De app Archies biedt een overschot aan campings; het vinden van een leuke plek is altijd een gok. We willen de bergen in maar niet helemaal naar Zwitserland en geen toeristisch vijfsterrengedoe met zwemparadijzen wat de keuze al wat beperkt. We prikken gewoon de fleurigste naam, Les  Cyclamens in het plaatsje Le Châtelard in de Haute-Savoie. We kennen het gebied niet en zijn benieuwd of het de gok waard is. On y va et on verra.

Keurig op tijd vertrekken we, nagezwaaid door Marc, de campingbaas van Les Deux Rivières. Via (s)malle straatjes in zijn één sluipen we door Autun waarna we direct op het platteland belanden. Bij Lac de la Sorme doen we even een bakkie voor we verder oostwaarts slingeren.

We doorkruisen Cluny, het katholieke bolwerk uit de kruistochttijden. Voor de abdij staan chique feesttenten voor het aanstaande Concours Hippique. Hierna volgt een oud stuk N7 met een behoorlijk stijgingspercentage. Invoegen gaat met een slakkentempo wat we lang volhouden.

In Mâcon slaan we rechtsaf de brug van de Saône over naar de bisroute richting Bourg-en-Bresse. Als we deze saaie weg te lang vinden duren, van rotonde naar rotonde, durp na durp, zetten we Tom op snelste route. Scheelt een uur.

Algauw zitten we op de péage A40, Autoroute Blanche richting Genève. Dit is weer winterbandengebied, altijd goed voor een grijns. Ter hoogte van Nantua is de Tunnel de Chamois van 3,5 kilometer de eerste van vele lange tunnels en hoge viaducten waar we door en over komen.

Op 25 kilometer van bestemming duiken we Massif des Bauges in. Hoewel duiken niet het juiste woord is, klimmen is beter. Allemachies, het stijgt als een malle. Knalblauw en felgroen overheersen het landschap.

De campingeigenaar verwacht ons en gaat ons voor over het terrein. De plekken zijn allemaal onder de bomen en niet heel groot. Wij willen zon, we hebben het lang genoeg koud gehad. Meneer neemt ons mee naar een uithoek, aan de uiterste buitenrand van de camping. Het is een gigantische plek met weinig tot geen schaduw, de “voortuin” zoals ik het noem. Het dichtstbijzijnde sanitair is nog niet schoongemaakt, daar is slechts één wc open en er is geen warm water. Nou ja, we improviseren wel wat, douchen kan in een ander sanitairgebouw. Er is zon. Heel veel zon. Eindelijk.

Vanaf onze plek loopt het weggetje naar het dorp; de bakker is vlakbij. Vier knotsen van dennen omlijsten ons uitzicht op de bergen. Het is stil, op ver klinkende koeienbellen na. Om half 6 zitten we aan de thee met de laatste madeleines. In korte broek en t-shirt.

We lopen een rondje door het dorp. Een gezellig restaurantje zien we zo gauw niet. Wel een paar artisans: een leerbewerker; een mandenmaker en een muziekinstrumentenbouwer met een driedimensionaal sculptuur van een vioolsleutel uit één blok hout. En een vanillevla-gele eend. Wanneer de zon achter gindse koekoek-heuvel is gezonken, koelt het snel af.

The hills are alive. We ontwaken op een filmset. Dit decor is gemaakt om te toeren, met het dak open natuurlijk. Het stijgt en het stijgt; al kronkelend komen we tot ruim boven 1100 meter. Zwitserse uitzichten en schone lucht om in te ademen.

Gijs ziet een restaurantje met terras, dus húp, stuur om en erin draaien. De klok bimt 1 uur, lunchtijd. De bouwvakkers staan met een biertje in de hand de bar te bevolken. Wij mogen rustig buiten zitten onder een parasol. De saladeborden vegen we met een broodje schoon leeg.

Voldaan zwerven we verder. We kruipen naar de Col des Prés op 1142 meter via hellingen van 10% met kromgebogen wat eenzame sterke fietsers. Wij hebben nog één hortje af te dalen.

Terug op de camping zetten we als eerste de zonneklep op de tent, daarvoor hadden we die luifel tenslotte gekocht. De hond borstelen kan nu in de schaduw, het is nog warm zat. Ook ’s avonds koelt het nauwelijks af.

Een lauwe nacht wordt gevolgd door een luie dag bij de tent. ’s Middags wordt Gijs actief en komt met het idee ergens te gaan wandelen. Er is een watervalletje in de buurt waar we met een steil paadje naartoe rijden. Om bij het water te komen moeten we het laatste stuk over de wiebelkeien lopen. Ik vind het halverwege genoeg evenwichtsoefening geweest, Gijs is dapperder en maakt foto’s ten bewijze.

