Vertel de voorzienigheid of wie dan ook over je plannen. Ze zullen je allemaal uitlachen. Zo gaat het ook deze vakantie. Het is begin september, de voorzienigheid in de vorm van Météo France dwarsboomt mijn plannen. Het énige puntje van Frankrijk waar we juist om die reden altijd heen reden en waar we nu juist níet naartoe wilden, is het enige puntje van Frankrijk waar het wel zonnig lijkt te worden. Wat gaat het worden?
Met de Middellandse Zee als voorlopig einddoel in ons hoofd gaan we op pad. Bij de eerste stop in Limburg gaat het dak een stukje open, de lange broek verwissel ik voor short en shirt.
Net als in juni hebben we harde wind tegen. Met het open dak geeft dat een beetje lawaai, maar het is veel minder heet dan in het kokende koekblik van vorige jaren. Aldus nemen we de tunnels in Luik en kachelen zoetjes-an in de goeie richting. Na anderhalf uur heuvel op en af komen we door Martelange waar 25 tankstations gebroederlijk naast elkaar aan de hoofdstraat zitten. Scheelt weer twee kwartjes met Nederlandse benzineprijzen. Grappig: als je het shopje in loopt, stuit je direct op een múúr van tweeliter flessen sterke drank. Iets wat ik niet direct met verkeersveiligheid associeer. We lunchen in de schaduw van een vrachtwagen in Hondelange waar het ‘over-de-weg-restaurant’ op instorten staat. Het is vast al 20 jaar gesloten en nu aan verpaupering overgeleverd.
Echt hoor! Spiegels? Die zijn voor de ándere mensen. Bij Nancy, zondagmiddag half 5, druk verkeer, korte lontjes, 29°. Achter ons naderen blauwe zwaailichten. Opzij gaan? Nee, men schrikt zich dood als er behalve de zwaailichten achter ze plotseling de sirene begint te loeien. Hals over kop, in paniek, een slinger aan het stuur geven. In de spiegels kijken? Nee, dat is ijdelheid. En ijdelheid is één der hoofdzonden.
Niet helemaal plankgas en toch gestaag met 114 km/u op de péage scheuren we door. Opschieten willen we. We pauzeren voor een broodje en cola en checken de hotels voorbij Lyon. Dat is nog zeker drie uur verder, maar dan hebben we dat alvast gehad. Gijs is nog niet moe.
Als de zon onder is gegaan rijden we A46 voor Lyon op. De straatverlichting is gelijk uit, poeh wat is het ineens donker. Het blijft warm, het dak gaat verder open. Recht voor ons verschijnt een grote roze maan, laag aan de horizon. Het duurt even voor we beseffen dat we naar een maansverduistering zitten te kijken, een volle bloedmaan die zich, omhuld door nevelsluiers, aan de schaduwen der aarde ontworstelt. Het zilveren nageltje links onderaan begint langzaam steeds feller te schijnen. Door het open dak tel ik de sterren. We zijn er bijna.
Precies 12 uur na vertrek komen we aan bij het Mercure hotel in Villefontaine. Eindelijk rust aan mijn hoofd. De olifantenpootjes gaan omhoog. We checken de Météo en kijk, de wispelturige voorzienigheid is van mening veranderd. Stante pede wijzigen we ons reisdoel, Gijs zet een kronkelroute uit naar Entrevaux dat al zolang op mijn wensenlijstje staat.
De stralend-volle maan zien we niet meer. We slapen.








