Sinds de junivakantie hebben we niet meer met de Dyane getoerd omdat toen de DS op ons pad kwam. Hoog tijd dus voor een 2CV Club-rit, één van de laatste van dit seizoen.

We zijn al vroeg onderweg. De zon schijnt. Alle gisteren gevallen regen danst nu in slierten mist tussen de struiken op de heide; een monochroom kleurenpalet in schakeringen zwart en grijs, scherp doorsneden door witte zonnestralen die het laatste paars belichten.

In Malden worden we ontvangen met koffie en vlaai, verder hoeven we niets dan van de zon en de mooie auto’s te genieten. In zo’n verzameling oldtimers vind ik juist de uitzonderingen altijd het leukst. Een blinkende DS, een strak-in-de-lak Renault 4, een groene Méhari. Wijzelf zijn de enige Dyane dit keer. Een antiek aanhangwagentje in de kleur van bijbehorende eend trekt eveneens veel bekijks.

Na het startsein rijden we in eendenmars door Groesbeek, langs Berg en Dal, voorbij Jachtslot Mookerheide. Bij de pont naar Cuijk wachten we al keuvelend op onze beurt, niet wetende dat we bij het verlaten van de pont ons hotel van die avond op 50 meter zullen passeren.

“De papieren routebeschrijving is juist, de Tomtom-navigatie klopt niet overal!” volgens de heren organisatoren. Aldus gewaarschuwd raken we al vrij snel de rest van de club kwijt. Tom zegt heel andere dingen dan het papier. Als ik vervolgens Gijs de verkeerde kant op stuur om te kunnen keren, zijn we het spoor helemaal bijster. Ach, een paar kilometers extra op zo’n tocht maken ook niet meer uit. Een rondje rotonde van de zaak en we zijn het weer eens. Gijs spot een leuk bankje voor de luchtpauze. Half 2, zelfs na die vlaai van vanmorgen hebben we best trek.

Als we onze reis vervolgen rijden we plots achter het R4tje. We stuiteren over zandweggetjes en klinkerpaadjes, we scheuren over dijkjes, langs molens en kanonnen. Zo langzamerhand heb ik geen flauw benul meer waar we zitten. Tenslotte eindigt de route in Schaijk waar we wat nababbelen. Ik zit te tollen op de bank, de hotseklotsritjes ontwend.

We gaan op zoek naar Hotel Taurus in Cuijk. Of ‘Kuuk’ zoals de Cuijkenaren zeggen. En kuuks* wordt het. Ik heb een vaag plattegrondje ontvangen met aanwijzingen naar de eigen parkeerplaats achter het hotelletje, met een code om erin te komen. De versperringspaal is neergelaten, ondanks het rode licht wurmen we ons er maar gewoon tussendoor. We zetten de auto op de rommelige achterplaats waar de fusten bier staan opgeslagen en gaan op zoek naar het hotel. Via een nog vagere achteringang, langs de keuken, door de snackbar heen tot we aan de voorkant uitkomen; ja, op de gevel staat wel degelijk ‘Hotel Taurus’.

We vragen het een afwasser. Hij verdwijnt in de keuken en roept een Keukenmeneer. Ik lach me rot, wat een hilarische toestand. De Keukenmeneer gaat ons voor door een zijdeur naar een halletje, verdwijnt door een ander deurtje en schuift het loketraampje open. De receptie is geopend. De Keukenmeneer is ook de Receptiemonnéér! HAAAA! ** Nu snappen we waar Jochem Myjer zijn inspiratie vandaan had.

Het wordt al maffer. We krijgen een kamer in een noodgebouwtje naast de parking, récht achter het terras van de kroeg waar de barbecue en de frituur al in gereedheid worden gebracht voor de zaterdagse stapavond. Dat wordt nog wat, ze zijn tot 03.00 uur geopend… We hebben oordoppies mee, we gaan het wel zien. De kamer is groot, de badkamer enorm en de bedden zijn prima.

Dwars door de drukke snackbar verlaten we het ‘hotel’. Door het straatje ertegenover, langs die immense Sint Martinuskerk die ik vanmorgen alleen met tegenlicht op de foto kreeg, komen we uit bij de kade. Gijs heeft een pannenkoekrestaurant gevonden op zo’n 2-3 km lopen langs de Maas zodat we een mooi loopje hebben na een dag stilzitten. Bij de Zeven Dwergen zitten we met zicht op de Maasdijk op het terras. Het is zowat oktober, wat een feestje om zo onverwacht buiten te kunnen eten. Stilletjes aan vertrekken de meeste gezinnen tot wij alleen op het terras overblijven. We hebben de tijd. In de scharlaken schemering slenteren we over de dijk naar onze kamer terug.

Ja, het is er rumoerig, met zo’n honderd jongeren die onder de overkapping van de kroeg een verjaardagsfeestje vieren. Met een noodgreep, een stoel onder de deurklink, klemmen we de deur wat dichter in de sponning. Dat scheelt decibellen; slapen doen we toch wel, moe als we zijn.

Zondagmorgenvroeg lopen we naar de Maaskant. Strakblauw stil. Even een momentje ademhalen in de zon langs breed, stromend water.

De kerkklokken galmen ten afscheid, tijd om weer op pad te gaan.


*) “kuuks” is West-Fries voor komisch, vreemd, zonderling, lachwekkend.

**) kijk: de Bonaire-menéér van Jochem Myjer

Na die week aan de Middellandse Zee verkassen we naar een stukje noordelijker. Terug naar Goudargues, La Grenouille (de kikker) wenkt ons. Dag Mediterranée, dag pijnbomen en cigales!

