Zo’n beetje de laatste mooie dag van deze nazomer. Welgemoed vertrek ik met mijn vriendin naar Alkmaar om het avontuur te zoeken. We gaan Klimmen naar de Hemel.

Met dit prachtige weer is het gek genoeg niet druk bij de Grote -of Sint-Laurens- Kerk, we kunnen direct naar boven. Onderaan de steigertrappen, kijkend langs de hele kerk omhoog  en nog hoger, en daarna een lange ’brug’ over het dak naar de klokkentoren… Wáár beginnen we aan, wij tweeën met allebei enige hoogtevrees?

Elke reis, elke beklimming begint met de eerste stap. Steeds maar tegen de klok in draaien tot je er duizelig van wordt. Onderweg niet stilstaan, tijdens het lopen stug naar de trap kijken en je niet door de uitzichten laten verleiden. Zo beklimmen we het eerste deel tot het platform halverwege, op ongeveer 20 meter hoogte. Wat voorzichtig en giebelig nog, maar gaandeweg steeds zekerder, bewegen we ons over de rondgang.

Hier is een deur, een ingang naar binnen waar je op een stellage recht onder de koepel met de plafondschildering van het Laatste Oordeel uit 1518 door  Jacob Cornelisz van Oostsanen terecht komt. Negen gewelf-vakken, bijna 100 vierkante meter groot. Het verbeeldt de bijna lichtgevende Jezus, oordeel vellend over alle gestorvenen. Aartsengel Michaël onder hem stuurt de ‘goeien’ naar de hemel met de engelen naar het licht, en de ‘slechten’ naar de duivels in de krankzinnige helse onderwereld.  Eén en al symboliek dat zich als een stripverhaal laat lezen.

Wat immens is dit. Hoe hoog ‘hang’ je in de kerk. Met een beetje verbeelding kun je de houten beschilderde dakspanten van de hoge zoldering haast aanraken. De vloertegels en graftombes glanzen ver onder je. De gekleurde gotische glas-in-lood ramen waar het licht van de lage nazomerzon doorheen valt, de lange zuilen en de steunberen lijken je te omarmen. Je ziet de vroegere kroonluchters voor je, het zuinige licht dat die kaarsen verspreidden. Je ruikt bijna de vettige walm van de waskaarsen.

Net als bij de tempels van Angkor Wat bekruipt me hier het gevoel, de vraag ‘hoe dan?’. Hoe hadden ze 500 jaar geleden de kennis en de technieken om dit te bouwen? Wat bezielde de mensen toentertijd, hoe leefden ze, hoe maakten ze gebruik van deze -van oorsprong katholieke, later protestantse- kerk en wat ging er aan die omwenteling vooraf? Was het slechts een religieuze plek of werd er ook gehandeld? Een onwetend gevoel.

We sluiten aan bij de rij die naar het bovenste deel, de brug naar de klokkentoren, voert. Onderwijl valt er genoeg te zien. De trap is smal, en door vastberaden de ene voet na de andere op de treden te zetten komen we uiteindelijk boven, letterlijk hoog boven de stad uittorenend. Om het wondere gevoel nog magischer te maken speelt eerst het carillon, waarna de klokken in de weidse stilte statig twaalf keer slaan.

We wijzen elkaar in de najaarszon de herkenningspunten aan: het Ringersgebouw, het Hooghe Huys, het Stadhuis, het torentje van het Murmellius Gymnasium en de Watertoren, de Waagtoren, de Molen van Piet, de windmolens van Heerhugowaard, de windmolens langs de weg naar Schagen. De duinen langs de kust. We komen ogen tekort.

Er is zoveel te zien op deze hoogte, het uitzicht op zo’n 40 meter boven straatniveau is ongelooflijk.  De mensjes die op de stoeltjes aan de tafeltjes op de terrasjes van hun kleine kopjes koffie zitten te genieten, lijken wel mieren. De zon maakt er een blije voorstelling van.

In de zon onder de blauwe hemel zweef ik in hoger sferen… Ik wil niet meer naar beneden, naar de voeten op de grond in de klei, naar de waan van de dag. Laat mij maar lekker hierboven, verheven boven alle zorgen voor morgen en het prozaïsche leven.

20181005_123720