“Ik voel een verhaal aankomen”, zegt D als we aan tafel schuiven. Dat was ik eigenlijk niet van plan, maar er is zoveel geks voorgevallen dat ik me heb laten overhalen. Geniet met ons mee van een maffe, heerlijke, geweldige dag in the big city, Amsterdam.

De Middenmeerse vriendinnen hebben nog vakantie en we willen naar het Rijksmuseum. Een tentoonstelling over tekenares Fiep Westendorp met haar originele werken, is een goede reden om de oversteek naar de grote stad te maken. We hebben een prachtige dag uitgezocht: babywolkjes wisselen af met de zon, het is een graad of 21 en er staat een heel licht briesje.

We parkeren de auto onder de bomen tussen de flatjes bij Koog aan de Zaan, en lopen in twee minuten naar het stationnetje. Luttele minuten later sprint de trein binnen, en in no time staan we midden op het Stationsplein in Amsterdam. De tram is snel gevonden en we kunnen direct instappen.

Bij Museumplein aangekomen stroomt er een hele kluwen mensen tegelijk naar de uitgang. Ik wurm me er als eerste doorheen, stap de halte op en draai me om om te zien waar mijn vriendinnen blijven. Precies op dat moment glijden de deurtjes dicht. De tram trekt alweer op, met L en D beduusd kijkend achter de raampjes. Gierend van de lach zwaai ik ze na. Wat een gekkigheid.

Even later gaat mijn telefoon; de dames zijn uitgestapt en nu onderweg naar het Rijks. Daar zie ik ze al giebelend aankomen. Het was toch ook een vreselijk gek gezicht: zowel voor hen in de vertrekkende tram als voor mij bij de halte — gescheiden door de onverbiddelijk gesloten deurtjes! We gniffelen nóg als we onder het Rijks doorlopen naar lunchcafé Hans en Grietje aan de Spiegelgracht.

We bezetten twee tafeltjes op het terras, we hebben ruim de tijd om eerst te lunchen. De vriendinnen nemen landbrood met boerenkaas, ik kies avontuurlijk voor de vegetarische oesterzwamkroketten. We kakelen vijf kwartier in een halfuur, onderwijl eerst verbaasd en later enigszins geërgerd kijkend naar het hoofd bediening dat zijn serveersters commandeert en berispt. “Wij hebben geen klanten, wij hebben gásten! De AH heeft klanten.” Dat kan zijn, maar erg gastvrij klinkt hij niet.

Het weerhoudt ons er niet van de borden blinkend schoon leeg te eten. Dan volgt het gebruikelijke gekissebis over wie er mag betalen; ik trek aan het langste eind. Helaas moet ik daarvoor bij diezelfde snauwerige meneer zijn. Ondertussen pakt L haar tas, staat vastberaden op en koerst richting toilet — of wat zij daarvoor aanziet. Zonder aarzelen verdwijnt ze een ogenschijnlijk willekeurig, naastgelegen pandje binnen. Ik roep haar achterna: “Waar ga je heen?” “Naar de wc?” antwoordt ze. Ik grijns. “Dat is niet het restaurant!” “Nee,” zegt de botterik droog, “dat is een castingbureau.”

De hilariteit kan niet groter zijn. De tranen lopen bij ons over de wangen, als pubers krijgen we de slappe lach. Zelfs het sacherijn ontdooit een beetje.

Giebelend lopen we naar het museum. Eenmaal binnen begint het verwonderen. Wat is het hier gróót, wat is het hier licht! Ik kan me niet heugen dat ik er ooit binnen geweest ben, ik ga me laten verrassen. Waar moeten we in vredesnaam heen? Een brede suppoost staat prominent in de grote ruimte aanwezig te zijn. “Ik vraag ’t aan die meneer”, zing ik.*

De vriendelijke zaalwacht gebaart de diepte van het museum in. “Die kant op, en dan linksaf, en dan doorlopen tot je bij de Lelijke Eend bent…” Ik kijk op. “Pardon? Lélijke?” reageer ik quasi-verontwaardigd. “Nou, tweeceevee dan?” aarzelt de man, zoekend naar de veiligste benaming. Ik grinnik terug: “Ja, of gewoon eend. Het beschaafde deux-chevaux mag ook.” Afijn, de man snapt natuurlijk niet waar deze vrolijkheid vandaan komt, maar blijft onverstoorbaar glimlachen.