Bij Aire de Ventabren stopt er een zwarte DS Pallas cabrio voor ons. Tot mijn verbazing stappen er Hollanders uit. Ze hebben de auto in Monaco gekocht, rijden er nu mee naar huis om haar in Nederland helemaal te laten nakijken en haar vervolgens terug te brengen naar hun tweede huis in Frankrijk. Een verrassing, zo’n glimmende ontmoeting.

Na een warme rit zijn we blij als we op de camping arriveren. Gelukkig liggen de stoelen in het karretje bovenop zodat we éérst wat kunnen drinken en uitpuffen. In juni stond deze plek vol in de zon, nu komt hij amper boven de bomen uit. ‘s Avonds eten we, comme d’habitude, bij Café de France waar ik direct op twee Cotonnetjes stuit. Vanzelfsprekend gaan die, mèt grijnzende baas en al, op de foto.

In en om Goudargues

Er wat wind, het is droog en helder. Fris. “De Ardèche moeten we natuurlijk ook met een andere auto doen,” zo verwoordt Gijs het idee. Aldus besloten, trekken we er met ons luxe rijtuig op uit. In La Déesse door de Gorges de l’Ardèche. Dat rijmt (bijna). We groeten mijnheer De Bok die met zijn harem en jonkies over de weg struint, op zoek naar restjes groen tussen de verdroogde struiken in de berm. Terug via het brugje in Saint Martin d’Ardèche waarna de DS ook in een (reeds geoogst) wijnveld geduldig poseert.

Er volgen een paar regenachtige dagen, de wolken hangen laag. We staan laat op, doen niets. Ik blog en pruts, Gijs leest. Saaaaai. We maken wat tochtjes, tussen dorpjes, wijnvelden en buien door. ’s Avonds gaan de truien, lange broeken en vesten aan, niet voor de muggen dit keer maar voor de rap kelderende temperatuur. Lachten we vorige week nog om die elektrische dekens en dat kacheltje, nu maken we er dankbaar gebruik van.

Op een droge dag gaan we naar St. Quentin de Poterie en Uzes. Eindelijk kan ik alles kopen wat ik in juni noodgedwongen moest laten staan. Zie belevenissen-in-de-gard.

De laatste dag breekt aan. Nog één keer door het dorp naar boven lopen en langs de wijngaard en de volkstuinen terug naar de camping. Een laatste rondje toeren onder het mom van “vandaag vast tanken dan hoeft dat morgen de eerste uren niet.” Farewell dinner met Hans en Thilde (Gijs’ zus en zwager), ons laatste avondmaal bij ons stamcafé. Zij blijven nog langer, de mazzelaars.

De terugreis

Het is weer voorbij, het zit er weer op. Opbreken gaat snel, om kwart voor 10 rijden we de camping af. Adieu Goudargues, á la prochaine!

Tom stuurt ons de périphérique op, helaas niet dwars door Lyon. Dat rijdt prima, alleen een beetje eentonig. Onverwacht doemt het landmark Signe Infini recht vóór ons op. We zijn terug op de A6. Bij Macon stoppen we voor koffie, broodje en praatje. Bij Langres-Nord schittert het kunstwerk net als op de heenreis in de zon. We zijn op de helft.

Even na zessen bereiken we Metz waar we een vertrouwd hotel geboekt hebben. Lichtelijk zwaaiend op de benen van de deinende rit máár we zijn d’r. We eten in het restaurant en daarna gaan de luiken dicht. Morgen zien we wel verder.

Na een goede nachtrust beginnen we aan de laatste loodjes. Onder Luxemburg langs, wat eigenlijk veel leuker is dan die gewone jakker-de-jakkerroute. In de Ardennen komt de DS makkelijk mee met de rest van het verkeer. Door de cirkel, het landmark bij Wellin/Rochefort. Zo’n reis over snelwegen zit vol met herkenningspunten.

Zodra je Nederland inrijdt, stroopt het verkeer als pindakaas met klonten op. Men is agressiever, laat je er niet tussen bij het invoegen, allemaal korte lontjes met haasthaasthaast. Bij Hazeldonk, waar we in 2020 met de Dyane gestrand waren, doen we nu koffie met een schuimpje uit Goudargues.

Om 4 uur zijn we thuis. Home sweet home. Behalve dan dat… het regent…

Totaal in 17 dagen 3614 km gereden


Natuurlijk gaan we niet stil op ons krent zitten, boekie lezen, nix doen. Hoewel? De eerste dag na aankomst is dat precíes wat we doen. De rest van de week is immers met uitjes vol gepland.

Naar de Decathlon. Logisch.

Aan het eind van de week wordt er regen voorspeld en we zijn zonder jas van huis vertrokken. Dus terwijl de mussen amechtig op de takken zitten te hijgen gaan wij naar de Decathlon in Toulon voor een regenjas. De auto kunnen we koel kwijt in een overdekte parkeergarage, hond in de kar en dan lekker shoppen in de airco.

Terug rijden we een kronkelroute die ons door Toulon en Hyères slingert. Statige herenhuizen, palmbomen, veel stoplichten en drempels waar wíj geen moeite mee hebben. De DS is gemaakt voor Zuid-Franse wegen.

Op de camping verdampen de zweetdruppels van de wolken nog vóór ze de grond raken. De luchtvochtigheid blijft even stoffig als daarvoor. Later op de avond worden het krokodillentranen; het laatste halfuurtje zitten we binnen, als vanouds te luisteren naar het gedrup op het tentdak.

