Hoe ver het was en hoe nat. Begon ik deze vakantieperikelen met Hoe warm het was en hoe ver, de terugreis is van geheel andere orde…

Laatste avondmaal

De hele donderdag is het bloedjeheet geweest met nul wind. Pas na ons laatste diner in Café de France trekt de wind aan, buien en onweer cirkelen om ons heen. Hopelijk blijft het droog tot bedtijd… en morgen kijken we wel hoe we alles in de Dyane en het karretje krijgen voor de driedaagse terugreis. Après nous, le déluge. Na ons de zondvloed. Letterlijk.

En inderdaad. Vanaf middernacht barst het noodweer los. We wisten dat het slecht zou worden, we hadden alleen totaal geen zin om daarvoor een dag eerder te vertrekken.

Klaar voor vertrek?

Niet echt. Vrijdagochtend hoost het om half 11 nog steeds en zitten we in de tent rustig aan de koffie in de hoop dat de stortvloed iets minder zal worden.

Als het eventjes opklaart beginnen we te stouwen. Ik geef luchtbedden, slaapzakken en losse spullen aan, Gijs propt alles in kar en kofferbak tot alleen de tent nog ingeklapt hoeft te worden. Zul je net zien: dan plenst het weer. De tent zit snel kletskliedernat en smerig in de tentzak gefrommeld. Dat zien we thuis wel weer. Tegen het middaguur zitten we opgefrist en met droge kleren aan in de auto.

Au revoir Goudargues!

Dag Grenouille, we zullen je missen. We zullen het rinkelende gezaag van de cigales missen, evenals het geronk van de kikkers in de schemering.

Eerste hortje

Het bos kookt. Wolken stoom stijgen uit de bomen op. De wolken lijken te wijken zodra we het dorp uit zijn. Het is net na twaalven, op de smalle stoepterrasjes zitten de werkmannen achter hun espresso of eerste (?) wijntje c.q. biertje, lachend naar/om het blauwe Hollandse karavaantje.

We klimmen. Col de Mas de l’Ayre passeren we op 846 meter hoogte. Bij het Cevennen-bord waar we koffiepauze houden dondert de weg met 10% naar beneden. De omhoog zwetende wielrenners hebben geen oog voor mijn opgestoken duimpjes.

Verderop rijden we over de stuwdam van Lac de Villefort. Op het panoramabord staat vaag van alles te lezen maar we hebben haast. Omhoog, omhoog! De D906 blijft stijgen. Ons ezeltje krijgt het zwaar te verduren deze rit. Col du Thort: 1115 meter. Er steekt er een koeienkudde over. Overstekend wild zogezegd. Na toeristendorp Langogne gaan we over de Col du Rayol, 1240 meter.

Richting Le Puy-en-Velay wordt het zoetjesaan meer snelweg. De weg daalt kilometers lang 6%… om daarna op dezelfde manier te stijgen (herhaal x keer). Stug doordouwen, het is ruim dubbelbaans, iedereen kan erlangs.

Wanneer we in de file terechtkomen besluiten we de tolweg te pakken. Dat laatste stuk binnendoor tussen industrie- en bedrijventerreinen mogen ze houden van ons. Zie je wat? Nee, geen pest. Rijdt het goed? Als een vliegend tapijtje. Goed wegdek, geen tegenliggers, geen haarspelden of steile hellingen. Na drie weken het tegenovergestelde gereden te hebben, is dit heerlijk rustig. Vooral na de hectische manier waarop de dag begon.

Het hotel in Roanne stelt niets voor, maar we hebben goeie bedden en slapen droog. Bonne nuit.

Regen. Heel veel regen.

Als we vertrekken miezert het. Onze kronkelroute tot aan de péage leidt ons door de banlieues van Roanne, op een paar plekken kruisen we er de Loire. Eenmaal de stad uit hangen de verre bossen in de mist. De kachel staat aan, de achterruit beslaat.

We komen door Chateauneuf, een village d’antiquaires. De bordjes wijzen naar de ene na de andere brocante of antiekwinkel. Leuk stadje. Beetje nat.

De rechter ruitenwisser ploept telkens “plok!” uit zijn houder. Stoppen, vastzetten en door. En nog eens. En nog eens. De 7e keer haalt Gijs bij een houtzagerij de kofferbak leeg om bij het gereedschap te kunnen. Let wel: alles in de stromende stortbui. Hierna blijft het ding doen wat het moet doen. Wissen. Veeeeel wissen. Heel. Veel. Wissen.

Het blijft grijs en dampig om ons heen. Ik zie de chauvinistische bermen langs de weg, met het blauw van korenbloemen of loodkruid, het wit van kleine margrietjes, kamille of witte pispotjes, het rood van de talrijke klaproosjes.

Op een gegeven ogenblik bemerk ik bij mezelf een gevoel van verzadiging. Dagenlang naar buiten kijken, naar landschappen die als een doorlopende National Geographic-serie langs me heen trekken. Koeien, bomen, zon, mist, geiten, wolken. Een stadje, kasteeltje, kerkje, weiland, bos, wijngaard. Zonnebloemen, hooirollen, heuvels, bergen, rivieren, slootjes. En dat de volgende dag opnieuw. Alles is even leuk en mooi. Pittoresk en schilderachtig prachtig, zelfs in de regen. Maar wat voor nieuws kan ik nog verzinnen om op te schrijven? Wat zal ik nu eens fotograferen? Mijn synoniemen en superlatieven raken uitgeput.

Aan het begin van de middag sturen we bij Chalon sur Saône de péage A6 op. Overal staan nieuwe bruine informatieborden. Je ziet zoals gezegd geen bal vanaf de snelweg maar op deze manier heb je een idee wat je allemaal misloopt. Bij Beaune alleen al staan er een stuk of zes. Bij Nuits Saint Georges barsten de druivenranken als vanouds uit de muur. Het kunstwerk bij Langres-Nord, voor ons een “halverwege-mijlpaal”, steekt in de plensbui als een zwart skelet af tegen de grijze nattigheid.

Bij Nancy zitten we in een wolkbreuk, wat eerder regel dan uitzondering is. Het kan hier enorm spoken. We rijden tientallen kilometers op de tast, het water klotst nog net niet over de dorpel al lijken we soms te zwemmen. Gode zij dank houden de wissertjes het!

“Weet je nog, hier was die caravan van de weg af naar beneden getuimeld in die lange bocht.” Een herinnering uit 1987, toen de auto’s nog niet zo veilig waren en de caravans van karton gemaakt leken. We zien het nog voor ons, de ravage, de zwaailichten, de auto in puin. En wij schoven daarlangs met ons toenmalige blauwe koekblik, zoals we nu ook in ons blauwe trommeltje door die bocht scheuren. Brrr. De huiveringen lopen nog over mijn rug als ik eraan terugdenk.

Klokslag 6 zijn we bij het Novotel Maizieres-lès-Metz. Hier breekt de lucht eindelijk open. Helaas past ons treintje niet naast de rode Maclaren of één van de andere leuke Britjes.

Weer thuis

Goed geslapen, we waren dan ook bekaf van die regendag.

9.30 En route encore.

9.45 Langs de kathedraal van Thionville. Zonder vrachtverkeer is de snelweg rustig. We stoppen ergens voor koffie, racen door de optische cirkel bij Wellin.

13.00 Bruxelles

13.35 Antwerpen

14.15 Hazeldonk. Tegen half 5 zouden we wel thuis kunnen zijn…

Ware het niet dat de ring Noord bij Amsterdam afgesloten is, wat nergens, ook niet op Google Maps, staat aangegeven. Tenslotte volgen we Toms advies: dwars door Amsterdam naar de andere kant ringweg. Om 5 uur zitten we ein-de-lijk op de A7.

17.40 Thuis. Veilig thuis.

Hadden we maar de ANWB gecheckt. Hadden we maar naar de Tomtom geluisterd. Hadden we maar niet op Google vertrouwd. Zei Ma niet altijd: “Als hadden komt, is hebben te laat.” Volgende keer bij de eerste stop in Nederland éérst alle routeplanners, ANWB en van A naar Beter checken!

