaal achter het gazon is nu opslag voor nog meer moois. Heb je nog een paar minuten? Kom maar mee. Wij volgen gedwee, dit is fantastisch en de tijd is aan ons.

In de volgende ruimte komt vanonder een dekkleed een antieke Renault op hoge wielen tevoorschijn. Een plaatje. De ruimte staat vol met oud meubilair waardoor er voor Gijs weinig manoeuvreerruimte overblijft om foto’s te maken. Woorden moeten l’histoire vertellen. La voiture was van grootvader en is sinds die tijd al in de familie. Opa heeft in de oorlog de achterkant eraf gezaagd waardoor je een soort pick-up kreeg. Dan was het een werk-voertuig en werd de auto niet gevorderd. Jaren later, toen onze vertelster de auto toebedeeld kreeg, is haar man gaan speuren naar nieuwe banken, deuren, kap en de rest van het toebehoren en hebben ze samen de hele auto gerestaureerd. De achterste houten steunen waar het dak op rust hebben ze zelf uit latten in vorm gedraaid. Het dak heeft zij zelf genaaid. Het duurste waren de nieuwe banden, zo’n incourante maat voor die hoge oldtimerwielen was moeilijk te verkrijgen.

Onder een ander zeil staat een klein, enorm smal mal Italiaans vrachtwagentje op blokken. Een ‘project’ zoals ze het noemt. Gebed-zonder-end is misschien een betere omschrijving. Nog meer brommers staan lijdzaam in een hoek geparkeerd op een paar handige handen te wachten.

Met complimenten en dankbetuigingen nemen we afscheid van mevrouw, met de uitnodiging op zak dat we weer eens in de buurt zijn, vooral niet mogen aarzelen aan te bellen.

Kijk, zóiets maak je dus echt niet mee als je met 130 km/u over de péage jakkert.


Wandelschoenen aan, stokken mee en hoed op. We gaan wandelen, zomaar de berg op en kijken waar we uitkomen. Een verhaal van hoe heet het was en hoe ver.

Stenige paden, kale rotsgrond. Stekelbrem en jeneverbes en nog meer dorre prikgrassen schuren langs mijn blote benen. De zon brandt genadeloos op mijn blote schouders. Men neme deze uitdrukking letterlijk. Het brandt – niets ontziend, zonder genade. Het zal hierboven, zonder een zuchtje wind of een greintje schaduw, al gauw tegen de 40 graden lopen.

We zetten stug door, kom op, dit soort hellingen hebben we toch al vaker gehad. Ja, maar nooit op het midden van de dag, nooit met zo’n slechte conditie. Gijs wacht telkens geduldig op me als ik puffend met steeds roder wordende kop naar boven zwoeg. Het uitzicht is mijn excuus om na elke 100 meter stil te staan. Dat mijn hartslag dan kans krijgt te herstellen is mooi meegenomen.

De Morvan zou mysterieus zijn, hier op die kale berg in de Ardèche heb ik veel meer dat gevoel van verwondering, noem het de stilte. La solitude, een mooi Frans woord voor dit soort verlaten eenzaamheid. Zo stil dat je de sprinkhaantjes hoort springen, een vlinder hoort vliegen. Een roofvogel klapwiekt weg van zijn uitkijkpost, wij verstoren zijn rust.

Tijm groeit midden op het pad tussen de stenen, de geur vergezelt onze voetstappen als we er per ongeluk op staan. Ik pluk een takje en droog er mijn zweethanden mee. Een paar slokken water en we kunnen verder.

Swoesshh! Een troep patrijzen stijgt op uit de garrigues, het lage struikgewas heeft dezelfde vaalbruine kleur als de vogels. Patrijzen, misschien zelfs wel ‘Bartavelles’, steenpatrijzen, zoals in de film ‘La gloire de mon père’ naar het gelijknamige boek van Marcel Pagnol. Op winteravonden, als heimwee naar dit vrije zwerversbestaan me overvallen heeft, hoef ik de krekels uit de herkenningsmelodie van de film maar te horen of ik ruik precies dit dorre struikgewas.