Naar Saint Tropez

De heenweg langs de kust is een feest der herkenning, om er maar eens een cliché tegenaan te gooien. Langs het strand van Le Lavandou, met de blauwe Poste de Secours. De eilanden Porquerolles, Port Cros en Le Levant zijn goed te zien. Door Cavalière naar Rayol, de tuinen slaan we dit keer over. Voorbij Domaine du Dattier en la Maison Blanche en door Cavalaire sur Mer, onze oude thuisbasis. Via la Croix Valmer en de D93 kronkelen we tussen de pijnbomen, kurkeiken en rode rotsgrond naar Ramatuelle om uiteindelijk bij Saint Tropez uit te komen.

Is het toch half september, je zou zeggen dat het seizoen bijna over is. In Saint Tropez niet. Alle parkings geven aan vol te zijn. Evengoed proberen we het op de Parking du Port die het dichtst bij de haven ligt. Na vijf rondjes hebben we anderhalve parkeerplek, precies goed voor onze slee.

We zijn in jaren niet in St Trop geweest. De naam zegt het al. Trop. Teveel. En niet van het goede. De belachelijke slagschepen, de een is al schaamtelozer dan de andere. We worden er altijd licht onpasselijk van.

Een hele rij antieke Bentleys staat voor Bar Sénéquier te kijk. Hordes mensen vergapen zich aan deze pracht en praal, alles moet met iedereen op de foto gezet worden. De vooroorlogse koetsen zijn bijzonder, maar niet speciaal genoeg om in de zon te gaan staan wachten tot ik ‘het mooiste plaatje’ kan schieten. Ik kiek vooral de heel oude boten en vissersbootjes. Oja, een portret van ons portret op de rotsblokken en een ons-selfie voor de vuurtoren mogen uiteraard niet ontbreken.

Op Visite

Na twee jaar gaan we eindelijk op bezoek bij Mireille, de oud-receptioniste van onze vroegere camping. Tegenwoordig woont ze met mijnheer de Vries, haar katoenhondje, in een schattig nieuwbouwhuisje op een compound onder Grimaud. Om 3 uur staan de rosé en de hapjes al koud, Ravi vindt voor we het doorhebben het voerbakje van mijnheer de Vries. Dat is nu dus leeg. We kletsen de afgelopen jaren bij, de honden lopen achter elkaar aan, aftastend hoe ze mekaar eigenlijk vinden.

Op de terugreis nemen we de kustweg, passeren de beroemde parasoldennen bij St Tropez-la Foux. Het zeewater glinstert in de verte. Wat een land…

Naar Bormes-les-Mimosas

We zijn er al vroeg, om 10 uur zitten we er al aan de koffie! Bormes is zo’n plaatsje -alweer- waar we vroeger de fotoshoots van de kinderen namen. Nu is Ravi de klos. Wat er ook verandert, het centrum van Bormes blijft hetzelfde. Een Village Fleuri****, sans fleurs. Zelfs geen oleander bloeit er meer.

Terug op de camping racen grijs-groene hagedisjes voor mijn voeten over het hete zand, een veilig heenkomen zoekend in de schaduw onder de tent.


Het fonkelingenzand op de rotsgrond, bezaaid met dennennaalden en droge kurkeik-blaadjes, dat is ons ‘vroeger’. Zó zag ‘onze’ camping, Cros de Mouton in Cavalaire sur Mer, er in den beginne uit. Terrassen waar geen grote caravans, laat staan mobil-homes op passen. Slecht geplaveide paden steil de hellingen op. Zwembad? Niet nodig, je zit vlak bij het strand. Op camping Du Grand Batailler, waar we nu bivakkeren, staan slechts eenvoudige kampeerbusjes, een enkele vouwwagen of een bescheiden caravan. Voor de rest alleen tentjes, stuk voor stuk nog kleiner dan de onze. Een camping zoals vroeger.

Geen loeiende airco’s, geen schreeuwende televisies van mensen die écht geen dag zonder kunnen. Geen disco, geen kinderanimatie. Dit is zo’n camping van een wijnboer die in de bloeiende jaren ’60 zijn kans om te profiteren van het opkomende toerisme schoon zag. Hij maakte plek voor een paar tenten om wat bij te verdienen aan al die mensen (lees: Hollanders en andere noorderlingen) die zo nodig aan de Côte d’Azur vakantie wilden en konden vieren.

Het is nog goed te zien hoe bijvoorbeeld het sanitair in 1961 is aangelegd. Een blok voor de wc’s, links de dameskant, rechts de herenkant. Indertijd hurk-wc’s welteverstaan. Inmiddels heeft men óver de hurkgaten aan de herenkant een vloertje gemetseld. Wc pot erop, aangesloten op het hurk-wc-gat eronder, netjes betegeld, nieuwe deurtjes ervoor gehangen en klaar voor gebruik, voor zowel dames als heren. Je zit nu dus op een hoge trede, een soort troon. Er is geen wc-papier, dat kan de boer niet lijden. Oude tijden herleven als we ‘met de plee-rol onder de arm’ over de camping sjouwen. En mocht je het je afvragen: inderdaad, de wc’s aan de vroegere dameskant zijn nog van het oude systeem.

De allerkleinste campeurs kunnen zich amuseren met een wipkip en twee schommels. Aan de zijkant van het toiletblok bevinden zich de afwasbakken met enkel koud water. Heet water komt uit een aparte kraan naast de wastobbes.

De twee andere blokken bevatten aan de ene kant een rij douches en aan de andere kant een rij wastafels. Geen privé lavabo’s maar je gezellig samen wassen, met zijn allen op een rijtje. Zoals vroeger, al was het toen waarschijnlijk één lange wasbakgoot met verschillende kranen erboven en één afvoer. De douches zijn eveneens redelijk nieuw en alles wordt spic en span gepoetst. Geen idee hoe het er in het hoogseizoen uitziet. Aan de buitenzijde van het damesblok, hoe stereotiep, zijn de wastobbes geplaatst. In beton gegoten, met een uitsparing waar je blok groene zeep of savon de Marseille precies in past. Gelukkig zijn er elders een paar wasmachines waar je gebruik van kunt maken.