We zetten de letterlijk doorweekte tent in de tuin op. Stralen water druipen eruit als we ‘m uit de tentzak tillen.

De volgende dag is hij droog.


Woensdag marktdag

De markt in Goudargues heeft een goeie mix aan toeristen-meuk en marktkoopwaar. Vlees, worsten, kaas en meer kaas, visachtigen. Brood, olijven. Groente, fruit. Tafelkleden en bedlinnen, kleding. Ik scoor direct een nieuwe strandjurk, bij 32+ graden is dat geoorloofd. Lavendel, honing en olijfolie. Een quinquallerie. En vanzelfsprekend de obligate rieten manden (paniers) en Afrikaanse import matten, mandjes en onderzetters. Drie troubadours maken reclame voor de optredens van het plaatselijke koor in Goudargues en Bagnols, eind juni begin juli.

De nieuwe jurk gaat aan. Nog een kopje thee/koffie? Nah, water is voldoende, veel water.

Vrijdag wasdag

Nee, niet in het Lavoir. In nieuwe wasmachines, fantastische dingen. De handdoeken en het grotere wasgoed aan de gemeenschappelijke waslijnen, het kleine spul op het rekje. Het stormt hard en de zon schijnt net zo hard.

We gaan een stukkie toeren, daarna zal de was droog geblazen zijn. In Barjac rijden we langs de markt die 5x zo groot is als in Goudargues, waar je dus ook 5x zoveel van hetzelfde vindt. Men is al aan het opbreken en we hebben al een markt gezien deze vakantie. We gaan door.

Langs wijngaarden en lavendelvelden en slingerend door een bos komen we via een semi-verhard weggetje bij Saint Christol de Rodières, een dorpje als mijn verzameling Provençaalse huisjes. We krauten door de steegjes, net breed genoeg voor de Dyane, onder een boog van een huis door naar het volgende gangetje. Roze, witte en rode oleander-explosies tegen de gevels, een schitterend gezicht. Alles is helaas te krap om goeie foto’s van te nemen. In een gebied dat we als onze broekzak dachten te kennen zien we zo toch nieuwe dingen.

Blijkbaar hebben we een omtrekkende beweging naar La Roque-sur-Cèze gemaakt. Via het grappige bruggetje over de Cèze, eígenlijk te smal voor een moderne auto maar perfect voor ons, passeren we onderlangs het stadje waar we vorig jaar naar boven zijn geklommen.

En inderdaad: de was is droog als we terugkomen.

Boswandeling

De meest rechtstreekse weg naar Bois de Païolive slingert als een gek. We gaan 9% omhoog, halen een eenzame fietser in die met volle bepakking de haarspelden trotseert. Met blote bast, ik hoop dat hij genoeg water bij zich heeft. Je ziet hem bijna verdampen.

Bij de parking waar Franse families de weekendpicknick houden, begint onze hike met het plakken van blarenpleisters uit voorzorg. Zo vaak gebruik ik mijn wandelschoenen niet. 2 Liter water en een drinkfles voor Ravi mee en daar gaan we. Overmoedig nemen we het blauwe, het langste, parcours.

Ravi springt als een klipgeit voor ons uit, zoekt intuïtief zijn weg waar ik over elke stap moet nadenken om niet mijn nek te breken. Factor 50 smelt van mijn vel in de zon, onder de bomen met een vlaagje wind is het koeler. Wilde lathyrus piept tussen de struiken door het pad op. Cigales zingzagen, bijna rinkelend, het is een kabaal van jewelste in het stille bos. Na het uitkijkpunt bij het kleine klooster blijven we klimmen en dalen tussen rotsen, stenen muurtjes en bomen die regelmatig als anker fungeren. Na twee-en-een-half uur zijn we terug bij de auto. Schoenen en sokken uit. De blarenpleisters hebben hun werk goed gedaan.

Als de hartslag voldoende gedaald is en de suikers zijn aangevuld, rijden we via een andere route terug. Foto met pijltje: daar was het uitkijkpunt bij l’Ermitage Saint Eugène.

Heel stil blijven zitten

Ravi ligt onder de tafel, lekker op het koele zand in de schaduw. Hij kijkt niet eens op als er een jonge, knalgroene hagedis met onvolgroeide staart nieuwsgierig naar Gijs’ tenen stiefelt. Met moeite krijg ik hem mee op een rondje dorp en wasplaats waar hij wat mag slobberen van het koele water.

Aan het eind van de middag zijn we het mooi zitten en dom kijken een beetje zat. Even de wind door de haren, een zogenaamde “spannende route” de heuvels in. We zwaaien naar een knalroze eend voor ons die linksaf slaat. Wij slaan rechtsaf richting Saint Martin d’Ardèche. Brugje over, altijd leuk. We maken een mooi rondje met een stuk Gorges d’Ardèche de verkeerde kant om. Via zo goed als onverharde landweggetjes tussen de druiven door komen we weer terug bij de brug in Saint Martin.

Eens wat anders

Na een bloedhete avond en nacht is het vandaag een bewolktere waaibomendag. Een stuk koeler ook, behalve als je in de tent koffie aan het zetten bent. Dan lopen de straaltjes weer over je bast. Het is te hopen dat de hordes muggen wegwaaien. 40% DEET is geen uitdaging voor ze en de antiprik, de roze Onctose, jagen we er met tubes tegelijk doorheen. Bij de Pharmacie beginnen ze al te grijnzen als ik wéér twee tubes kom kopen. Ach, de geneugtes van het buitenleven.

We gaan naar Uzès, ik wil eens wat anders. We beginnen bij de kathedraal, Cathédrale Saint Théodorit d’Uzès. Leve de supergroothoeklens van mijn mobiel. Een megalomaan ouderwets bankgebouw verschuilt zich achter de platanen aan de overkant.

Op het plein waar we koffie drinken wordt er voor live entertainment gezorgd. Een klein vrachtwagentje prikt zijn laadruimte aan een grote parasol en duwt het hele gevaarte omver. Keek de bestuurder niet uit? Mocht hij hier überhaupt wel inrijden? Of stond de parasol te ver op de weg? We vermoeden het laatste. Zeer on-Gallisch nemen de bestuurder, de Chef du Café en de omstanders relaxt de situatie in ogenschouw.

Als de koffie op is, slenteren we door. Ik gluur bij de winkels binnen, zie leuk glaswerk met bijtjes en glanzende aardewerken tuinpotten. Helaas is alles te breekbaar en/of te groot om in de eend mee te nemen.

De terugreis voert ons naar Saint-Quintin-la-Poterie. De naam verraadt al dat hier tientallen keramisten en artiesten zijn neergestreken. In pijpenlaatjes zitten de leukste galerietjes. Van een vriendelijke, met grijze klei besmeurde pottenbakker mag ik gerust rondkijken en in een ander zaakje hebben zich drie kunstenaars, elk met een eigen stijl, gevestigd. Altijd fijn dat Gijs een goedgevulde portemonnee bij zich heeft. Het is not done om binnen te fotograferen, dat heb ik dus braaf niet gedaan. Ik had het namelijk te druk met rondkijken en overal aanzitten 😉.

Tot slot: de Gorges de l’Ardèche

De “belvédères” zijn “balcons” geworden: geplaveide, omheinde uitzichtpunten waar je onmogelijk een spannende fotoshoot met de Dyane kunt doen. Voor een mooi rotsen-décor zou je midden op de weg moeten stilstaan. Een scenario dat met jakkerende Franse bouwbusjes achter je op zijn minst onverstandig te noemen is. Door de dicht bebladerde steeneiken op de hellingen naast de weg heb je zicht op de Ardèche noch op de rotswanden. De foto’s vanuit de auto zijn toevalstreffers.