Op de top van de heuvel is het geluid van de D-weg goed te horen, autootjes en vrachtwagentjes racen ver beneden ons. We zoeken in het vergezicht naar onze camping, tevergeefs, die ligt verscholen tussen de bomen.

Hoezeer we ook genieten van het uitzicht, het groen en de vage bergen in de verte, toch missen we stiekem de blauwe schitter van de zee.

Licht in het hoofd bereik ik de dolmen, la Tombe du Géant, het graf van de reus. Ook dit land staat bol van de legendes en het bijgeloof. Men geloofde dat de dolmen door elfen en reuzen gebouwd waren. Waarschijnlijk stammen ze uit 3000 tot 1000 voor Christus, het neolithische en bronzen tijdperk. Pak ‘em beet 4000 jaar oud, geen wonder dat er vrij weinig van over is gebleven. Vermoedelijk heeft er een deksteen op gelegen en was het ding zichtbaar vanuit de verte. Nu moet je goed zoeken en wederom, ook hier, de bordjes volgen.

Genoeg geklommen. Af en toe glijdend over de losliggende stenen dalen we de berg weer af. Het geluid van de weg vervaagt, klinkt met elke meter verder weg.

Struinen zonder conditie in de hitte is misschien niet zo’n goed idee, maar oh, wat een land.


We zijn snel opgebroken, de volgende dag. Wegwezen daar. Wonderbaarlijk hoe Gijs alles altijd zo netjes in de auto en het karretje gepakt krijgt.

Vandaag nemen we alleen kleine binnenweggetjes. Haarspeldklimmen in de eerste versnelling, lange hellingen in zijn twee. Af en toe achterliggers laten passeren en na iedere bocht een nieuw vergezicht. Dat ene bankje nodigt ons uit voor een picknick, de vriendelijke doch ietwat schurftige schapendoes doet er een schepje bovenop. Warme koffie, knapperig stokbrood, lopende brie, een nieuwsgierige hond en een zonnig dal vóór ons. Alle ingrediënten voor een perfecte lunch zijn aanwezig.

Een muzikale geest heeft de wegwijzer naar het gehucht Chante met stift bijgewerkt: ’Chantez la vie!’ Als ik zingen kon, deed ik dat. Nu trappel ik maar eens met mijn voeten waarop Gijs verbaasd opzij kijkt:
‘Wat gebeurt er?’
‘Niks. Ik ben blij.’
Ik snuif diep de droogte in. Wat een leven, wat een land. ‘Ik zou het ’t liefste in een doosje willen doen, en dan bewaren, heel goed bewaren….’ Toch een liedje.

We zijn in Kastanjebomenland, de bolsters zijn zo groot als groene tennisballen. Aan de voet van een kastanjebomenbos kijken een stel ouwe fransozen met blote bast -si vous me permettez ces mots- op van hun stokbroodje. Met volle mond lachend steken ze een duimpje op.
‘Bonne route!’
‘Bon appétit!’

La Turelure is praktisch leeg, samen met nog een Nederlands stel zijn we de enige gasten op de hele camping. Het is bijna doodstil, wat blaadjes ruisen en een enkele krekel knerpt. De plek is belachelijk groot, met een beekje, een rotswand daarachter en een klein zwembad voor ons alleen. De kastanjes eromheen staan op uitbarsten. Oui oui, c’est belle, la vie!

Vrolijk word ik ervan: de plaatsnaambordjes in dit gebied. Joyeuse (vreugdevol), Rosières (rozenstruiken), Prends-toi-garde (zoiets als ‘take care’ op zijn Engels). Notre Dame staat bovenop de toren te waken in het gelijknamige dorp. Een hameau dat zich Bellevue noemt klinkt bijna afgezaagd, daar zijn er zoveel van.

