Je kunt er de klok op gelijkzetten: in twee uur tijd zijn we klaar voor vertrek. Iedere keer opnieuw. Twee uur van opstaan, ontbijten, hond uitlaten, inpakken, tent opbreken tot vertrekken: we zijn klaar voor een nieuw avontuur in de Vogezen.
Stilletjes vertrekken we in de vroege morgen van ons eenzame weitje, de voortuin van de camping. Niemand zwaait, niemand zegt gedag, alleen de koperen koeienbellen klinken zachtjes in de heuvels.
Langzaam kronkelen we naar de snelweg, nog even genietend van het uitzicht, de geuren en kleuren. Binnen een halfuur razen we over de A41 richting Genève. Dezelfde route als de heenreis, via laaaaange tunnels die direct overgaan in laaaaange hoooooge viaducten. We passeren Aire de Bourg-en-Bresse waar een gigantische stalen kip glimmend boven de snelweg uitsteekt.
Kleffe koffie- en lunchpauzes later verlaten we bij Vésoul de péage. Tom geeft de richting naar Nancy raadselachtig aan: “Hou links aan en neem de afslag rechts.” In één adem. Het blauwe lijntje op het display is al net zo onduidelijk. Ach, we grommen wat, keren om en gaan weer door. Het is snikheet. Vies plakkerig asfaltwarm, niet lekker bergwarm.
Aan het eind van de middag bereiken we de camping Du Haut des Bluches in La Bresse. Toen we enkele jaren geleden in La Bresse overnachtten vonden we het zo’n leuk plaatsje: met een watertje dat er rap doorheen stroomt, allerlei bruggetjes en wandelpaden en in elk geval minimaal één boulangerie-patisserie. Het dichtbije en veel bekendere Gérardmer is een toeristische poppenkast, La Bresse ligt net over de berg uit de drukte.
Zoeken naar een vlakke plek met vooral veel schaduw is een uitdaging in dit kampeerdoolhof. We vinden een aardig plekje, we zien wel hoe het uitpakt. Hollanders naast ons hebben een probleem de caravan waterpas te krijgen. Dat probleem kennen wij niet. Als het hoofd maar hoger ligt dan de voeten, dan komt het goed. We zijn bekaf. De stoelen worden uitgeklapt en dan eerst wat drinken en bijkomen van de vermoeiende reis. De tent opzetten komt later wel.
Pas als we zijn bijgetankt gaan we aan de slag. Tent opzetten is routine, een zweterig klusje. Op deze camping staat een hussiemussie van tenten, caravans grote en kleine campers en blokhutten, met allemaal in allerlei nationaliteiten door elkaar. Meer “campinggevoel” dan in de voortuin van de vorige camping, hier hebben we allerlei aanspraak over de Dyane, de hond en “wat een blafhitte hè” als ik de zoveelste fles water bij het kraantje vul.






De volgende morgen claim ik direct een wasmachine en douche terwijl de was draait. We installeren de luifel en zelfs de parasol wordt verankerd in de grond. De brandende zon stoomt het wasgoed in mum van tijd kurkdroog. Gijs gaat naar de supermarkt en het bakkertje. Intussen loop ik met Ravi een stukje over het wandelpad langs het stroompje waarna we onder de overkapping van het bruggetje op de baas wachten. Helaas zijn ze de dorpsstraat aan het opbreken met enorm veel kabaal. Een stoffige bedoening.
Eindelijk hebben we een merengue bij de koffie, die hadden we nog niet gehad. Met deze ijsberg zal ik de hele vakantie voort kunnen, lunch is niet noodzakelijk. Ons tempo ligt laag, heel laag. ’s Avonds eten we omelet met brood en doen verder niets meer. We gaan vroeg te bed.






In de vroege morgen wordt er aan het huis achter de camping geklust. Het is net of we thuis zijn. De herrie van brute cirkelzagen en slijptollen worden hier gelukkig begeleid door Georges Brassens in plaats van André Hazes. Ik vind het wel gezellig, wakker worden bij Franse chansons.
Na zo’n dag nietsdoen begint het alweer te kriebelen: wat zou er achter de volgende berg liggen? Tochtjes maken, of een “toereke” zoals mijn vriendin dat noemt, is net televisiekijken. Achter elke bocht een nieuw panorama, de prachtigste beelden worden je door de voorruit gepresenteerd. Voor Gijs is het vaak hard werken maar dat mag de pret niet drukken. On y va!
Via de kale pukkel van de Grand Ballon haarspelden we verder over de Route des Crètes (daar hebben ze er veel van in Frankrijk) tot 1250 meter hoogte langs skiliften en koebellen tot we bij Hohneck uitkomen. We verbazen ons over de vele wandelaars en fietsers en dat bij 30 graden en meer. Ook bij de Col de la Schlucht is het oppassen geblazen dat je ze niet van hun sokken rijdt.
Opmerkelijk genoeg verdwijnen al die mensen zodra ik mijn camera pak. Ook het gekkenhuis bij het Lac d’Annecy vorige week was niet op de foto te zien. Da’s toch knap.
Verder gaat de tocht over nog meer bergruggen. De hellingen zijn stralend bremgeel, de honinggeur van de stovende genêts d’or drijft zwaar door het open dak naar binnen. Ergens passeren we een Tour de France col waar de karavaan op 18 juli langs schijnt te komen. Op die plek met een zomerrodelbaan is het nu/al druk met campertjes.