Ik mag dat wel, dat je het ‘vroeger’ terug ziet in het ‘nu’.

Langs de hele kust vind je tal van dit soort terreinen waarvan helaas het gros is gedegenereerd tot een huttendorp, een vakantiepretpark. Kamperen met de tent? Dat is hier ècht passé. Ook onze oude camping is nu een soort bungalowpark. Er zijn zelfs huisjes met privézwembad of jacuzzi, terwijl het er in 1987 ongeveer zo uitzag als waar we nu staan. De eerste eigenaren, die Cros de Mouton 50 jaar geleden op een nutteloze berg hebben opgebouwd en bij wie het om de ménsen ging en niet zozeer om het grote geld, die generatie van M. André is nu allemaal overleden. Hier gaan we nooit meer heen. Ik hou mijn herinneringen liever intact zonder ze te laten verpesten door die hutten met privézwembad en loeiende airco’s. Als we naar Centerparcs/Landal willen, hoeven we niet dat hele end te rijden. Nee, geef ons maar zo’n simpel kampeerterreintje. Veel leuker.

PS: Ravi heeft het ook bar naar zijn zin. Minimaal 1x per dag borstelen om alle grasaren en dennennaalden uit zijn vacht te krijgen, hij vindt alles best. Als hij ’s morgens maar uit zijn bench mag om nog eventjes op ons bed te spelen.


Even zwaaien naar de buurvrouw en daar gaan we. De straat uit, zwieren over de rotonde en hop, daar draaien we de snelweg op. “Goeie reis schat.” “Ja, goeie reis!”
Wat zullen we vandaag op ons pad allemaal tegenkomen? 

“De mist zal wel snel optrekken, de zon brandt erdoorheen!” is mijn eerste gedachte. Niets blijkt minder waar. We nemen, noodgedwongen door wegwerkzaamheden en afsluitingen bij Antwerpen, een andere route dan normaal. Tomtom (voortaan Tom genaamd) stuurt ons over Eindhoven-Maastricht-Luik, de weg die ik gezwóren had nooit meer te nemen. Ik leg me erbij neer en neem me voor van nieuwe uitzichten te genieten. De eerste uren echter kom ik bedrogen uit. Van de hele omgeving is niets te zien door de mist. Alleen de contouren van bomen in diverse schakeringen grijs zorgen voor wat diepte in het schouwspel.

Wat een genot, deze auto. Alsof ik in mijn luie stoel zit, ik zou me bijna gaan vervelen. Hoe hard de weg ook hobbelt, mijn handschrift blijft goed leesbaar. We zouden al rijdend rustig koffie kunnen drinken. In plaats daarvan doen we een bakkie bij “Knuvelkes”. Hierna passeren we direct de Belgische grens, komen dan een stukje langs de brede Maas. Van het Belgische wegdek is niets te merken, we schommelen er bedaard overheen.

Luik. Ach ja. Ik begrijp geen biet van de spaghettiwegen dwars door de stad. Stoplichten. Tunneltjes. Belgische bewegwijzering. Het is nogal claustrofobisch. Blij als we eruit zijn en weer normaal gas kunnen geven. De ramen staan inmiddels open, het begint warm te worden.

Op de eerste parkeerplaats in Frankrijk staan Hans en Thilde, al dan niet toevallig. In hun koele caravan eten en drinken we snel iets. Nergens schaduw, het zwarte asfalt brandt onder de voetzolen dus rap ervandoor!

15.42 Thionville.

16.20 Nancy. Zonder regen!

Het tolpiepertje doet het. Op een aire op de péage, nu wel met volop schaduw, komen we helemaal bij. Schoon sanitair en koel water om handen en gezicht te wassen. Verrukkelijk. Nog een paar uur doordouwen tot een uur of 8. De zon zakt gestaag, het asfalt koelt echter maar langzaam af.

18.32 Le Soleil de Langres. Zonder regen!

19.30 Nuits St. Georges. Waar de wijnranken door de muren barsten.

Om 8 uur zijn we zoals voorspeld bij het hotel in Chalon sur Saône. We krijgen een, zelfs voor Ibis-begrippen, piepklein kamertje. De airco doet het, het bed ligt prima, we klagen niet. We zijn half doof geblazen doordat de hele weg de ramen en blazers tegen elkaar open gestaan hebben. Het zal je niet verbazen dat het licht vroeg uit gaat.

Zondag staan we kalm an op, douchen, ontbijten en we zijn klaar voor vertrek. “Goeie reis verder hè.” “Ja, goeie reis.”

Langs Aire de Jugy, “de paddenstoelen” favoriete stop bij de kinderen vroeger. We zijn net pas op pad, wij rijden door. Dwars door Lyon, komen we eerst langs Signe Infini. Voor de tunnels door Lyon een pietsie file, dan langs Musée des Confluences, waarna we langs de blauwe Rhône lekker door kunnen kachelen. We zien de Mont Sainte Victoire (de berg van Cézanne en van Gogh) helder wit tegen de blauwe lucht afsteken. Het zijn allemaal punten van herkenning voor ons.

We zien veel Franse bouwvak-nomaden: schilders en metselaars die met hun busjes als een slak hun hagelnieuwe caravanhuizen met zich meetrekken, op pad naar de volgende klus.

Als we een end op streek zijn, licht vlak voor een afslag ineens het radiatorlampje rood op. Ik dirigeer Gijs snel de snelweg af. Het lampje floept direct uit. Gijs weet zéker dat er in zo’n dorpje, met de gezellige naam La Bouilladisse, een schaduwrijk dorpspleintje is. Hij krijgt gelijk. Onder de platanen midden in het plaatsje koelen we mooi af. De auto ook.