De Route Touristique de l’Ardèche is voor een troep geiten uitermate geschikt voor een siësta in de schaduw. Twee jongere exemplaren gaan op zoek naar groener gras aan de overkant. In de berm blijft de pater familias met zijn harem rustig poseren. Eehh, pauzeren.


Eergisteren is het hooiveld achter ons gekeerd en op rijen gelegd, gistermiddag is het ‘gebaald’ en gisteravond zijn de rollen opgehaald. Precies op tijd binnen! Vannacht heeft het geregend, in de vochtige warmte breken we omringd door muggen en vliegen op.

Gijs heeft een rechtstreekse kronkelroute naar Grenoble uitgezet waar we wel de hele dag zoet mee zullen zijn. Na een uurtje stranden we al op een steil gravelpad in het bos. Dat is iets te gevaarlijk, zwaar beladen als we zijn. Gijs manoeuvreert achteruit om te kunnen keren, niet zonder de nodige zweetdruppels wanneer het karretje gaat scharen op de kiezels.

Beneden prikken we een nieuwe route en dan gaat het beter. Ik schrijf niet steeds mee, het is bochtig genoeg. Het weer klaart steeds meer op, het dak blijft wijselijk dicht. We nemen de ene Col na de andere, met 6-7% in z’n twee omhoog (zoals Col de Berentin, 1144 meter) of met 20% in z’n één omlaag. Je maakt eens wat mee.

Hooivelden maken plaats voor wijngaarden. Na alle zoete grasgeuren met wat parfum de vache ruikt het hier op deze hellingen heel anders. Stoffiger, kruidiger. Voorbij Yenne worden we wederom het bos ingestuurd. Het is koeler naarmate we de schaduw inklimmen. Stroboscopisch zonlicht. Zo zwerven we een uurtje tussen de bomen. De sfeer in de dorpjes verandert, al kan ik niet zeggen waarom. Rozenstruiken leunen, nieuwsgierig naar de voorbijgangers, over de muurtjes. Een grijze rotswand van weet-ik-veel welke berg doemt naast ons op en blijft de rest van de reis naast of voor ons.

Al kronkelend komen we in Parc Régional de Chartreuse. Hier belanden we alweer bijna op een bizarre haakse afslag 30% omhoog, waarna we eieren voor ons geld kiezen en hiervandaan rechtstreeks naar het hotel rijden. Chambre vue montagne zoals ik gevraagd had. Gijs haalt pizza en dan is er rust. Geen motorlawaai, geen wind. Morgen verder.

Rit vol gevaren

“Ik bedel niet, écht niet!” maar ondertussen kijkt Ravi ons het croissantje uit de mond. We hebben goed geslapen, na het ontbijt vangen we met nieuwe moed de doorreis aan.

Buiten Voreppe stuurt Tom ons na de steengroeve een steil plaatsje in, de berg op. Loodrecht, in haarspelden, tussen de huizen door. Muren aan elke kant, geen idee wat we moeten doen als er een tegenligger aankomt. Laat staan de schoolbus. Het bovenste weggetje waar we volgens Tom in moeten draaien… loopt dood! Dat betekent op anderhalve vierkante meter keren, tussen de muurtjes, op 25% helling. Ik krijg m’n deur niet eens open, zo scheef staan we. Gijs redt het, onder toeziend oog van een bewoonster. Slechts twee keer steken en we duiken de berg weer af.

Het kan ook te gek besluiten we. Tomtom wil ons persé die pokkeberg ophebben, Google weet alleen tolwegen. Wij willen noch het één noch het ander. Op een kiss-and-ride strook bij een basisschool voeren we handmatig een nieuw traject in de tomtom, aangestaard door een handjevol 8-9 jarige jochies die het gekke speelgoedautootje met de malle eppies met petjes maar raar bijzonder vinden.

De volgende D-weg is rustig, de lucht is bedekt. Geen felle zon op het bloemendak. In de Vercors niets dan kilometers walnotenkwekerijen. Tijd voor een bakkie. Daarna slingeren we een stukje op een route touristique. Om een uur of 12 zien we de eerste lavendelvelden naast de auto, gevolgd door meer lavendel en wijn. Ook de oleanders, ceders en cipressen rukken op. De zonnebloemen zijn nog niet zo ver.

Bij Loriol komen we op de loeidrukke N7. Wat verderop zien we de koeltorens van La Coucourde. Een vrachtwagen met lange oplegger sliert met een rotgang uit een fabrieksterrein links van de weg onze kant op. We schrikken ons dood. Ik zie die achterkant al uitzwiepen en ons omgooien. Wat een…#@!%*&*#!! Hij blijft links naast ons hangen. Zijn broer zit achter ons zowat ín het karretje. Penibele ogenblikken. Gelukkig slaan wij af en zijn we ze kwijt. Pffff. Doodsangsten.

Langzaam maar zeker komen we een beetje thuis. Over de brug van Pont Saint Esprit voert het laatste bosritje ons naar Goudargues, Camping La Grenouille. Wijs geworden rusten we eerst uit, drinken we véél water en doen we een rondje oldtimers bij Garage Le Lavoir. Enige tijd later zijn we helemaal ingericht. De kerkklok slaat, comme d’habitude. En vanavond, vanavond eten we op ons oude terrasje. Encore: comme d’habitude.


In het hotel in La Bresse ontbijten we en maken ons kalman klaar voor vertrek. Wat een gemak, de auto in die ondergrondse garage! We rijden met dak dicht, mijn hoofd is nog te wiebel om die felle zon al aan te kunnen en zo warm is het ook weer niet.

De eerste camping die ik heb uitgezocht ligt slechts 100 kilometer verderop. Leuk dorpje, dat Mouthier-Haut-Pierre, onder de rotsen. Het is een minicamping aan een bruisend watertje waar je niet bij kunt komen. Sanitair: 1 wc en 1 douche. En sterk verouderd, nog net niet vergaan. Nope, dit wordt hem toch niet.

Een roofvogel vliegt plotseling uit de berm op, scheert vlak voor onze voorruit. Jeez, wat een beest, we schrikken ons rot. Spanwijdte groter dan de motorkap!

De volgende camping ligt recht onder een skipiste, moet het duidelijk hebben van de winterchalets en de campers. De tentplekken hebben geen elektra, er is werkelijk niets aan. Zelfs sanitair hebben we niet gevonden. Ergo: door naar de volgende.

Daar zijn we rond 3 uur. Drie keer is scheepsrecht, hoewel we hier eigenlijk genoegen mee nemen omdat we er genoeg van hebben. Het is een gemeentecamping, Camping Municipal “Val de Saine” in Foncine-le-Haut. Volgens het bordje kunnen we een plek uitzoeken en ons installeren, er is zo te zien niets gereserveerd. De beheerder komt pas tegen 6en. Het sanitair is ook hier basic en verouderd, maar wel voldoende. Goed genoeg voor een paar nachten. We zitten op 850 meter hoogte, de temperatuur is goed en de vooruitzichten eveneens.

Het is erg rustig. Er staan vooral campers, veelal Zwitsers. We staan aan een stilstaand watertje en meer plannen hebben we niet.

Wandelen

Ga je mee een rondje lopen? Bij het brugje staat een bordje met het te volgen “Parcours Sportif”. In Middenmeer staan daarvoor de apparaten op een kluitje in de zogenoemde “Beweegtuin”, hier zijn met ronde balken en boomstammen soortgelijke martelwerktuigen, compleet met instructies, de voorbereidende ademhalings- en stretchoefeningen en het te verwachten hoogteverschil in het volgende wandelstuk, in een circuit uitgezet. Met uitzicht op hooivelden in plaats van de Alkmaarseweg. Lopen op de koeienbellenbeat. 

Ja, aan onze conditie mankeert een heleboel, zeker de mijne is waardeloos. Ravi legt de afstand wel vijf keer af, slingeren hier, snuffelen daar, rennen vooruit en weer terug. Onvermoeibaar, blij eindelijk even de pootjes te kunnen strekken.