Van al die bochten, uitzichten en berglucht hebben we trek gekregen. In Munster, in de Elzas, vinden we een maf pizzatentje waar we buiten lunchen. Met pizza natuurlijk, we hadden er de laatste dagen geen meer gehad.
Hierna trekken we van stadje naar dorpje. De Elzas is echt een psychedelisch gebied: Frans met Duits klinkende plaatsnamen. In Sondernach priemt een slanke torenspits als een suikerspinstokje in een wattenwolkje.
De ene col volgt op de andere tot we tenslotte op de Route de Vieille Montagne en de Col de la Vierge op zo’n 1200 meter hoogte belanden. Op dat stukgereden ezelpad, in de koelte onder de bomen kunnen we vrij ademhalen. Toch zullen we nog een stukje moeten dalen naar de camping. Daar hebben we een beetje luifelschaduw om uit te sudderen van de tocht.
We kennen dat: in de loop van de middag trekt de lucht finaal dicht en het wordt steeds broeieriger. Pas om 22.00 uur koelt het ein-de-lijk af, ik ruik de tintelende ozon in de lucht. Météo France verwacht regen en windhozen. Ik niet. Het onweer rommelt ver in de verte, kleuren dansen tussen de zware wolken.
Na tien minuten is de hele ‘dreiging’ alweer weg. Het blijft bij een paar minidruppels, niet meer dan de sproeinevel die ze in grotere supermarkten over het fruit wasemen. Die nevel was de hele storm in een glas water.





Die afkoeling van gisteravond was een schijnvertoning. We tikken wederom de 36 graden aan en komen de camping amper af, het is te plakkerig om te bewegen. De hele morgen vliegen er zoevende zipliners voorbij. Sommigen gillend of joelend of zelfs zingend, de meesten zijn sprakeloos aan het zweven. Met 110 km/u de berg af. Vrijwillig. Mafkezen.
We suffen lezend de dag door en sjokken een klein rondje met het hondje. Ik ga met de voeten in een bak ijskoud water om af te koelen en in de middag rijden we naar de supermarkt voor een ventilatorretje. Een kleintje dit keer.





Er zijn grote groepen motorrijders gearriveerd op de camping, in de chalets en in het hotel, met oldtimers of fake oudjes. Wij hebben vroeg gedineerd in het resto’tje. Precies om 8 uur zijn wij klaar met eten en ons eerste ijsje en komt de vrolijke groep bikers binnen. Kunnen wij in alle rust hun motoren bewonderen.





De volgende ochtend begint zoals elke campingdag begint. Om 04.45 al licht en zwoel buiten. Elke morgen word ik bij het sanitairgebouw begroet door een uitbundig kwetterende mussenfamilie; de nestkuikens piepen vanonder het dak terwijl op de dwarsbalken de ouders onderling babbelen over hun kroost.
Na het ochtendritueel slingeren we via de Col de Grosse Pierre, een hele piet van 955 meter hoog, naar de Intermarché in Gérardmer. In de suup kan ik mooi afkoelen terwijl ik een hele voorraad frisdrank insla. Met alle boodschappen in huis is het enige plan voor vandaag: niet smelten. We slepen stoelen en krukje naar een koelere plek onder de bomen waar we de rest van de middag heel stil blijven zitten.
De temperatuur blijft de hele middag stijgen terwijl er een zwarte lucht en rommelend onweer nadert. Een uurtje later wordt het nachtdonker. De temperatuur klapt ineens omlaag, de wind steekt op en dan… houden we het zelfs onder de luifel niet helemaal droog. Even de boel opschudden met een beetje sensatie. Een halfuurtje, dan drupt het enkel nog wat na.












De boel lijkt iets te zijn opgefrist door het buitje van gisteravond. We hebben al twee weken zo goed als geen beweging gehad, wat niks voor Gijs is. Hij wil een stukkie lopen. Ik heb zo mijn bedenkingen. De vorige ‘makkelijke’ wandeling (zie voorgaand verhaal) bleek ook niet zo gemakkelijk als de app ons deed geloven.
Om half tien, vroeg voor ons doen, vertrekken we naar een meertje (soort visvijver met grote vissen/forellen) iets verderop. Wandelschoenen aan, hoed op en veel water mee. Tsja. Het rondje om de vijver over vlak gravelpad blijken we in nog geen halfuur te lopen. Ravi slobbert van het water dat van de berg af stroomt. Doen we nog een rondje? Nah. Dit was genoeg.
De rest van de dag sjouwen we met stoelen van schaduw naar schaduw. Het diner is makkelijk, we halen patat en een salade in het restaurantje. Daarna bergen we de luifel op en pak ik de kratten in. Na dit zweterige Vogezenavontuur zijn we klaar voor de laatste vakantieweek in de Ardennen.





Wordt vervolgd…