We komen aan bij de beschilderde eend die, inderdaad, door twee Wassenàerse dàemes betiteld wordt als deux-chevaux. Denk bij de uitspraak ervan aan die hete aardappel. Ik word er melig van.

De tentoonstelling van Fiep Westendorp is natuurlijk een feest der herkenning. De originele tekeningen, met vaak een streep typ-ex en boekomslagen en affiches die met lijm en plakband in elkaar geknutseld zijn, tonen Fieps creativiteit. Ze speelt met perspectief, geen lijn is met de liniaal getrokken, de meeste verhoudingen kloppen niet — en tóch ziet iedereen dat het klopt: de onlogica wordt door onze hersenen logisch gemaakt. We geloven wat we zien.

L en ik zingen flarden van liedjes van Annie M.G. Schmidt: “Ik ben Jip, jij ben Janneke en we spelen bij elkaar” en “Otje, ik ben Otje en mijn vader die heet Tos”. In deze zaaltjes is het niet zo erg als er wat uitbundiger op de tekeningen gereageerd wordt, de meeste bezoekers (gasten?) zijn net zo enthousiast. We zien zelfs een voorloper van E.T: De vliegende wasmand, uit 1959. De film E.T. stamt uit 1982. We hebben er samen schik om.

Dan via de eend naar boven, naar de fotograaf Ed van der Elsken. Dat is totaal andere koek dan de luchtige speelsheid van Fiep. Deze tentoonstelling begint met een film waarin Elsken de hoofdrol vervult als hij op de veemarkt in Purmerend karakteristieke koppen en situaties fotografeert. Onze Zaanse vriendin wordt steeds enthousiaster, het volume gaat omhoog: “hé, die ken ik! O, dat huis staat daar en daar!” Ze gaat steeds platter Zaans praten, ik lach me slap. Uiteraard worden we hier wél tot stilte gemaand. Zo gaat dat. Bloedserieus moet je hier wezen.

Zaal na zaal rijgt zich aanéén, tot een waas in zwart-wit en — uiteindelijk — kleur. We zien allerlei aspecten uit het dagelijks leven en Elskens eigen leven, van eind jaren vijftig tot tachtig vorige eeuw. Een turbulent leven, mogen we wel zeggen. Na zaal zeven ben ik verzadigd, mijn brein en voeten protesteren. Voor een film van Elskens hand over het dagelijks leven in Amsterdam en de laatste dag van de markt op het Waterlooplein plof ik op een bankje neer. Zo. Klaar. Mooi zitten, dom kijken.

Tenslotte plunderen we de bookshops, ik trek zo’n beetje het laatste exemplaar van de Rijksmuseum-uitgave over Fiep Westendorp uit de handen van een medewerker die er nog een paar uit het magazijn heeft opgeduikeld. Ik scoor een magneet, helaas niet van Fiep of Ed maar een ouwe-trouwe Grote golf van Kanagawa van de Japanse kunstenaar Hokusai. En een kaart van Jip en Janneke onder een grote blauwe golf.

Thuis lees ik dat Hukosai’s Golf inspiratie was voor die van Fiep, zij tekende een mini Fuji in het golfje achter Janneke. Dat is toch grappig, dat ik juist díe items gekocht heb? Wist ik veel!

Als we met korte pootjes naar de tramhalte teruglopen, zegt D: “Nog even een foto maken. Eigenlijk moet je midden op het fietspad gaan staan, dan staat er niemand voor je.” Ik doe altijd wat me verteld wordt en posteer me op de middenstreep voor een mooie Rijksmuseumfoto. De meiden ginnegappen achter mijn rug. Blijkt dat D gewoon hardop in zichzelf zat te kletsen, en dat ik dus pontificaal voor haar neus ben gaan staan. Dan maakt ze maar een foto van mijn rug. Ook grappig.

Bij het wachten op de tram verzucht ik uit de grond van mijn moeie tenen: “hèhè, wat benne me uit, hè.” De tram zit barstensvol, er zijn enkel nog staanplaatsen. Goed vasthouden om niet te vallen, want oh, dat evenwicht van mij. Met knikkende knieën rol ik gauw uit het wiebelende gevaarte als we recht voor het station stoppen. Het treinperron is snel gevonden, we hebben nog vijf minuten.

In Koog staat de auto braaf op ons te wachten in de schaduw. Terug op de snelweg halen we herinneringen op aan deze geweldige, gekke, stralende dag. Wat wazze we uit!


*) Voor wie dit niets zegt: het is het liedje dat hoort bij Jip en Janneke’s Takkie is weg. Zie de link.