Vlak voor het dorp lopen we de kruisweg af vanaf het Christusbeeld. Langs het pad staan 14 metalen genummerde kruisen. Dat heb ik overigens pas door als ik er al 5 gepasseerd ben. Het beeld zelf staat op een wat pokdalig heuveltje van kalksteen. Mijn foto’s met tegenlicht geven dat niet goed weer, het is meer een sfeerimpressie.

 ’s Avonds eten we Indiaas bij Le Rajasthan (mooie porties, precies goed, niet te pittig) op 20 km rijden in Champagnole. De weg ernaartoe kronkelt als een malle. Gijs rijdt pittig door, even lekker scheuren door de bergen omdat er vette audi’s achter hem zitten te drammen. Ik hang ondertussen in de ankers. Voor de terugweg krijgen we een andere route voorgeschoteld, iets langer maar sneller. Ook mooi. Steile rotswanden, uit een kloof groeit een bloeiende gouden regen. Watervalletje langs de stenen, bloemetjes in de bermen, afgetopt met die eeuwige hoge bomen overal.

Op zoek naar de bron

We parkeren de Dyane bij het kerkje van Foncine le Haut, waar ik binnen wat rondloop. Een sober kerkje, bijna niet echt katholiek op het gebrandschilderde glas-in-lood na. Het is er koud, vergeleken met de buitentemperatuur.

Hierna gaan we op zoek naar de bron. La Source de la Saine om precies te zijn. Niet te verwarren met dat water dat door Parijs stroomt. Na een stukje omhoog gelopen te hebben, komen we door een gehuchtje van waaruit het wandelpad zich tussen de weilanden door slingert. Koeien? Die liggen lui te herkauwen en bekijken ons nietige mensjes met ons nietige hondje vanuit de hoogte.

We passeren een opgegraven kazemat (vuurpunt) op een heuvel met tekst en uitleg over het 19e-eeuwse semimilitaire oefenterrein, de vuurlinie en de schietkuil richting de rotswand. Het uitzicht op die puinhelling van door water verpulverd karst-gesteente, is best indrukwekkend. Het pad ernaartoe bestaat uit gravel, gruis en stenen waar ik lenig als een gazelle op mijn birkies overheen hups. Niet echt dus, verre van charmant zelfs, maar ik red het. Op het hoogste punt is een stalen stellage met trappen en roosters aangelegd om tot het hoogste punt te geraken. We zitten wederom boven de 900 meter. Dat verklaart de ademnood (is mijn excuus).

Ravi loopt pittig mee, gaat op eigen houtje uit de beek slobberen en glibbert over de bemoste stenen terug naar ons. Beneden bij het kerkje teruggekeerd hebben we 4,5 kilometer gelopen, geklommen en gedaald. Wat een belevenis, hier hoog in de heuvels.

Bij de tent borstel ik Ravi. Hij ziet er een halve seconde mooi uit voor hij in het gras en de bloempluizen gaat liggen rollen. Daarna is hij groen uitgeslagen met zwart-witte spikkels van de uitgebloeide bloesems.

‘s Avonds pak ik alvast wat in. Morgen trekken we verder. Na al die bomen zien we… afijn, je snapt me wel. We willen ruimte, weidse vertes zien. Het weer wordt hier slechter, morgen zakken we zuidwaarts. Niet lachen, we gaan weer naar ons oude stekkie in Goudargues. Saaie gewoontedieren. Lekker joh.


 

Het is zo’n 32 graden in de schaduw als ik er eindelijk aan toe kom om de eerste vakantieweek in een blog samen te vatten. Wat hebben we allemaal gezien en meegemaakt. Hoe warm was het en hoe ver. En hoe drúk onderweg!

Voor de bocht naar A58 na Breda staan we al in de file. Een Blablacar weet zich ver vóór ons nog over de verdrijvingsvakken tussen de wachtende auto’s te persen. Huftertje. Mijn stress-level rijst. Het is bloedheet in de auto en de lontjes van medeweggebruikers (en dat zijn er vele) zijn navenant kort. Het toetertje of duimpje van een enkele passant maakt weer iets goed.

Belgisch wegdek met sinkholes van 30 centimeter diep waar we dwars doorheen raggen. Klabàm! Het is te druk om uit te wijken. Voor Brussel hebben we zeker een kwartier vertraging, de temperatuur in de auto loopt verder op.

Bij Wellin verlaten we de snelweg, weg van het lawaai en de hitte. De milieuvriendelijke route is aardig kronkelend voor de laatste 30 kilometers. Meer schaduw, ramen open, we komen een beetje bij. De metershoge rododendrons bloeien van wit en zachtroze tot knal-fuchsiaroze en donkerrood. Eindelijk kleur na saai asfalt.

Aan het eind van de middag arriveren we bij Camping Maka. We krijgen een rare plek, de camping staat mudvol. Passen en meten, waar zetten we de auto, waar het karretje, waar de tent en oja, waar willen we zitten. Nergens schaduw te bekennen, dat wordt woekeren met parasols. Het zweet gutst van ’t lijf, maar even gaan zitten en uitrusten voordat we de tent opzetten? Nee, we rammen door tot alles staat en dán mogen we neerploffen. Ravi heeft het beter bekeken, die ligt in het lange koelere gras.

De Semois stroomt al staat er weinig water in. Knerpend barsten de kikkers plots in hoongelach uit, njeh-njeh-njeh, een ander beaamt he-he-njeh-njeh-njeh-he! Ze hebben pret, al weet niemand waarom. De kramsvogels scheren hakketakkend achter een grote roofvogel aan.

Veel mensen vertrekken zondags. ’s Avonds worden die lege plekken bevolkt door allerhande vinken, mezen en kwikstaartjes, pikkend naar achtergebleven brood- en andere kruimels, luid aangemoedigd door hun gezinsleden die veilig verstopt in de struiken aanwijzingen van bovenaf geven.

Tourtje en tochtje

Wat een rust, vergeleken met het weekend! Gijs heeft spannende route uitgezet. Florenville, Bouillon etc. Gewoon lekker toeren met open dak door het bos, dorpjes, weilanden. Eindelijk vakantie. In Bouillon strekken we de benen op het wandelpad langs het water en de bastions, koel onder de bomen.

’s Middags struinen we met Ravi een klein stukje door hoog gras naar de Roche Percée, gevolgd door de obligate tekencheck. Score vandaag: 2.

Laatste dag camping Maka

Een open-dak-tochtje met brugjes en tunneltjes. Naast de bloemenwinkel staat een mooie DS die helaas niet te koop is. Ons laatste avondmaal gebruiken we in het restaurantje.

Wintersport?

We staan om 8 uur op en toch zijn we pas om half 11 klaar voor vertrek. Oftewel: heel kalm aan en veel kletsen met mensen. Dak open en goed inzepen, de zon is gevaarlijk.

Het gatenkaasweggetje waar we heen gedirigeerd worden heeft hellingen waarvan je denkt: hier hadden ze beter roltrappen in kunnen zetten. Linksaf moeten we, een karresspoor op. We stuiteren over nauwelijks verhard wegdek dat omzoomd is met naaldbomen, varens en vingerhoedskruid. Karretje huppelt dapper mee.

De Belgisch-Franse grensstreek is een en al troosteloze triestigheid. Gauw doorrijden. Wat verder Frankrijk in en we zitten op een slingerende D-weg dwars door glooiende velden. De weg is pas geasfalteerd: de vrachtwagen voor ons spat het grit door het open dak de auto in. Het zonnegordijn vangt het meeste op.

We lunchen bij Xivry-Circourt. Wie verzint zo’n naam. Bij Metz komen we op de A31, bekend terrein. Tot Nancy, prima weg. Driebaans beton doet de temperatuur echter behoorlijk stijgen. Om 3 uur zijn we de snelweg, het monotone asfalt en het monotone gebulder beu. Direct komen we een plaatsje in waar het barst van de overdreven ontplofte rozenstruiken in allerlei kleuren.