In grijze, miezerige druilregen vertrekken we de volgende morgen. We beginnen met een stukje péage richting Grenoble. Van daar rijden we door de Vercors. Het heuvelt direct behoorlijk. Op 550 meter is het kil. De wolken hangen laag. Wat is het hier intens gróen. Heel af en toe is al een glimp op van de naderende herfst te bespeuren. Zonnebloemen laten hun oude, uitgebloeide hoofden hangen. Achter de hoge bergen van de Chartreuse gloort er licht. We stijgen tot 1175 meter, omhoog, omhoog!
We volgen urenlang de melkachtige rivier de Bruëch en komen bij Sisteron uit. Hier draaien we ervan af om een stukje Durance te volgen. Dan duiken we al snel de bergen in, vlak voor Voronne (Vourouno) zie ik een bordje “Commune de Route de Napoléon”.
We volgen een stroompje met een spoorlijntje erlangs. Serieus wat een enige route is dit, ik geniet honderduit. Om sleeziekte te voorkomen maak ik weinig foto’s. We passeren stationnetje Moriez op 885 meter hoogte, de weg klimt verder en zo doen wij. Col des Robines volgt met 988 meter. Dan slaan we de bocht om langs de Verdon en het helblauwe stuwmeer Barrage de Castillon. Weten wij veel dat we er nog vaker langs zullen komen.
Eind van de middag arriveren we op Camping du Brec bij Entrevaux. Een ‘gewone’ camping zonder poespas, snotgoedkoop. Er liggen kano’s klaar voor gebruik voor de campeurs.
We installeren ons op een aardige plek, er is genoeg keuze. ’s Avonds eten we lekker makkelijk soep en brood. We kijken sterren en satellieten, genieten van de stilte. Vroeg slapen.














Na het ontbijt met veel thee en uitgebreid koffie komt de zon een beetje door. De boodschappen halen we bij de Intermarché, vijf minuutjes verderop. Tussen de middag is het strakblauw en 30°. Klein windje, klein schaduwtje. Wat een snertweer.
Later in de middag loopt Gijs naar het stadje, Ravi slaapt en ik werk deze hiërogliefen uit. Ach ja, die weersvoorzienigheid. Van de vorige week voorspelde hoosbuien is niets te bekennen.
We lopen met Ravi naar het riviertje. Nu een smal stroompje met een zeer brede rivierbedding. Het hele gebied bestaat uit uiterwaarden voor de winterse Var. Ik denk dat als die uit zijn plaat gaat, en dat is de afgelopen jaren vaak voorgekomen, de camping en de rest onder water staat. Het meertje van de camping is een kunstmatig omleidinkje.



Oh, al die blaadjes… Ravi swiffert de hele camping. Een kleine borstelbeurt later ondernemen we de tocht naar Entrevaux. Voornamelijk over gravel en grind bereiken we het stadje op zo’n 480 meter hoogte en komen binnen via de Porte de France, met schietgaten en een ophaalbrugje.
We drinken koffie naast het Hospice de St. Jacques. Daarna struinen we straatje op, staatje af, steegje links, trappetje rechts. Ik geniet van de doorkijkjes en de deuren met hun kloppers. Het stadje doet middeleeuws aan, maar de meeste gebouwen zijn voornamelijk uit de 17e en 18e eeuw, gebouwdonder supervisie van de zeventiende-eeuwse architect Vauban. We komen bij de Cathédrale de Notre Dame de l’Assomption, die onderdeel is van de stadmuren. De klokkentoren kon tevens dienst doen als verdedigingstoren.
Ik geef Gijs mijn hoed in bewaring en ga naar binnen, hij wacht met Ravi op het muurtje in de schaduw. Indigoblauw bolt een hemelgewelf boven het koor van de kerk. Achter mij geeft de organist uitleg aan een groepje toeristen, ik sluip weer naar buiten. Daar in de schaduw koelt een briesje ons af terwijl binnen het orgel wordt bespeeld.
Wij laten de klim naar de Citadel voor wat het is. Is vast erg mooi. Voor ons net effe teveel stijgen, het pad vanaf de camping naar het stadje was al pittig genoeg. “Je zóu naar die citadel toe kunnen lopen. Je kunt het ook níet doen. Een paar ansichten kopen en gewoon zeggen dat je er geweest bent. Niemand die het controleert.” (vrij naar Brigitte Kaandorp: vakantie met zus, 1990)
We sjouwen terug naar het eerste pleintje. Lunch met een Salade Chèvre, vanavond hoeven we niet over eten na te denken.
Tonnetjerond vangen we de afdaling aan, met de zon in de rug en beduidend minder schaduw dan de heenweg. In de verte zien we het blauwe treintje. De inmiddels drooggeroosterde dennennaalden geuren sterk. Zalig. Schoenen uit bij de tent. Ruim 9000 stappen, die hebben we vast binnen.
Om het niet te verleren probeert Gijs te kanoën in een lekke kano.
’s Avonds zijn er windvlagen van buien die elders vallen.








































Wordt vervolgd…