Buiten het dorp draaien we opnieuw de péage op voor het laatste stukje. Volgden we voorgaande decennia de A8 richting Nice, nu slaan we af naar Toulon, waar bij Cassis onmiddellijk de zee ons tegemoet glinstert. Een lange kronkeltunnel leidt ons onder de stad door naar Hyères. Hyères, en nu weten we weer waarom we déze route nooit namen, is één lange opeenstapeling van stoplichten. Een brede boulevard voert ons langs de kustlijn naar Bormes-les-Mimosas.

Tegen 5en arriveren we op de camping, Le Grand Batailler in La Favière. We mogen een plek uitzoeken, zodat we een uurtje later een heel terras van drie plekken voor onszelf ingericht hebben. Uitzicht op dennen en wijnvelden in het avondrood. Het leven is goed.


Vanmorgen nog was het dubben. Wat trek ik aan? Welke schoenen passen erbij, welke lopen het beste? Nu zitten we, moe maar voldaan zoals dat heet, aan een ijsje op de Gewelfde Stenenbrug. Want na “Klim naar de hemel” in 2018 en “Klim naar het Licht” in 2019 was het vandaag de beurt aan “Klim naar het Grote Raam” voor een memorabel vriendinnen-dagje-uit.

Het begint allemaal bij de Grote kerk in Alkmaar waar een gezellige dame in het tickethokje ons de te volgen route wijst (“Volg de paarse pijlen naar boven en dan terug de gele pijlen naar beneden volgen. Jullie hebben geluk, ze zijn met het raam bezig dus je kunt al heel wat van het nieuwe glas-in-lood bewonderen!”) wat de ticketcontroleur vijf meter verderop dunnetjes overdoet. “Weten jullie dat ze nu aan het venster aan het werk zijn?” Ja, dat weten we. We lachen er met zijn allen om, het gras is al voor zijn voeten weggemaaid, zo heeft-ie niets meer te doen.

Onderaan de eerste trap sluit een jongeman zich aarzelend bij ons aan. Hij bekent hoogtevrees te hebben. Vorige keer heeft hij het bezoek aan de Klim uitgesteld tot het te laat was, ditmaal kocht hij direct zonder nadenken een kaartje. Al na de eerste twee trappen houdt hij zich krampachtig aan elke volgende staander vast, maar zet met een grimas op zijn gezicht dapper door.

Tree voor tree, stap voor stap, foto voor foto. Informatieborden loodsen ons – bij gebrek aan tourguide èn ter afleiding – door de geschiedenis van de kerk en het Grote Raam. Halverwege stuiten we plots op een paar blote enkels in werkschoenen aan de andere kant van het veiligheidsglas waar een aantal mensen doende is één van de 214 mozaïekpanelen te plaatsen. Een gek gezicht, die benen.

Het complete kunstwerk verbeeldt, vrij geciteerd: “De kleuren van de opkomende zon over het landschap met bovenin de blauwe lucht” als symboliek voor “Licht van de Vrijheid.” Toch is een blauw vlak niet enkel zoveel tinten blauw, nee, er zitten rode en gele stukjes door, in de volgende ruit misschien wat meer groen. Stuk voor stuk achtvoudige mandala’s. Van zo dichtbij is het caleidoscoopeffect, de inspiratiebron van de ontwerper, goed te zien. Een verzameling edelsteenkleurige stukjes glas sprankelend in het zonlicht. Ik word er spontaan blij van.

Tree voor tree, stap voor stap, foto voor foto gaat de tocht verder. De panorama’s strekken zich voor ons uit. Ten langen leste kijken we, wankel in de wind op 40 meter boven de grond, op het carillon dat heel vriendelijk een melodietje voor ons speelt.

De afdaling gaat in aanmerkelijk vlotter tempo. Tree voor tree, dat wel, weinig stappen, geen foto’s. Omwenteling na omwenteling. De jongeman rent haast naar beneden. Daar teruggekeerd, nemen we afscheid van hem. Ja, we zijn trots op ‘em, hij heeft het tot boven aan toe gered, tot zijn eigen verbazing.

Met moeie voeten struinen we nog wat door de kerk. Ik zie al voor me hoe het nieuwe kunstwerk naadloos in het eeuwenoude gebouw lijkt te gaan passen. Gefascineerd door het lichtspel van de gekleurde ramen zoek ik de juiste hoek zodat ik die kroonluchter net níet op de foto krijg maar precies wél de weerschijn van het glas-in-lood op de stenen omlijsting. Het levert mooie plaatjes op al zeg ik het zelf.

Als we onze ogen genoeg de kost gegeven hebben, is ook de innerlijke mens aan versterking toe. En zo zitten we dan, bij IJssalon de Mient met een royaal ijsje op tafel, domweg bootjes en mensen te kijken. Onze blote voeten mogen bijkomen op de koude klinkers.

PS: Omdat ik alle details niet in mijn verhaaltje van minder dan 600 woorden kwijt kan, volgen hieronder wat websitelinks waarop meer informatie te vinden is.

De site waarop veel details over het raam te vinden zijn en je een indruk krijgt van het grote geheel: https://hetgroteraam.nl/.
Lees hier meer over het ontwerp van het venster: https://hetgroteraam.nl/het-ontwerp/ en de uitvoering: https://hetgroteraam.nl/nieuws/making-off-goed-op-schema/.
Mocht je de kerk en zijn geschiedenis interessant vinden, kijk dan op: https://grotekerk-alkmaar.nl/historie/


Zei ik in het vorige verhaal niet dat de vervanging van het stuurhuis kon blijven liggen tot na de vakantie? Koud twee weken verder zit het ding er met één weekendje doorpakken in de DS. Vraag niet hoe het kan, Gijs flikt ‘t.