Happy word ik ook van rommelmarkten. De volgende dag suffelen we in Joyeuse over een brocante ofwel vide-grenier. Noem het een kofferbakmarkt met alle overbodige bende van zolder. Er liggen diverse luchtbuksen en geweren, het jachtseizoen is begonnen. Wat muziekinstrumenten, glaswerk en een oude aftandse wieg kun je voor een prikkie meenemen. Verbazingwekkend rustig is het hier, niets vergeleken bij de overvolle zomermarkten in het hoogseizoen. Tot slot een colaatje op een terras en mensen kijken, pa en ma zijn een dagje uit.

Met een grote slinger gaan we terug, via een kloof met mega kalkstenen formaties. Diep beneden ons zijn mensen aan het zwemmen. Soms pikken we vreemde lifters op, een blad een sprinkhaan, ze rijden ongestoord kilometers mee.

De campingkippen weten wanneer er gekookt gaat worden, dan komen ze aan gewaggeld. Van de campingeigenaar krijgen we hun verse eitjes cadeau. Aan de oever van het water zitten bevers, hoewel we iets zien bewegen krijg ik ze in de schemering natuurlijk niet op de foto. In de beek zitten eenden elkaar achterna en op de rotswand tegenover ons klimmen vijf of zes geiten.

Wanneer ik uit de douche naar de tent loop, hoor ik het signaal van een grote roofvogel hoog boven me. Boven de rotswand cirkelt een relaxte Circaète, een slangenarend, roepend naar zijn compagnon. Een tel later vliegt deze op uit de bosschages waar hij gefoerageerd heeft. Bij deze hele menagerie mogen de kikkers die in de namiddag een spreekkoor aanheffen natuurlijk niet ontbreken. Zo plotseling als ze allemaal tegelijk beginnen te brulboeien, evenzo abrupt stopt het koor ook weer. Het is avond. Welterusten.


Door het plaatsje Charolles rijdend snap ik ineens wat voor soort koeien al dagen om ons heen sjouwen. Charolais koeien dus. Die wittige met een krulkuif, honderden hebben we er gezien deze week. We passeren bij La Clayette een rivier, geen idee welke. Wel een mooi, typisch Frans plaatje zo met het water en de platanen. Plus de blauwe Dyane natuurlijk. De route die we vandaag hebben ingegeven, gaat voornamelijk over D-wegen en een klein stukje snelweg. 

Hoe dichter we bij Lyon komen, hoe meer verkeer. Bij Dardilly duiken we de jakkerdejakkerroute op. Zoals gewoonlijk in de bijnafile voor de tunnels en dan ligt daar als beloning het Musée des Confluences te schitteren in de zon. Daarna de N7. Die is zo mogelijk nog drukker, we zijn dat echt ontwend. Ik zoek naar betonnen N7 paaltjes, die staan alleen links van de weg en zijn van plastic. Niks an.

De laatste etappe duiken we weer een slingerweg in. We steken een vreemde brug over waar je alleen met heel smalle autootjes op mag, passeren is anders niet mogelijk. Je rijdt hier eerst door een soort sluis, en als dat past, kun je door. Je maakt eens wat mee.

En verder gaat de weg. 60 Km/u op een weg waar je 80 mag en ik vind het nog te hard. Een haakse bocht. We hebben het bord 50 niet gezien en komen met 70 aan scheuren. Oeps. Insturen. Niet te hard remmen. Nog meer insturen. En dan maar hopen, ja -hij doet het-, dat de tegenligger een beetje uitwijkt. Ik hang met twee handen aan de handgreep die Gijs als eerste gemonteerd heeft toen we de auto net hadden. Gouwe greep, die greep.

In de Ardèche valt de camping die we bedacht hadden in Tournon sur Rhône vies tegen. Een norse lokettiste (want vanuit een gesloten hok achter een plastic scherm) vraagt als eerste om een paspoort, vervolgens krijgen we uitvoerige uitleg hoe we ons bij het zwembad dienen te gedragen. Als je tegen mij direct al begint met dingen die móeten of die verbóden zijn, heb ik het al gehad. De camping ligt bovendien vlak onder een racebaan waar de motoren tot laat langs scheuren. Tel daarbij op de muggen en vliegen en ander vliegend gespuis en we zijn er klaar mee.