De dorpen lijken onbewoond, waar zijn al die mensen die het land bewerken en de tuinen onderhouden? Er is geen mens op straat. Het is 4 uur geweest, het schooltje is uit. Waar zijn dan al die kinderen? Hermetisch afgesloten kerkjes, lege vervallen schuren die het bij de eerste de beste storm begeven. Niemand die zich erom bekommert. Toch zijn de tuinen mooi onderhouden, de volle jasmijnen geuren je tegemoet en het gemaaide hooi ligt in keurige rollen op het land. Mensenhandenwerk, maar ik zie ze niet. Waar het hooi nog niet gerold is, ligt het grijsgroene gemaaide gras op de akkers te drogen. Het keren van het gedroogde gras in de verte gaat met grote -…ha… ha… HATSJOE! Pardon-  grote stofwolken gepaard.

We rijden en rijden en rijden. Na Gérardmer, we zijn er nu bijna, gaat de Route de Bresse hoger en hoger. Tussen de bomen door een klein doorkijkje op het meer. De Dyane moet hard werken tegen de Col de Grosse Pierre op. Met 955 meter inderdaad een hele Piet. Daarna zakken we af naar Bresse. Het hotel ligt evengoed nog 650 meter hoog. De auto stallen we in de ondergrondse parking, superluxe! Op het balkon van de kamer worden we welkom geheten door talloze kerkklokken. Net als vroeger op wintersport. Het is 6 uur. Tijd voor een drankje en wat eten in het restaurant..

Een extra dagje rust

Een lange dag rijden met de zon pal op het zonnegordijn heeft een negatief neveneffect. We blijven een dag langer om mij gelegenheid te geven weer te landen. In het vriendelijke La Bresse zijn mooie wandelpaden voor de Ravi-uitjes met bruggetjes over het kabbelende water.

Zo te zien wordt het dorp klaargemaakt voor de Tour de France, plantsoentjes en rotondes worden opgefleurd met bloeiende planten en schilden van gele- en bolletjestruien. In de avond betrekt de lucht. Onder begeleiding van de klokken vallen er een paar zware druppels uit de donkere wolken. We gaan vroeg naar bed, morgen trekken we verder.

Inmiddels is de wind aangetrokken en de temperatuur dramatisch gezakt naar 21 graden. Keihard tikt de regen op het tentdak, het knalt en flitst rondom; het onweer zit recht boven ons. Ook dat is avontuur.

á la prochaine!


In de kringloopwinkels kom je ze wel tegen: een setje van een suikerpot en een melkkannetje al dan niet op een mini-dienblaadje, te koop voor 4 of 5 euro, zie boven.

Mijn moeder had ook zo’n verzilverd roomstelletje. Niet voor dagelijks gebruik, alleen op zon-, feest- en visitedagen kwam het op tafel. Een sierlijk roomkannetje, een gulle suikerpot op het zilverkleurige dienblaadje met een minutieus gekantklost anti-lek/anti-kras kleedje. Want dat stond netjes. Voor dagelijks gebruik was er de Delftsblauwe suikerpot met artistieke suikerschep en kwam het flesje koffieroom zo op tafel.

Het leven leek zo simpel toen. Ontbijt, koffie, lunch, thee, avondeten, thee en dan naar bed. Alles op gezette tijden, iedereen tegelijk aan tafel. Je werd geroepen voor de koffie of thee, want ook dat gebeurde gezamenlijk. Ik dronk thee met een sloot melk en in plaats van koffie kreeg ik Ovomaltine. Op jonge leeftijd sta je er niet zo bij stil hoe bijzonder dat eigenlijk is, dat gezamenlijke, steeds terugkerende ritme.

Koffie, uiteraard van versgemalen bonen. Ik hoor het ratelende geluid van die elektrische, oranje jaren ’70 Braun koffiemolen nog. Je had koffie – zwart, met suiker of met melk, met beide of zonder niks. Geen lungo, espresso, cappuccino, macchiato of wat voor varianten en smaakjes je nog meer kunt verzinnen. Gewoon koffie. En in Ma’s geval was dat stérke koffie. Wie dat wist, gooide dankbaar een wolkbreuk échte koffieroom uit het zilveren kannetje in zijn kopje.

Simpel leven. Echte room, geen halvamel. Vers-geslagen slagroom, geen spuitbus. Echte roomboter, geen margarine. Echt. Geen namaak, geen gedoe. Dat gold wel voor meer dingen. Geen weer-app of buienradar, maar gewoon een tik tegen de barometer in de gang om te zien wat voor weer het zal worden. Wat maken we het ons tegenwoordig toch ingewikkeld met al die zogenaamd mákkelijke uitvindingen.

Dat terzijde. Bij het opruimen van Ma’s huis kwamen al deze spullen, de barometer, de broodmand, het roomstelletje en drieduizend vazen tevoorschijn. Broer en zus wilden niets hebben: “Het zijn maar spúllen.” Dat klopt, het zijn spullen en daarvan puilen onze huizen al uit. Maar toch. Dat zilveren roomstelletje is voor mij een tastbaar symbool, een dierbare herinnering aan Ma’s grenzeloze, zorgzame gastvrijheid. Zonder prijskaartje. Dankjewel Mam.


Dat hóófd van Vince als hij aan komt rijden, onbetaalbaar! Stokstijf blijft hij achter het stuur zitten, ik zie hem denken: “Ik stap níet uit, ik – doe – het – niet!”. Zijn vriendin Lauren[1] rolt slap van het lachen de auto uit, wat hebben we samen een lol gehad.

Vince, moet je weten, heeft enige kampeerafkeer. Lauren niet. Altijd als we over onze kampeer-wederwaardigheden hadden, bekeek Vince ons meewarig. “Dat júllie dat nou leuk vinden? Als ik maar niet hoef!”

Het plan, een verrassingsweekend voor Vince’s verjaardag, was oorspronkelijk iets glamping-achtigs voor hen te vinden waar wij in de buurt ons tentje zouden opzetten. Lang gezocht, niets te vinden. Op een gegeven ogenblik zei Lauren: “We gaan gewoon kamperen. We doen het gewoon.” Ik reageerde lichtelijk geschokt: “Ehhh, het is júllie relatie hoor, durf je dat aan?” Lauren durfde.

Al die tijd hadden wij voorpret over deze verrassing, tot enkele minuten voor aankomst aan toe. Lees en huiver.

Luilak-morgen, dus wij vertrekken rustigjes-an pas na de koffie. De zon schijnt, echt Pinksterweer. Bij Baarn verlaten we de snelweg om gezapig verder te kronkelen. Bij Woudenberg houden we een lunchbreak. Koeteldekoet, zo gaat-ie goed.

Ondertussen onderhoud ik app-contact met zowel Lauren als Vince. Hij weet van niets, we hebben het over koetjes, kalfjes en iets afspreken in juli. Ik lach in mijn vuistje, hij moest eens weten. Hij is een halfuurtje het huis uitgestuurd door Lauren en zit zijn tijd te verdoen terwijl zij ondertussen druk alle kampeerspullen in de auto aan het laden is, gniffelend dat Vince nog steeds niets doorheeft.

Tegen tweeën arriveren wij op Camping de Eikelaar in Overasselt, Vince en Lauren zijn er ook bijna. We beginnen vast met uitladen om de tent op te gaan zetten. En dan is er dat moment dat die zwarte auto de plek op komt rijden. De grote ogen van Vince: “Is dát nou de verrassing? Een kampéérweekend? Dat méén je niet!”

Na van de schrik bekomen te zijn, ontpopt hij zich echter tot een ras-kampeerder. Met zijn allen zetten we de tenten op. Als beide huishoudens zo’n beetje ingericht zijn, komen de hapjes en drankjes tevoorschijn, zorgzaam door Lauren meegebracht. Vince kijkt af en toe nog wat weifelend maar allengs meer genietend.