Er is moeilijk aan te komen, origineel al helemaal niet. Gereviseerde stuurhuizen worden mondjesmaat aangeboden, het is een ingewikkelde klus om zo’n ding zo goed als nieuw te maken. Citrotech, het bedrijf dat dit soort revisies doet, waarschuwt dat de wachtlijst tot zo’n twee jaar oploopt. Zodra er tien klaar zijn, gaan er acht naar de wachtenden en twee komen er op de website. “Goed de website in de gaten houden meneer!” is het advies. Aldus geschiedde. Een dag of wat later staan de apparaten op de website en weer een dag later hebben wij er al eentje in huis. Zo gaan die dingen bij ons.

Ik vind het nogal wat, zo’n letterlijk cruciaal component “eventjes” vervangen, maar Gijs heeft diverse filmpjes bekeken en erover gelezen, het lijkt hem wel te doen. Met zijn tweeën slepen we die zaterdag voorzichtig het oude, bijzonder vieze, stuurhuis uit de auto. Met handschoenen aan, werkelijk elk onderdeel dat je eruit haalt druípt van het vet en de viezigheid. Nu kan Gijs overal goed bij om ook andere elementen na te lopen. Hier wat aandraaien, daar iets smeren en ergens anders juist het vet vanaf boenen.

Zondag staat de immer hulpvaardige buurman paraat om te helpen het nieuwe stuurhuis te plaatsen. Als alles goed vastzit, wordt de auto iets opgekrikt om op die manier de eventuele speling in het stuur te controleren. Het scheelt zowat een kwartslag draaien, zoveel speling zat er in het oude systeem. Het hydraulische olie lek is hiermee direct verholpen, voortaan blijft het droog op de garagevloer.

’s Middags staat de DS triomfantelijk te glanzen op de oprit. Gijs komt me halen.
“Ga je mee voor een proefritje?”
Ik weet niet wat ik hoor. “Zit-ie nú al in elkaar?”
“Ja, natuurlijk” zegt Gijs.
Zo vanzelfsprekend vind ik dat niet! Zou ik na al die jaren wel gewend moeten zijn aan Gijs’ gouden handjes, toch ik laat me telkens weer verbazen.

Hond op de achterbank en zo rijden we die mooie zondagmiddag een rondje Wieringen en Amstelmeer. Slierend over de rotondes, dweilend door de wegversmallingen. Zonder maar één slag teveel aan het stuur te hoeven draaien, Gijs zit op slag een stuk zekerder op zijn stoel.

Het oude stuurhuis wordt geretourneerd aan Citrotech zodat ze hem voor de volgende liefhebber kunnen reviseren. Ondertussen zijn er meer “projectjes” van het lijstje aangepakt:
De nieuwe ventilatiebuizen zijn geplaatst, de oude verfrommelde liggen naast het huis te wachten op het grof vuil.
De boutjes van kraan van de kachelradiator breken af als Gijs hem eruit pakt. De boutjes worden uitgeboord en er wordt een nieuwe draad in getapt. Het verouderde plastic van de kachelbehuizing brokkelt en wordt met diverse soorten lijm en metalen stripjes uiteindelijk tot een geheel geboetseerd. De kachelradiator wordt goed schoongemaakt, ontvet, van vers isolatie-foam voorzien en de kraan aangepast zodat hij weer dicht kan. Nu blaast er geen warme lucht meer naar binnen als het buiten 30 graden is.
Een fris slangetje voor de radiator-overloop zorgt ervoor dat het niet meer lekt op de remmen.
De olievuldop is van een betere afdichting voorzien dus dat spettert niet meer los rond onder de motorkap.
De achterlichten, besteld in Duitsland en de volgende dag thuisbezorgd, zijn netjes gemonteerd.
De ramen vallen al iets beter in de kozijnrubbers, bijna goed.
Ik doe ook wat: de bekleding poetsen en in het zadelvet zetten. Da’s hard boenen kan ik je vertellen.

Het zijn nu (volgens mij) vooral nog de kleinere dingetjes die nog moeten gebeuren. En zoals dat gaat met kleine dingen: het zijn net de plinten van je parketvloer. Dat kan even duren…


PS: Denk nou niet bij het lezen van deze verhalen “wat een barrel hebben jullie gekocht” want dat is ze zeker niet! We zijn superblij met ‘r. Gijs geniet van de uitdagingen en ik van het meerijden, telkens een beetje meer ónze voiture!

Categorieën: ThuisTags:

Tsja, en dan staat er zo’n ‘snoek’ op je oprit dan moet er ook mee gereden worden. Dat is een heel andere ervaring dan rijden met de ‘eend’. In eerste instantie zijn we vooral aan het vergelijken: de Dyane was gelijk vertrouwd, ons troetelbeessie, ons ezeltje. De DS is nog niet zo eigen, zij is nog wat afstandelijk. Flower power versus nouveau riche. De Dyane heeft humor, La Grande Dame is wat serieuzer. Toch zullen we haar vertrouwen winnen. Ze zal in de watten gelegd, vertroeteld en verwend worden zodat ze straks in een goed genoeg humeur is om met ons op reis te willen gaan. 

Tijdens de eerste ritten stellen we een lijstje op. Mankementen en aanpassingen worden geïnventariseerd en Gijs verdiept zich al snel in allerlei technische websites. Direct de volgende week rijden we naar het clubhuis/magazijn van de ID/DS Club. Hier kopen we de benodigde handboeken en het instructieboekje van de DS uit 1974. Niet origineel natuurlijk, die zijn bijna niet meer te krijgen.