We zijn bek-af van de drukke lange rit, klappen de tent uit op de eerste de beste plek en gaan zitten. Met een wijntje erbij komen we langzaam maar zeker tot rust. Geen brood op de camping, geen congélateur voor de koelblokken en alleen betaalde wifi in ruil voor kabaal en muggen? De keuze is gauw gemaakt. We smeren ‘m. Morgen kronkelen we over 125 km naar Largentière, Camping La Turelure. Een tip van de vorige campingburen.  


De volgende dag wekt luid geloei ons uit de sluimerstand. Een kudde brave beesten sjokt in het weiland achter het beekje naar een zonnig graasplekje. Het gras, nog nat van de dauw, ritselt onder hun hoeven.

Na het ontbijt kronkelen wij lustig nu een andere kant op. De tomtom toont een felblauwe krinkellijn door felgroen Kerstbomenland. Dat laatste verzin ik niet: de bordjes van de kwekers getuigen van mijn gelijk. Hellingen vol met kerstboombossen. De lucht is bezwangerd met de geur van verse hars die uit de gekapte stammen druipt. Het cliché dringt zwaar ons neus binnen.

Tal van websites noemen de Morvan ‘mysterieus’. Voor mij is dat domweg een mooie term om interessant te doen. Ik zie het niet zo, al zie ik de schoonheid van het voor mij onbekende landschap wel degelijk. Is het een mysterie, die feestende rotsen? Een geoloog kan je precies vertellen hoe ze ontstaan zijn. Is het een mysterie, dat watervalletje waar we nu naartoe rijden? Een geoloog, een botanicus en een historicus kunnen je uitgebreid uit de doeken doen respectievelijk hoe de waterval ontstaan is, wat voor bomen er groeien en waarom het bos nu uitgedund wordt en wat de ruïnes rond het stroompje vroeger waren. Mysterieus? Mwah, dat is enkel een woord dat door alle borden met uitleg van zijn betekenis ontdaan wordt.

Goed. Dat waren een heleboel overbodige woorden. Over tot het onderwerp.

De slingerweg voert langs een klein kasteel, Chateau de Ménessaire, wat te fotogeniek is om klakkeloos voorbij te rijden. We kunnen er niet in, we zullen het met deze plaatjes moeten doen. Vervolgens komen we langs een autokerkhof, een sloper, gespecialiseerd in Citroën DSen. Daar steekt onze glanzende Dyane wel heel stoer bij af. Glimmend vervolgen we onze kronkelweg naar Saut de Gouloux, de waterval van Gouloux.

Een kunstige, geroest stalen halve tipi is een perfecte lunchplek, met uitzicht op het bos en het stroompje. De Caillot stroomt na de stroomversnelling richting de Cure, er staat alleen weinig water meer in de riviertjes. Naast de cascade, die in de winter door de overvloedige regenval naar beneden moet denderen maar nu zijn kraan gezellig heeft open gezet, zijn de ruïnes zichtbaar van een paar 19e-eeuwse molens. Het water van de waterval dreef de molenstenen voor graan en voor raapzaadolie aan.

We hebben genoeg gelopen voor vandaag (niet eens een hele kilometer). Bij de auto gaan de teenslippers weer aan. Daarstraks zag ik een saboterie, een klompenmaker, in het dorpje Gouloux. Nu we toch de toerist uithangen wil ik daar natuurlijk heen. Er is niemand om uitleg te geven, we kijken snel rond en na een rondje souvenirs voor de obligate koelkastmagneten zijn we uitgetoerd voor vandaag.

Morgen trekken we verder naar het Zuiden. Waar mogen we nog komen? Waar is het weer goed, de komende week? Voor jullie de vraag, voor ons een vaag idee. De reis en de kronkels worden vervolgd!