Ons geanimeerde gesprek wordt bruut verstoord door keiharde Nederpop die over het terrein knalt. Ergens een feestje? Festival? Wat hebben we gemist? Onze vrienden Bram en Ingrid staan op een camping even verderop met hun Paradiso[2], eens horen of zij meer weten. “Komt die herrie bij jullie vandaan?”. Onmiddellijk komt de stoom uit Ingrids oren uit mijn mobiel. “Ja! Een of andere verdwaalde kamper zonder vaste verblijfplaats met boxen van 2 meter naast zijn caravan. GRRRR!” Campingbaas is afwezig. Na een paar nummers grijpt er blijkbaar iemand in, wordt de muziek abrupt afgebroken. Gewoon de stekker eruit rukken. De rust keert weder en de gast verdwijnt met stillere trom.

Zon en buitenlucht maken hongerig. Verwoed wordt er op de mobiels naar eetgelegenheden gespeurd tot de keuze valt op Évive aan het water in Katwijk/Cuijck. De loungebanken, die er aan het strandje zo uitnodigend uitzien, zijn niet zo praktisch om aan te eten. We bezetten een tafeltje op het terras in de zon. Drankje erbij, grote geitenkaas-salade en wat de anderen bestellen weet ik al niet meer. Genoeglijk kletsen en eten, eten en kletsen we, de avond vliegt voorbij.

Terug bij de tent trek ik trui en sokken aan en verder doen we niets meer.

Bij het ontbijt op zondag verrast Lauren ons met twee gekookte eitjes. Zó attent. Al dat soort dingen hebben wij voor die twee daagjes niet ingepakt, zijnde de moeite niet. Hoe lekker smaakt dan toch zo’n gekookt eitje.

Na het rondje met het hondje stapelen wij onze stoelen in de eend. Met Ravi op schoot leggen we de paar honderd meter naar camping Heumens Bos, waar de Paradiso fanclub zich heeft verzameld, af. Bram en Ingrid komen ons bij de ingang halen. Bij de koffie met koek praten we anderhalf jaar bij. Zomaar is het ineens lunchtijd. Bram bakt croissantjes en opbakbroodjes in een antieke Wonderpan[3]. Wat een luxe, verse broodjes. Wat een gezelligheid, ver van huis bij vrienden van thuis.

Onze vrienden tronen ons langs de diverse Paradiso’s. Het is een bonte verzameling van 70er jaren, Museum van de 20e Eeuw-waardig tot gemoderniseerd met standaard caravanvoortent. Van knaloranje tot beige-blauw gestreept. Met bloemetjesgordijnen en/of gestreepte kussens. Werkelijk elk klapcaravannetje is anders. Ik kijk mijn ogen uit en vergeet te fotograferen. Foto’s ©I.B.

Na afscheid van de paradijzenaars genomen te hebben, kletsen we op onze eigen camping met Vince en Lauren verder bij de tent. Wat hebben jullie gedaan? Nog een koppie doen? Wat zullen we eten?

Met zijn vieren -plus Ravi- rijden we met de Dyane naar Pannenkoekenrestaurant Sint Walrick. Een vriendelijke oude heer wijst ons buiten een zitplaats toe, zou hij de eigenaar zijn? Als de drankjes gebracht zijn, volgen de broodjes met kruidenboter en na enige keuzestress ook onze pannenkoeken. IJs toe. We zijn tenslotte uit.

Maandagmorgen, tweede pinksterdag. We hebben de dag aan onszelf, waarom zouden we haasten. Na ons tweede kopje thee komt Vince verbaasd het hegje om: “Wij zijn al veel verder met pakken dan jullie!” Tja. Wij hebben drie keer zoveel zooi mee, Ravi moet uitgelaten worden, de bedden moeten leeglopen, ik moet het krat inpakken en zo kan ik nog wel even doorgaan. Geen haast.

Als alles eenmaal ingepakt klaarstaat, zit het ook in mum van tijd in auto en kar. We drinken koffie bij het huisje waar je van het koffiezetapparaat gebruik mag maken. Het weekendsamenzijn een beetje rekken. Evaluerend verklaart Vince overwegend positief dat het een hele ervaring was. Misschien niet direct volgend weekend weer, maar wie weet, ooit nog eens. Dat is goed om te horen, ik heb me soms wel zorgen gemaakt om de ‘leedvermaak-voorpret’ die we gehad hebben. Ik vind het stoer, zoals hij zich de verrassing heeft laten overkomen. Hij ging er vol in mee, eindigt als ervaren campeur. En vindt het zélfs best leuk. Complimenten!

We nemen hartelijk afscheid. Zij zijn in een uurtje thuis, wij maken er een dagtocht van. Het eerste stuk binnendoor, lunchen aan de Lekbandijk bij Buren en pas bij Culemborg zetten we koers naar de A2. Ondanks de felle Noordertegenwind zijn we om een uur of 3 veilig thuis. Mooi op tijd om in de tuin uit te sudderen voordat we de boel gaan uitpakken. Wat zullen we vanavond slapen in ons eigen bed, rozig van alle zon en wind…

Veel te lang verhaal kort: dit was een anders-dan-anders-weekend. Voor zo ver er ooit al twee hetzelfde waren. Dit was anders. Niet: ‘alleen op de wereld met zijn tweeën’, maar vrienden ontmoeten. Niet: ‘boeken lezen, tochten en foto’s maken’, maar babbelen, samen aan de koffie, lunch, thee en diner. Anders dan anders. Geweldig.


[1] Namen op verzoek gefingeerd.

[2] Lees meer over Paradiso vouwcaravans of bekijk de plaatjes via Google afbeeldingen

[3] Lees meer over de Wonderpan


Maanden ben ik er al mee bezig geweest en nu is het dan zo ver: we gaan vandaag eindelijk onze 35e trouwdag vieren. De zon schijnt, het is warm en broeierig. Het belooft een mooie dag te worden. We gaan de lucht in!

Elf jaar geleden zijn Gijs en ik al eens mee geweest op een rondvlucht met de Dakota boven het Gooi. Vandaag gaat de vlucht over de Hanzesteden Kampen, Zwolle, Deventer, Hattem, Harderwijk. Met zijn zessen, de kinderen gaan mee op avontuur.

We melden ons ruim op tijd bij de vertrekhal in Lelystad. Souvenirs worden op voorhand ingeslagen, een pet, een koelkastmagneet. Na verloop van tijd wordt er ingecheckt en krijgen we stoelnummers toegewezen. Als iedereen afgevinkt is, neemt één van de piloten het woord en vertelt een en ander over het vliegtuig. Een DC3 uit bouwjaar 1944. Roepnaam is Prinses Amalia. Het ding is bijna 80 jaar oud en vliegt nog steeds. Het heeft meegevlogen in Normandië bij D-Day. Heeft parachutisten gedropt bij de Slag om Arnhem. Het toestel is na de oorlog door Prins Bernhard gekocht, de letters PBA staan voor Prins Bernhard Alfa. *)

Tot zover alles goed en aardig. Het probleem echter met ‘Lelystad Airport’ is dat de Dakota niet vanaf het kleine vliegveld kan vertrekken, maar daarachter op de nog steeds niet in gebruik genomen grote luchthaven geparkeerd staat. Dat betekent iedereen weer de auto in en in colonne een vierkantje rijden naar de nieuwe terminal. Die wegen zijn normaliter afgesloten, voor deze groepen worden ze echter tijdelijk opengesteld. Kilometers parkeerterrein zonder één enkele auto. Een knots van een vertrekhal. Compleet ingericht, de stoelen nog in plastic, klaar voor gebruik. De Dakota, eenzaam en alleen op het tarmac, waar het vol had moeten staan met vakantiecharters. Een bijzonder gebeuren alles bij elkaar. Of noemen we dat ronduit: raar?

We hebben de tijd en ruimte om uitgebreid te fotograferen, onder de vleugels door te lopen, tegen de grote banden te schoppen en ons te vergapen aan alle popnagels die het blikken ding bij elkaar houden. Houtje-touwtje techniek werkt. Via een smal ijzeren trappetje klauteren we naar binnen. Het toestel ligt op zijn achterste benen, dus naar onze stoelen voorin moeten we omhoog lopen. Wat een vreemde gewaarwording.

We zitten boven de vleugel en motor waardoor ik me in een rare kronkel moet wringen om goed zicht te hebben maar dat mag de pret niet drukken. We zijn met 18 passagiers, 2 piloten en een travel assistant of hoe de beste man zichzelf ook noemt. Hij werkt de veiligheidsinstructies af, vertelt waar de nooduitgangen zitten en waar het hamburgerluikje zit. Dat komt uit bij de propeller, vandaar ‘hamburger’. Niet openen is het devies. Als laatste waarschuwt hij voor turbulentie waar we geheid mee te maken gaan krijgen. We gaan het zien.

Na lang wachten begint er eindelijk beweging in te komen. Aan het begin van de startbaan laten ze de beide motoren even brullen en daar gaan we. Het is niet te vergelijken met een hedendaags toestel. Niks achterovergedrukt worden in je stoel met ploppende oren. Gewoon optrekken bij een stoplicht en ineens zit je boven. Heel apart.

Als het ‘riemen-vast’ bordje uit is mogen we ons door de cabine bewegen. Makkelijker gezegd dan gedaan, het toestel schudt en waggelt als een dronken stoomtrein op vastlopende wissels. Vasthoudend aan de bagagerekken lukt het me om achterin te geraken en me bij de achterste raampjes op de grond te laten zakken. Ja, dan heb je mooi zicht voor foto’s… als het je tenminste lukt je camera stil te houden. Avontuur!

Om andere mensen ook de kans te geven een blik op de IJssel te werpen klim ik weer overeind en klauter naar voren. Ik neem een kijkje in de cockpit. De piloot heeft zijn mobieltje op zijn knie, een wegenkaart in de hand. Het tocht er: het raampje staat open. Door de voorruiten heb je het mooiste zicht.

Eenmaal op mijn stoel terug, begint het geschud enigszins vat te krijgen op mijn hoofd. Alsof de uiteinden van de zenuwen onder mijn schedel onder stroom staan. Mijn ingewanden houden zich rustig, maar duizelig ben ik wel. Met mijn stoel achterover kan ik beter door het raampje kijken, zo gaat het goed. Af en toe doe ik mijn ogen dicht om het geluid van het motorgebrom te volgen. Sonoor dreunt het voort. Ik vergelijk het vliegen met een Dakota soms met het rijden in een Eend. Simpele ouderwetse mechanica, écht vliegen zoals écht rijden in plaats van op de cruise control in de moderne automaat. Het geluid, de traagheid, de nostalgie… daar houden we van.

Bij Harderwijk gekomen is het alweer tijd om de daling in te zetten. Vanaf tweehonderd meter hoogte is dat niet zoveel moeite. Ik zie de strepen van de landingsbaan naderen en dan ineens rijden we al. Geen boinkje gevoeld, dat is in lijntoestellen weleens anders. Nu niet met gierende remmen en rokende banden over het asfalt, heel rustig zoeven we naar de terminal. Bij het verlaten van het vliegtuig ontvangen we allemaal een certificaat op naam ten bewijze dat we met de Dakota gevlogen hebben. Alsof we zelf achter de hendels en knoppen zaten 😉. We krijgen een pin van een Dakotaatje welke gelijk op een pet vastgemaakt wordt. Met veel dankbetuigingen nemen we afscheid van piloten en andere hulpvaardige mensen.

De kinderen zijn het erover eens dat dit een mooie belevenis was. Een gebeurtenis waar we nog vaak aan zullen terugdenken, een nieuwe gezamenlijke herinnering. En dat was precies de bedoeling.


*) Meer over de geschiedenis staat beschreven op de website van de Dutch Dakota Association: https://dutchdakota.nl/over-de-dda/ph-pba/

Ik snap er niks van. Waar zijn ze nou, waarom blijven ze niet bij mij? Zó zijn we nog lekker samen aan het snuffelen in het gras, zó zijn ze weg. Ik hoor ergens wel wat roepen en fluiten, maar ze lopen de verkeerde kant op. Een paar dagen geleden heb ik bij Frits gespeeld, dat was heel gezellig. Moeten we Frits dan niet naar zijn huis brengen? Waarom lopen ze daar niet heen?

Het roepen klinkt verder weg. Komt dan weer dichterbij. Ze zijn in de buurt. Ik hoef toch zeker niet te komen als ze me roept? Kom maar hierheen. Ik hou me gedeisd, wit is blijkbaar een goede schutkleur in dat kleef- en fluitenkruid. Hihi, ze lopen vlak langs maar zien me lekker niet, ik geef geen kik.

Het duurt wel lang zeg. Geen idee welke routes ze allemaal aflopen om mij te zoeken. Ik had terug naar huis kunnen lopen. Of de gewone weg rechtdoor. Of dwars door en dan langs de huizen. Maar ik zit hier wel goed, laat hen maar zoeken. Het halve dorp door en vast aan iedereen vragen of ze een witte wolbaal hebben gezien. Maar ik zit hier gewoon, te genieten van mijn vrijheid.

Ha, daar is Perry! Mijn grote krullerige vriend. Wil je spelen? Perry snapt ook niet waarom zij niet bij me is, maar spelen, dat lukt de oude vriend wel. Zijn mens doet iets met zijn mobieltje, we blijven waar we zijn. Spelen! Jammer dat Frits er niet bij is.

Een hele poos later, we zijn met zijn drieën een klein stukje verder gelopen, komt ze aangehijgd. Oké, laat ik nou maar naar haar toe rennen, als ze dat dan zo graag wil. Hop, gelijk heb ik die strop om mijn nek. Bah, het was net zo gezellig. De mensen blijven nog een beetje kletsen. Heel rap wandelen we vervolgens naar huis waar Frits op ons wacht. Ik blijf maar braaf naast haar, zo te voelen is ze niet zo blij met me. Ik vrees dat ik de komende tijd niet meer los mag lopen….

… Zó zijn we nog lekker samen aan het snuffelen….


 

Categorieën: Ravi

Heel Nederland is een quilt van polders, een lappendeken gemaakt van aan elkaar genaaide lapjes drooggemalen grond. Dit weekend toeren we van de Wieringermeerpolder (1932) naar de Ooijpolder (ca 1400-1580) en door de Noordoostpolder (1942) en Flevopolder (1957-1968) terug naar de Wieringermeer. Vandaar de titel: Polderweekend.

Zowel de Dyane Vereniging Nederland (DVN) als de 2CV Club Nederland heeft een tocht uitgezet. De één op zaterdag en de andere op zondag zodat we ze allebei kunnen doen. We hebben het ons bekende, midden in het bos gelegen, Bilderberg-hotel in Beekbergen geboekt voor twee nachten. Weersverwachting: huilen met de plu op. We gaan het wel zien, Ravi heeft er in elk geval zin in.

Via de N247 naar Amsterdam, A10, A1 en bij Bussum van de snelweg af. Soest-Amersfoort-Leusden-Woudenberg-Scherpenzeel. We passeren zelfs Ederveen waar het clubhonk van de 2CV Club zich bevindt. We zijn al dik twee uur onderweg, een “op-en-neertje naar het magazijn” is voor ons niet zo vanzelfsprekend. Verder via Ede naar Wolfheze. Aan de meivakantiefiles, op de wegen die we oversteken, te zien is deze kronkelroute zelfs sneller dan de rechtstreekse snelweg-weg.

