Jongens, dit ís toch leuk! Na een smetteloze reis, over de N2 rond Eindhoven zonder oponthoud en stug doordouwen in zijn twee op de laaaaange heuvels bij Luik, zijn we aangekomen in Charny-sur-Meuse, vlak voor Verdun. Hier heb ik een kamer gereserveerd in een schattig chambre d’hôtesje, Les Charmilles. We worden helemaal avontuurlijk. Geen Ibis of Novotel boeken via internet, nee, een B&B met wel 3 kamers in dit minidorpje. Eén telefoontje in het Frans was genoeg. Geen gezeur over creditcard of paspoort, gewoon mijn naam doorgegeven et voilà.
De karavaan parkeren we achter een dichte poort onder een grote kersenboom waar Gijs direct van snoept. Ravi kan lekker darren in de tuin. Onze grote kamer is op de begane grond, in de hal/huiskamer staat een waterkoker en thee en koffie beschikbaar en morgen ontbijten we in de serre. Dit is zoveel leuker dan zo’n standaard hotel op een bedrijventerrein.
’s Avonds lopen we een rondje in de avondzon door charmant Charny waarna we heerlijk slapen. Het is hier zó stil dat we zelfs de motards die na ons arriveren niet horen binnenkomen.














De volgende morgen schuiven we aan bij een kleurrijk ontbijt met een giga-croissant, verse jus, yoghurtjes, fruit en brood en zelfgemaakte jams. Even later krijgen we gezelschap van de motorrijders, die zoals gebruikelijk vragen of we echt uit Nederland gekomen zijn met de Dyane.
Bij het afrekenen, contant, krijg ik een bonnetje: € 66. Ik schiet bijna in de lach, kom ik aan met mijn honderdje. Dit gaan we onthouden!
Grinnikend gaan we op pad, de Morvan roept. We starten met een milieuvriendelijke route over de Voie Sacrée, D1916. Een belangrijke verbindingsweg in WO I van Bar-le-Duc naar Verdun, wij rijden ‘m andersom. Overal staan de bornes met soldatenhelm. Koolzaadvelden en allerlei graansoorten afgewisseld met pieperakkers. Bermen bezaaid met wilde grassen, korenbloemen, fluitenkruid en papavers in chauvinistisch bleu-blanc-rouge. Een enkele kaardenbol van vorig jaar piept erboven uit.
Via de D28 steken we een slinger van de D1916 af. De zwarte piste golft in een lineaalrechte lijn over de soms steile heuvels voor ons uit. We komen door dorpjes als ingekleurde sepia schilderijtjes. De leuningen van bruggetjes zijn behangen met felgekleurde geraniumbakken, een spitse kerktoren steekt naar de loodgrijze lucht. Een kerkhofje schuilt achter hoge muren.
In Bar-le-Duc slingeren we door de smalle straten omhoog. Het stadje is als een filmdecor, waar mensen zomaar uit de coulissen tevoorschijn kunnen dansen. Het theatertje verhoogt die illusie alleen maar. Ik geniet van de vele doorkijkjes terwijl Gijs zich suf stuurt.
De graanschuur van Frankrijk speelt boompje verwisselen met groene bossen en gehuchtjes, het één al knusser dan het ander. Op de rustig meanderende weg rijden we meestal moederziel alleen. Vanwege het slagveld op de voorruit moeten mijn letterlijke 1000 woorden meer zeggen dan de fictieve foto’s. Een langstaartige vos schooit in de berm, door zijn schutkleur ziet Gijs hem niet.
Met de zon op mijn spijkerbroekbenen waan ik me zo langzamerhand een halfgare kip. Het dak gaat half open, mijn sokken uit en de hoedjes op. Kijk: vakantie!













Tegen vieren komen we bij “onze” Camping les deux Rivières in La Celle en Morvan aan. De camping begint aardig vol te lopen, we krijgen de laatste plek aan het water. Om 5 uur is het kampement in de zon ingericht.
Omdat we iets schijnen te moeten eten gaan we als experiment kennismaken met de pizzadwergjes in de pizza-automaat. In 3 minuten floept je gloeiendhete pizza in doos voor je neus. Bizar dat het kan. Niet vies, dit “broodje-kaas”. Nieuwe dingen uitproberen, we worden er steeds beter in. De rest van de avond zitten we te lezen en serietjes te kijken. De bedden zijn warm opgemaakt, we rollen er met dikke pyjama voldaan in.



Zo’n eerste week vrijheid is vooral bedoeld om te ontstressen. Los te komen van dagelijks ritme en gedoe. Ervaring heeft ons met de jaren geleerd dat daar een kleine week voor nodig is. Dus waar kun je dat beter doen in een bekende omgeving en toch ver van huis. Niet direct een heel nieuw avontuur beginnen, al worden we daar steeds beter in. Een zachte landing noemen ze dat, zo leerde ik laatst.
En zachtjes landen we. Ontbijt met verse croissantjes en veel thee gevolgd door veel koffie. Omdat er wat regen verwacht wordt, zetten we de capuchon op. Vooralsnog zitten we in een bewolkt zonnetje aan de koffie. Dan volgen er wat spetters afgewisseld met hoosbuien. We krijgen van alles over ons heen. Kan vriezen, kan dooien.
’s Nachts komen er wat buien over. Overdag is het droog maar bewolkt en fris. Echt zo’n dag waarin de kopjes koffie naadloos doorgaan in lunch en daarna thee met madeleines. De dikbilbuurdames drinken uit het gedeelde stroompje achter de tent. Voor het avondeten maakt Gijs zijn beproefde omelet, met sla en brood is dat het ultieme campingvoer.






Ook de volgende dag houdt het weer niet over. De hele morgen zitten we bínnen. Tent dicht, kachel aan. Warmer dan 11 graden wordt ‘t niet. Tussen de middag besluiten we crèpes te gaan eten in Autun. Terwijl we daar zitten klettert de regen tegen de ramen. Het is bijna droog als we een ‘spannende route’ uitzetten, met dit gekke weer in een verwarmde auto rondkoekeloeren is de beste optie. Van buien naar zon en terug, het scheelt met gemak 10 graden. Leuk ritje.








Morgen vertrekken we oostwaarts, naar de Haute-Savoie. Laat die bergen maar komen. En een beetje zon alsjeblieft.