Met de technische mannen kijken we onder de motorklep, naar de stuurinrichting en hydraulische slangetjes. Die dop is zo vast te zetten, daar kan beter een nieuw slangetje op en oja, er zal een nieuw stuurhuis geïnstalleerd moeten worden. Daar is moeilijk aan te komen, dat kon weleens een lange zoektocht worden.

Dan kan er geknutseld worden. Op de brug in de hal van de buurman wordt de onderkant van de auto van het meeste vet en vuil ontdaan. ‘Banden Dennis’ lijnt de wielen uit, dat was hard nodig aan de scheef afgesleten banden te zien. Het scheelt al iets met de stuurspeling, de rest moet echt met dat nieuwe stuurhuis verholpen worden.

De verwarming blijft maar warme lucht inblazen. Met deze warmere dagen niet heel prettig. Aan het verwarmings- en ventilatiesysteem zal van alles vernieuwd moeten worden, de buizen en koppelingen zijn reeds besteld.

Mijn raam blijft suizen, op de snelweg een hoge fluittoon regelrecht in mijn oor. Doordat het rubber niet goed aansluit, kan het raam niet helemaal omhoog gedraaid worden. Dat is eenvoudig te verhelpen door de sponning een beetje uit te deuken waardoor het rubber weer goed in zijn plek past en het raam helemaal dicht kan.

Het linker remlicht valt uit. Ooit provisorisch met een koperdraadje vastgezet dat is gaan oxideren, Gijs repareert het even zo provisorisch. Komt er vervolgens bij nadere inspectie achter dat het rechter achterlicht zo recht hangt ten opzichte van de andere omdat het een línker achterlicht is. Er wordt een nieuwe set achterlichten besteld. Nu in één keer gewoon beide goed repareren, in het kader van veiligheid wel zo verstandig als je over een paar weken naar Zuid-Frankrijk hoopt te vertrekken.

Ik mag ook wat doen: de lederen bekleding poetsen. Een groot blik zadelvet en zachte doeken liggen er klaar voor. Het dak kan eveneens een schoonmaakbeurt gebruiken. Goed nieuws: als de auto in rust op de grond ligt, kan ik er bij! Bij de Captur heb ik een opstapje nodig. Inmiddels hebben we de eigen garagebox tot onze beschikking, ik kan poetsen wanneer ik een uurtje de tijd heb.

Dingetjes als nieuwe ruitenwisserbladen, een alarmpiepertje voor de verlichting, de druk-klikkertjes van de deurbekleding vastzetten zijn relatief kleine pinda’s. Peanuts voor Gijs. Er moet een houdertje gefabriekt worden om de Tomtom op een handige plek vast te zetten. De reserveband moet opgepompt worden. Allemaal niet te ingewikkeld. Dat stuurhuis laten we even voor wat het is, Gijs is inmiddels aardig gewend aan het bijzondere sturen en het kan geen kwaad. Het is een té rigoureuze ingreep om voor de vakantie, met alle risico’s van dien, te fiksen.

En weet je wat nou het gekke is? Door over al deze dingen te schrijven wordt ze me steeds meer eigen. Zoals Gijs met haar vertrouwd raakt door het klussen.


Categorieën: ThuisTags:

Wat nou weer? Vanmorgen kreeg ik niets te eten, ik moest heel kort aan de riem lopen en alleen maar mijn dingen doen en dan gauw weer naar binnen. Terwijl het niet regent. Terwijl het overal zo lekker naar kattenpoep ruikt en er zoveel te snaaien valt in de struiken. Ik mag ook niks.

Nu zit ik dan in die auto waar ik een hekel aan heb. Niet in dat ronkende koekblik helaas, die rijdt wel lekker. Gelukkig maar tien minuutjes, dat hou ik wel vol. Als ik eruit spring word ik subiet aan een kort lijntje mee naar binnen getroond. Daar is het een chaos, iets met computers die niet doen wat ze willen. Zijn net honden, die computers. Alleen blaffen ze meestal niet. Ik wel, en hard ook. Ze zullen weten dat ik er ben.

Mooi, ik ben niet zwaarder geworden dus kom maar door met die snoepjes. Niet? Nee, ik word hoppetee op tafel getild. Flauwekul. Ja, ze hangen er nog wel degelijk, blijf af mens! Dat zijn míjn balletjes! Dan wordt mijn voorpoot stijf vastgehouden en duwen ze er een flinke naald in. In mijn poot dus. Ik geef geen krimp, dat gun ik ze niet. Ik pak ze later wel terug. Eerst lekker maffen.

Als ik wakker word schrijnt en prikt mijn achteronderkant en om mijn kop zit een ondoorzichtig plastic gevaarte. Ho! Wa’s dat? Knal! Boem! Ja jongens, zo kan ik toch niet lopen? Bots! Dat was de drempel. Ze lachen, zo niet eerlijk! Help me liever even! Moet ik plassen van ze, ja dag, mooi niet dus hè. Dat zie ik misschien thuis wel weer. Als ik zin heb.

Thuis blijf ik stokstijf in de kamer zitten, naar de kast staren. Ik verzet geen poot. Ik kijk met mijn neus namelijk. Ik lees alle brieven die door andere honden in het gras zijn achtergelaten. Mijn neus vertelt me waar ik mijn voeten kan neerzetten. Ik duik eerst met mijn snuit in de bosjes of ik ergens veilig kan zitten of mijn poot op kan tillen. Als ik dat nu doe, heb ik pats! allemaal takken in mijn gezicht. Dan doe ik dus maar helemaal niks. Ze voeren me maar met de hand en laten me maar uit de fles drinken, laten zíj alle moeite maar moeten doen, ik doe niks. Kom op zeg, ik schrik me telkens een hartverknettering als ik weer ergens tegenaan loop. Laat mij even lekker zielig zitten wezen ja.