Tegen vijven melden we in ons bij het hotel. Mooi zolderkamertje. Spullen wegzetten en de benen strekken. We lopen uit het hotel direct het bos in. Ravi mag fijn los rennen. Gelukkig is het bos vrij droog op wat grote plassen na. We dwalen tussen de oeroude grafheuvels, de dennen, over geitenpaadjes op de hei. De zon tovert kleurenprisma’s in de wolken. Ravi dendert als Jolly Jumper -KataKlop! KataKlop!- de heuvels op en af. Hij slalomt door een drooggevallen slootbedding als een volleerd skater van de ene oever naar de andere. Als hij een grote modderpoel nadert, roep ik: “Rávi! Kijk-es! Kóóóm op!”. Vanuit de verte spurt hij met zijn vierwielaandrijving terug naar ons. Ja, dat snoepje heb je verdiend knapperd!

In Wolfheze, bij restaurant De Tijd, dineren we in de zon met pannenkoeken. Ik heb er eentje met brie, peer en veel te veel noten. Lekker maar veel te machtig. Terug bij het hotel moeten we de laatste meters ineens rénnen, het onweer barst met grote hagelstenen los. Ze roffelen op de dakkapel, begeleid door flitslichten. Wij zitten hoog en droog, knus alsof we in de tent zitten. Ravi, bekaf van de oerwoud avonturen, slaapt.

Na regen komt zonneschijn! Wat een waar cliché. Na het ontbijt lopen we opnieuw. Gisteravond heeft het gespóeld van de regen, goed te zien aan de stroomgeulen die ternauwernood opgedroogd zijn. Het weer ziet er -so far- veelbelovend uit als we naar het startpunt van de Dyanetocht rijden.

In Berg en Dal worden we ontvangen met koffie en drie soorten taart. Buiten in de zon genieten we ervan. Bij het uitdelen van de papieren routebeschrijvingen hoor ik aan het tafeltje achter me zeggen: “Wij zijn twee auto’s.” Dat klinkt maf als je erbij nadenkt.

Tegen half 12 vertrekken we, met het dak half open. We zien een rijtje chique gerestaureerde herenhuizen uit 1910-1920 (dat zeggen de jaartallen in jugendstil-letters erop tenminste), allemaal even strak in de schmink. Koetelen door Beek met zijn gewichtige notariswoningen. We passeren het Hollandsch-Duitsch Gemaal. Komen langs 200 jaar oude boerenhoeves met bijbehorende parfums. Watertjes. Koeien. Koolzaadvelden. Wandelaars. Fietsers. En een hele rij eenden. Excuus, Dyanes en Acadianes. De zon schijnt, iedereen is blij.

De routebeschrijving hebben we op papier en als GPX bestand voor de Tomtom. Mijn Polarsteps houdt alles keurig bij zodat we iedere slinger, elk dijkje en zandweggetje kunnen nazien. Ik maak veel foto’s en film uit het open dak, ik heb geen tijd om mee te schrijven.

We rijden Duitsland in. Daar is Dingdung. De naam is té leuk om geen foto van te scoren, helaas ben ik steeds te laat voor de wegwijzers. Dan maar eentje van de Tomtom. We rijden Duitsland uit. En dat herhalen we een paar keer, we volgen de grens. In de beschrijving is ook een aantal lunchgelegenheden opgenomen, maar wij picknicken liever met onze eigen broodjes en koffie uit de kofferbak. Er komt meer bewolking, we duimen dat we de buien voorblijven. Bij het laatste kopje thee op een picknickbank in de bocht naar Klein America doen we het dak dicht voor drie spetters regen. Nu zijn we in het landingsgebied van de parachutisten van Operatie Market Garden in 1944. In het veld staat een nagebouwd skelet van een Waco Glider verdekt opgesteld. Twee mederijders zien kans ernaast te parkeren, zien we op facebook*. Dat zandweggetje ernaartoe hebben wij gemist.

Over de steil-glooiende Zevenheuvelenweg, keren we terug naar het startpunt waar we op het terras plaatsnemen voor de nazit. De ober: “Nee, ik heb geen thee.” Na de bestelling van de anderen te hebben opgenomen: “Nou, vooruit.” “Heb je Earl Grey?” Blijkbaar verstaat hij mijn uitspraak niet. “Nee, Urrul heb ik niet. Wel Euhl.” De beste man is een sprekende imitatie van Paul de Leeuw, we lachen ons suf. Heerlijk. Waar blijf je als je niet om jezelf kunt lachen? Bij het afscheid is het “dag mevrouw Urrul”. Ik grinnik nog lang na, wat een mafkees.

De terugweg naar ons hotel rijden we helaas in de regen, want ja, na zonneschijn komt geheid de regen.

Om half 8 gaat de wekker, we schrikken ervan. Laarzen aan en struinen! Ravi zegt elke hond vriendelijk gedag en dartelt vervolgens weer met ons mee. Die vrijheid gaan we thuis missen. In de lobby nemen we twee koffie mee die we boven opdrinken terwijl Gijs Ravi droger/schoner rost met de daarvoor bestemde hotelhanddoek. Bij het uitchecken hoor ik voor de zoveelste keer “Wat een suuuuperschattige hond hebt u!” Ik kan niet anders dan ze waarschuwen dat de hondenhanddoek suuuperzwart is geworden….

Jas uit, zonnebril op en we zijn weg. Na de brug over de IJssel komen we in de polder en zoals je weet waait het in de 20e-eeuwse polders áltijd. Hard….

Vertrekpunt vandaag is museum Schokland. Het parkeerterrein is al goed gevuld met 2CV’s. Nieuw arriverende campers hebben het moeilijk er tussendoor te manoeuvreren, rechtsomkeert. Er is voor hen geen plaats meer, jammer joh. Er zijn 53 inschrijvingen: eenden, bestel-eenden, twee Dyanes, een Ami, een Burton, een Le Patron en zo nog wat afgeleiden. Binnen is het een (te) luidruchtige drukte, wij drinken onze koffie buiten in de zon op het terras.

In weerwil van de wind slaan we het dak wederom halfopen. Tussen de wolken schijnt de zon, dat is ons genoeg. Om een uur of twaalf vertrekt de sliert oldtimers in een wat rommelige volgorde uit alle uithoeken van het parkeerterrein.

De Tulpenfestivalroute waar de club zich gemakshalve van bedient is een totáál ander soort rit dan gisteren. Dit is een wat commercieel “volg de bordjes”-geheel met veel 60-80 km wegen om van het ene perceel naar het andere te geraken. Geen enerverende kronkels, hellingen, zandweggetjes. Veel “vreemd volk” wat zich tussen de eenden mengt; de toeristen en dagjesmensen hebben allemaal dezelfde plattegrond met pijltjes. Ondanks dat alles genieten we volop, van het toeren, van de kleuren. Hoewel minder dan de helft van de bloemen in bloei staat, er bloeien bijna nog meer fruitbomen dan tulpen, zijn er genoeg plaatsen waar we een fotoshoot kunnen doen.

Om 1 uur zijn we de wind beu. We draaien een inrit in het Kuinderbos in waar we in de luwte en in alle rust kunnen lunchen. Op krachten gekomen, zetten we de reis voort. Bij een pluktuin staat de halve club te kletsen, wij gaan ook even buurten. Na wat foto’s en een babbeltje scheuren we de Transat achterna. Voor een roze akker stoppen we voor een foto met de twee redactie-auto’s. We raken Harry kwijt bij een limonadekraampje waar ze geen oud ijzer willen hebben. Harry had het bordje niet goed gelezen… 😉

Dichtbij het eindpunt, bij een laatste leve-de-koningin-kleurig tulpenveld voorbij Tollebeek, doen we het dak dicht en zetten koers naar de A6-Lelystad-Enkhuizen-Middenmeer. Eenmaal op de dijk hebben we wind schuin mee en op de A7 helemaal. We redden de 100 km/u makkelijk. Tegenover het lelijke, verplichte, kotsgroen van de bedrijven op Agriport lichten de tulpen aan de overkant vrolijk roze-fuchsia-rood op. Als kleurrijke tegenhanger van het grauwe geld.


*) Die foto heb ik gejat van facebook © Herman ten Kate, de foto’s van ons in ons Dyaantje en de Zevenheuvelenweg zijn op dezelfde manier verkregen © Tien Heuvel.