Na die rustdag is het tijd om iets te ondernemen. We vertrekken voor een 100 kilometer lange spannende rondrit. De kerk gaat net uit, de zware klok galmt zijn zegen over de kwebbelende kerkgangers uit. Veel zondagsfietsers op de cols; wij beginnen met de Col du Frène op 950 meter. Dan volgt de Route de Miolans, tweerichtingsverkeer hoewel fietspad-breed. Het zal nog erger worden maar dat weten we dan nog niet. Vervolgens zakken we af naar 350 meter. In het dalletje van Fréterive heerst een microklimaat waardoor er wijngaarden, oleanders en zelfs een olijfboom welig tieren met op de achtergrond de eeuwige sneeuw onder het kinderkamerblauwe plafond.

In een pas gekeerd grasland zit een knots van een roofvogel; de zwarte schaduw van zijn partner in crime scheert over ons heen. Aan de kleur en het silhouet met gevorkte staart en gevingerde vleugels te zien zijn het rode wouwen.

Wat zei ik? Het fietspad wordt nog smaller tot een bijna off-road geitenweggetje. Loodrecht naar boven en loeismal. Omhoog! Omhoog! Via de Col de Tamié bereiken we een lunchplek, een stampvol terras bij de Grotte Cascade de Seytenex.

Continuons. Ik zie een parapenter in het blauw boven het groen. Eentje, twee, vijf, en als ik rechts van me kijk zie ik een heel nest mafkezen van de berg afspringen. Naast ons glanst ineens zwembadblauw het Lac d’Annecy. Net nep. Het is inmiddels bloedheet, heel druk en de mensen liggen pal naast de weg te zonnen. We zien een mega vijfsterrencamping, een zogenoemd kampeerpretpark. Je moet maar zin in die drukke bedoening hebben.

Gelukkig slingeren we algauw terug de bergen in, hoe hoger we komen des te koeler wordt het. Via de laatste bergrug crossen we terug naar de camping. Stoelen in de schaduw en uitrusten.

Alle foto’s lijken op elkaar merk ik, met een heldere lucht, groen gras en wat bergen. De dag erop is evenzo strakblauw en warm. Koffietijd benutten we door vast te speuren naar een volgende camping. Plannen maken is de helft van de pret, hoewel niet zo mindful in het moment misschien.

In de middag gaan we op pad voor een promenaadje. Langs geurende pas-gemaaide graslanden rijden we naar startpunt. Het gras wordt pas gemaaid wanneer het heel lang is, inclusief alle blommetjes en kruiden, klavers, boterbloemen en wat niet al. Een rode vos glipt eruit tevoorschijn en rent met gestrekte staart de weg over voor ons langs.

Voorwaarts mars. Het eigenlijke wandelpad start op 1195 meter en gaat recht omhoog. We zijn weer lekker voorbereid op pad gegaan (niet). Geen rugzakje voor water, geen wandelstokken voor mij. Na de eerste honderd stappen, inclusief bloemetjes kieken, ben ik al kapot. Moeizaam struin ik door tot de steile trap met zevenmijlstreden. Gijs en Ravi klipgeiten nog een stukje hoger tot de Col de la Fullie op 1338 meter hoogte; ik blijf onderaan de trap wachten. Teruglopen gaat onverwacht sneller en simpeler dan ik vreesde.

De laatste dag maken we voor de verandering een toertje. Dit keer is de bestemming een ander meer, het Lac du Bourget. Oftewel, het meer waar Aix les Bains aan ligt. We hebben geen zin om die grote stad in te gaan, we rijden door naar het andere eind van het meer. Het voelt als een kruising tussen de Côte d’Azur en de Alpen. Hoge pijnbomen in alle soorten, een wijngaard en oleanders, maar dan wel met de chaletbouw van wintersportgebieden; een vreemde, leuke mix.

In Chindrieux is het verplicht -gratis- buiten de haven te parkeren en de hond mag niet op strand of ligweide. Hij mag wel mee naar het strandrestaurant, Ô Lac, waar we uitgebreid lunchen. Woordgrapje. Heerlijk uit zijn, dat is vakantie. Ik ga even met de voeten in het water, het is erg ondiep en dus niet koud.

Op de terugweg zijn we de bezemwagen achter een convoi exceptionnel, twee trekkers met hooibaal-lading. Zij vegen de weg schoon voor ons, zo smal is het. Het is weer een mooi avontuur!

’s Avonds pak ik de kratten vast in en bergen we de luifel op. Morgen reizen we een stukje naar boven, naar de Vogezen. La Bresse, we komen eraan!