Nee, ik wil niet drinken. Nee, ik wil niet plassen. Nee, ik wil niet poepen. Ik wil helemaal niks. Eten, ja dat kan er altijd wel in maar ik kan niet bij mijn bak. Lekker liggen lukt al helemaal niet met dat ding om mijn hoofd. Wat ben ik ongelooflijk zielig. De hele dag ben ik aan het hijgen, piepen en jammeren, ze wordt er radeloos van. Hoe krijg je je mens gek. Doe zielig. Zo pathetisch mogelijk, zo dramatisch als je kunt.

Zo modderen we een paar dagen door. Het went niet. Kan niet langs de bank schurken. Kan niet op de bank springen. Ik mag niet knauwen, krabbelen of likken. Met mijn kont over de grond schuren kan ik proberen, maar dat hebben ze snel genoeg door dus lukt ook niet. Zodra ze de kap even afnemen om te kunnen borstelen duik ik op slag met mijn snuit tussen mijn achterbenen. Hou me maar eens tegen. Ze moeten me echt in de houdgreep houden wil ik opgeven.

Toch weet ik op een avond dat ze weg zijn op de bank te springen, met lampenkap en al. Vraag me niet hoe. Ze begrijpen nu wel hoe erg ik mijn bank mis. Na een paar dagen laten ze het rotding overdag af, zodat ik eindelijk lekker kan liggen. Ik slaap de hele dag door, ’s nachts lukt me dat niet met dat plastic geval om.

“Het duurt nog maar een paar dagen” proberen ze me gerust te stellen. Heb je enig idee hoe lang dat duurt, ‘een paar dagen’ met oogkleppen op? Wacht maar jongens, wacht maar tot die kap definitief van mijn hoofd is en de kriebel en jeuk is verdwenen. Ik zal je krijgen! Mijn wraak zal zoet en ijskoud geserveerd worden.


Kleine droom, grote droom. Dromen. Eén marktplaatsberichtje, één telefoontje en 200 kilometer verder waren we de trotse eigenaars van ons blauwe ezeltje waar we inmiddels zoveel avonturen mee hebben beleefd. Een kleine droom.

We hadden ook een gróte droom: een Citroën DS, een Snoek. Dit jaar pas gingen we er serieus naar op zoek. Voorzichtig hield Gijs marktplaats in de gaten er ergens één te koop kwam die binnen ons budget paste.

Zaterdag na de vakantie: “Hé, kijk deze eens?”
“Ja mooi, stuur maar een berichtje!”
“Dinsdagavond gaan kijken?”
“Prima.”
Maandag: “We kunnen vanavond al langskomen. Doen?”
“Ja, natuurlijk!”

Afijn, 200 kilometer verder… het bekende verhaal. We maken kennis met een aardig stel mensen die met pijn in het hart de auto verkopen. Wij begrijpen die pijn volkomen als we de, in het late zonlicht goudkleurig oplichtende, limousine zien.

Voor mij is het snel duidelijk. Gijs maakt met de eigenaar een proefritje en is ook verkocht. Ik hak de knoop door.
“Vind je haar mooi?”
“Ja.”
“Wil je haar hebben?”
“Ja.”
“Nou, dan doen we het toch!”
Tegenover ons kijken de eigenaren geamuseerd naar het tikke-takke-torretje-gesprek.
“Jullie wilden toch niet direct beslissen?”
Tsja, bij ons gaan die dingen altijd nou eenmaal een beetje anders dan te doen gebruikelijk.

Al pratend vliegt de tijd voorbij zodat we pas ’s avonds laat de terugreis aanvaarden. Opgetogen en plannen makend rijden we de lange weg terug. Afsluitdijk in het donker? Geen goed idee. We zijn blij als we heelhuids bij Den Oever aan land komen.

Vijf dagen later, het is een bloedmooie vrijdag, keren we terug. Even hartelijk als maandag worden we ontvangen. Allerlei extra onderdelen zijn verzameld, er is warempel een reserve-reservewiel dat eveneens in de Captur geladen wordt. Zelfs het bordje ‘Citroën Parking only’ is van de schutting geschroefd. We zullen er een mooi plaatsje voor vinden. Het op naam overschrijven is binnen een kwartier gepiept. Zomaar ineens zijn we de gelukkige eigenaren van een Snoek! Hoe onwerkelijk klinkt dat. We kunnen het eigenlijk niet goed bevatten. Bewogen nemen we afscheid met de belofte contact te zullen houden.

Op de terugweg, gelukkig net na de spits, rijd ik al die lange kilometers achter het deinende achterwerk van ‘la Déesse’, de godin. Thuis proosten we, moe en gelukkig, op onze nieuwe aanwinst. We kunnen het nog amper geloven maar blij zijn we zeker.

De volgende dag maken we een lange rondrit door Noord-Holland. Noordwaarts over Wieringen naar Den Helder, Julianadorp aan Zee, zuidwaarts naar Callantsoog, Camperduin, Groet, Schoorl, Bergen en via Warmenhuizen, Oudkarspel, Niedorp weer naar boven. De zon schittert uitbundig, de wind loeit van zomerplezier. Langs de kust komen we hele hordes motoren tegen, fietsers die met strandmatten en zwembandjes achterop tegen de wind in boksen en wij snorren daar als rijke stinkerds pronkend tussendoor. Het voelt domweg surreëel. Wiegend en zwierend, groots en meeslepend en allengs steeds meer onbekommerd genietend van deze ongekende ervaring. Een compleet andere beleving dan het open-dak-toeren met ons Dyaantje. Nieuwe avonturen wachten ons!


Categorieën: ThuisTags: