Op de radio hoor ik reclames over een tentoonstelling in het keramiekmuseum Princessehof in Leeuwarden. Het is vakantie, eindelijk tijd voor een vriendinnenuitje. Op een sombere 1 novemberdag gaan we gezelligheid opzoeken, óp naar China.

De auto droppen we in de Oldehove-garage en als we daaruit tevoorschijn komen staan we recht voor die Oldehove. De malle scheve toren zonder kerk of logica staat al sinds 1533 op het plein in de stad. Hij is te bezoeken, tussen april en oktober kun je hem zelfs beklimmen. Dat idee onthouden we voor een andere keer.

Het plein overstekend lopen we naar Museum de Princessehof, een allegaartje van aan elkaar geplakte 16e-, 17e-, 18e- en 19e eeuwse panden. Door het museumwinkeltje komen we in de ruime ontvangstruimte, de tickets en museumkaarten worden gescand, jassen en tassen in de kluisjes en daar gaan we.

Wu Zetian is de enige vrouwelijke keizer die China ooit gehad heeft. Precies 1400 jaar geleden werd ze geboren, kwam als jong meisje als concubine naar het keizerlijke hof en werkt zich op tot keizerin. Ik ga geen wetenschappelijk, historisch verhaal ophangen, de kans op onjuistheden zou te groot zijn. Daarvoor kun je beter (de site van) het museum bezoeken.

Ze stichtte haar eigen Wu Zhou dynastie, die de Tang dynastie met 15 jaar doorbreekt. Als ze is afgezet gaat het Tang-keizerrijk weer op oude voet verder. Bij elke zaal staan teksten die dagboekfragmenten lijken. Wu Zetian is erg overtuigd van zichzelf: “Ik heb ervoor gezorgd dat…”; “Ik wilde zus en ik regelde zo.” Ze zou het grondgebied vergroot hebben, meer welvaart en voorspoed gebracht hebben. Tsja, en of dat allemaal op een nette manier ging, kun je je afvragen. Al was dat vast niet anders dan wanneer ze een man geweest zou zijn.

Er is maar zo weinig, er zijn niet meer dan enkele scherven van haar leven bewaard gebleven. Je kunt je afvragen in hoeverre dit allemaal letterlijk waargebeurd is. Dat weet niemand, dat kun je slechts onderzoeken aan de hand van de talrijke andere “scherven” van rond die tijd. Wij bekijken dit alles nu met onze 21e-eeuwse ogen. Zeggen oh en ah en tjee!  Maar hoe het tóen, in díe tijd, werkelijk was, hoe men leefde, voelde, dacht, daar kunnen we alleen naar gissen. Wij dragen altijd onze hedendaagse en Hollandse oogkleppen.

De tentoongestelde objecten zijn overigens allesbehalve scherven. Het is werkelijk bijzonder, zo goed als de beelden en gebruiksvoorwerpen bewaard zijn gebleven. Theeserviezen en eetstokjes, stoeptegels met reliëf tegen de gladheid en dakpannen, haarspelden en bronzen spiegeltjes. Er is van alles het mooiste bijeen vergaard. De schilderingen geven een beeld van het Chinese leven, de handelingen van zijdebewerking, de jacht, een klooster. Wat een andere tijd, wat een andere cultuur. Ik maak weinig foto’s, we hebben het te druk met kijken, verwonderen en filosoferen.

Na Wu Zetian volgt de expositie Van Oost naar West met diverse keramiek, vazen, serviezen en beeldjes uit de hele wereld. Mijn moeders Ravelli-vaasje staat er ook bij. Daarna zit ons hoofd vol en wordt het tijd voor koffie en een tosti. We lopen een winkelstraatje door tot we bij een Grand Café uitkomen. Half 2 en het zit stampvol. De koffie, thee en tosti zijn echter warm en we zijn nog lang niet uitgepraat.

Terug in het museum hebben we nog net tijd om de kleine expositie over M. C. Escher te zien, we staan in zijn geboortehuis. Eventjes iets totaal anders dan die Chinese cultuur. In één van de keldergewelven heeft straatkunstenaar Leon Keer een schildering á la Escher gemaakt, vol met gezichtsbedrog, omgekeerde trappen en salamanders. Of zijn het krokodillen, dat kan ook. Heel apart.

We struinen vijf minuten in het winkeltje. Nee, aan merchandise is niet gedacht, er zijn geen koelkastmagneten, geen koperen miniatuurdraakjes en zelfs geen ansichtkaarten over deze tentoonstelling. Ik neem enkel een magneet mee van Escher. Met enige pijn, moeite en de slappe lach vinden we de auto terug in het doolhof van de Oldehove garage. De terugreis gaat daarentegen vlot en we zijn nog steeds niet uitgebabbeld. Op de dijk miezert het.


…zien we brede rivieren etc.

“Niet zoveel mee” is best wel veel. Bench en toebehoren, picknicktas en proviand, klein koffertje, mijn laarzen want ja het is herfst en met de dikke jassen erbij zit de kofferbak vol. Voor één enkel nachtje.

De Dyane, vorige week opnieuw voor twee jaar goedgekeurd, is uitgebreid gepoetst. Dat was na de vakantie nog niet gebeurd. Nu glimt het erover, zoals ze hier zeggen. Door de blinkende ramen hebben we helder uitzicht op zware laaghangende bewolking die boven Amsterdam wat uiteen trekt.

Het laatste stuk naar het hotel gaan we kronkelen. Afslag Vleuten, door Meerndijk en als je even niet oplet zit je zomaar op het platteland. Omgekeerd geldt hetzelfde: als je even niet oplet, zit je midden in de stad. Nieuwegein dit keer, door de wijk Oudegein. De lanen zijn aan weerszijden getooid met goudkleurende bomen, van citroengeel tot wijnrood. Een Ford Mustang Club komt ons tegemoet geronkt, die zijn ook een dagje uit met de stichting.

Een heel verschil met onze polder, dit oude land met zijn oude en nieuwe boerderijen. Allemaal hebben ze strak onderhouden siertuinen, sloten en bruggetjes. Het water in de sloten en kanalen staat hoog, heel hoog. Eenden drentelen op hun dooie gemak midden op de weg. Ken je dat liedje “Een witte eend op het midden van de weg en onze blauwe eend hing in de bomen?” Deze eenden kijken enkel verbaasd op als ze ons aan horen komen, trippelen dan gehaast naar de walkant. Weer mazzel.

We hebben een overnachting geboekt in hotel De Schildkamp in Asperen. Idioot zwembadblauw van buiten, binnen een grote kamer met semivorstelijke allure met nephouten lambrisering en bordeauxrood tapijt met fantasie Franse lelies. Voor het eten lopen we een stukje langs de Zuiderlingedijk. De yuppenstulpen aan de overkant van de rivier hebben een 24-uurs privé hovenier, zo walgelijk geschoren zijn de gazons en zo aangeharkt het grint.

Nederland is raar. De hond is welkom in het hotel, maar níet in de ontbijtzaal, níet in de brasserie. Nou, dan haalt Gijs toch gewoon een pizza. Die is goed, met vreselijk veel olijven. Simpelweg lekker is lekker simpel.

Als we zondagmorgen ontbeten hebben is het een soort van droog, dus: laarzen aan en gaan. Deze keer wandelen we langs de dorps-ijsbaan met naastgelegen speeltuin en een parkachtig landhuis uit 1893 dat misschien ooit gemeentehuis was. Iets verderop staat een betonnen muziekkoepel. Zware klokken van de kerk aan de overkant slaan 10 uur, de mis begint. De machtige Gotische toren kijkt neer op het dorp.

Een plots regengordijn trekt het uitzicht in één keer dicht. We schuilen vijf minuten bij de muziektent voor we terug baggeren. Wat ben ik blij met de handdoek die ik met voorbedachten rade voor Ravi heb meegenomen! Er komt een hoop modder van hem af. Voor het idee even een borstel over de bovenkant en niemand die het ziet.

Op ons gemak rijden we naar Meerkerk, het startpunt van de clubrit. We zijn vroeg, er staan nog niet zoveel eenden. Als we aan de koffie met plaatkoek zitten treffen we Harry (van de redactie van het clubblad) met zijn vrouw en dochter. Gezellig. Na het welkomstpraatje ontvangen we de papieren routebeschrijving en weg zijn we. In colonne kachelen we het terrein af.

We beginnen met een paar spetters. Voor de gele eend gloort een regenboog, de wolken spelen met de camera. De zon komt eraan. De routebeschrijving belooft ons vreemd-genaamde dorpen: Ottoland, Molenaarsgraaf, Klein Peursum, Hoornaar, Vogelswerf, Heukelum en zo meer, een traject dat langs dijken, molens en gemalen gaat, met koeien, schapen, forse boerenbedrijven en die heel foute yuppenkastelen die we gisteren aan de overkant van de rivier zagen liggen. Daar steken we over naar Asperen, langs de kerk waar we vanmorgen liepen.

Na al dat geslinger rond de Linge komen we bij de Lek. Die is zo breed dattie wel lek moet zijn, de uiterwaarden zijn ondergelopen of op zijn minst drassig. Dat belooft wat, de winter is nog niet eens begonnen. Met de zon voor ons blikkert het natte asfalt warm in ons gezicht als we onderweg zijn naar Nieuwpoort waar we ons door de smalle straatjes wringen.

Terug bij het startpunt komt de lichtblauwe Dyane6 vlak na ons binnen. Há, een kans op een babbel met zoon en zijn vader. De auto uit 1972, in originele staat, ziet er piekfijn uit. In het restaurant praten we bij een kopje koffie nog wat na en dan is het tijd om afscheid te nemen.

Het was een mooie tocht. Helaas te koud en vochtig om te kunnen picknickelen en met anderen te kletsen maar een goeie route om te onthouden. Misschien in het voorjaar, als alle bloesembomen rond de Linge in bloei staan.


Tomstom gebruikelijk worden we al snel het bos ingestuurd. Opnieuw een pad dat we niet (her)kennen, hoe Tom die dingen uit zijn geheugen schudt, geen idee. In de bermen zijn oranje mannetjes her en der gele waarschuwingsdriehoeken aan het plaatsen: “Chasse en cours!” Net als ik bedenk “gatverdarrie, je zal zo’n verdwaalde kogel door je dak krijgen” dreunt er ineens een harde knal vanonder de vloerplaat. Ik schrik me te barsten. Gijs stopt, loopt een rondje en checkt onder de auto. Het zal wel een gewone tak geweest zijn, er ligt tenslotte genoeg herfst op straat.

We snorren gerustgesteld door. Van cementfabriek naar cementfabriek, het hagelt ervan langs de Rhône. Zolang je rond de rivier rijdt blijf je in industriegebieden, doodsaai. Eenmaal de Rhône over wordt het afwisselender.

Daar verschijnt ook eindelijk wat zon. Mysterieus zijn die bergen van Parc Naturel Réginal du Vercors in schaduwnevels. De Vercors, weten we, is donkergroen noten- en natuurgebied, al dat fraais blijft echter rechts van ons liggen. We passeren Viviers (vierkante kerktoren), Rochemaure (burchtstadje) en bij Pouzin steken we onverwacht weer de Rhône over.

De lucht trekt verder open en wordt het uitzicht gaandeweg Zwitseriger, heuvelachtiger en authentieker naarmate we de Vercors naderen. Komen we ineens toch langs de notenkwekerijen. We huppelen steeds van durp naar durp, slierend over de rotondes en in zijn 2 lange hellingen van 10% op. Vergezichten, kerktorentjes zoals de spitse van Voiron en locals die omkijken als ze ons gepruttel horen. Forten en kastelen, al dan niet tot ruïne vervallen lijken lukraak in het landschap gepoot. We lunchen in het zonnetje, nog een uurtje te gaan.

We hebben een Mercurehotel in Bourg en Bresse geboekt. Hond bezet bed, wij puffen uit met een drankje en chips. ‘s Avonds eten we wat in ‘t restaurant. Morgen gaan we naar Metz, kijken wat Tom daarvan vindt…

Voor ons ontrolt zich een groen heuvellandschap, een groot veld met -naar Hollandse maatstaven weinig- witte scharrelkippen, Poulet de Bresse: dit is het Barneveld van Frankrijk.

Kijk nou, een rood-witte HY knippert ons tegemoet. En een eend met duimpje uit het raam. Een Dauphientje. Een Peugeot. Eén lange slinger van old- en youngtimertjes, wat is dit een vrolijke club! Ik ben vanzelfsprekend te laat met mijn camera, zo zitten we te zwaaien en te lachen. Wat een enige ontmoeting in dit druilerige weer.

We golven door de Jura, bekend om zijn AOC wijnen. Ik zie alleen de vignobletjes op de rotondes, slechts heel in de verte gloort iets wat een wijngaard zou kunnen zijn. We zitten op de Bis-route naar Nancy, zeer geliefd bij campers en caravanners. Echt een aanrader. Het is zondag, op die enkele walvis na is het erg rustig.

In alle ruimte zwerven we. Over heuvels met steeds nieuwe vergezichten over het dal waarin we vervolgens afdalen. Naarmate we noordelijker komen, kleuren de bossen meer en meer in Indian Summertinten. Van dit alles komt niets op de foto, tegenlicht, te ver, te donker en vooral: ik heb het te druk met kijken. Daarbij slingeren we nogal, wat voor mij geen goeie combi met de telefoon is.

Na de Jura duiken we de Vogezen in. De sneeuwkettingen zijn niet nodig al rijden we het hele stuk voornamelijk in zijn drie wat een hels kabaal maakt. Geregeld moet er naar de tweede of zelfs de eerste versnelling worden teruggeschakeld.

Voor Nancy plots vertraging van een uur? Dat gaan we niet doen. Er plopt een alternatieve route op, dat zou 45 minuten schelen. Door Pompey en Custines, daarna volgt een déviation… die verderop is afgesloten dus volgen we de déviation van de déviation. Achter de meute aan. Terug op de A31 zien we dat de andere kant muurvast staat. Goed gegokt!

Om half 4 zijn we bij onze ouwe trouwe Ibis-koe Woippy. Een grote kamer, de hond dit keer ónder het bed terwijl zijn bench uitnodigend is opgezet. Mafkees.

We maken ons op voor het laatste hortje naar huis. We gaan het zien hoe het vandaag loopt. In elk geval laten we Luxemburg links liggen, rijden via Arlon wat een prima weg is. Vlak voor Luik bij Sprimont eindelijk koffietijd, bokkoud met een blauwe lucht.

Bij Luik volgen we de borden E25 Maastricht, wat Tom en Goog ook zeggen. Twee tunnels, je mag er maar 50 maar het sukkelt wel lekker. Na Luik kunnen we de gewone route Maastricht-Eindhoven-Utrecht-Amsterdam volgen, wat een verademing is in vergelijking met de heenreis.

Half vijf zijn we thuis. Het autogeraas uit de oren, met een drankje rust in de tuin, Ravi onder zijn tafel met een knaagje. Gijs raapt driekwart emmer noten in 10 minuten tijd. Herfst in Holland en nog steeds… buiten!

… tot even later de bui losbarst. Herfst in Holland!

3544 km gereden


We hebben vanuit Cavalaire naar de volgende camping een gekke rit uitgezet, benieuwd wat ons vandaag te wachten staat. Via Le Lavandou en Toulon en dan bij Hyères naar boven. Ergens in een dorpje foutparkeren en terwijl Gijs brood haalt sta ik nieuwsgierigen te woord: “Ja, we zijn hiermee helemaal uit Nederland gekomen.” Die vraag wordt zo vaak gesteld. Een rebbelende meneer, het duurt even voordat ik hem versta, vertelt een heel verhaal. Hij had een gele Dyane uit hetzelfde bouwjaar. We hebben een aanknopingspunt. Een oudere dame vertelt dat ze in 1972 uit Spanje naar Frankrijk is gekomen in een 2CV. Je leert op deze manier wel tellen in het Frans: bouwjaar, leeftijd, kilometers. Als Gijs terugkomt met het brood, komt de man van de gele Dyane aangesneld om trots een foto te laten zien van zijn toenmalige auto. Inderdaad een prachtkarretje. “Blijft mooi hè, maar het is hard werken, rijden in zo’n eend!” zegt de man.

Met uitzicht op de Mont Farron drinken we koffie. Verder omhoog, via de smalle straatjes van Puget Ville en een col door het bos bij Rocbaron naar Brignolles. Verre vergezichten zonder een plek om voor een foto te stoppen. Daarna stukken N7 en D3. We volgen een kanaal terwijl aan onze andere kant de Durance slingert. Komen door allerlei stadjes, hebben uitzicht op de rotspartijen van La Sainte Baume bij St. Maximin de la Ste Baume, tuffen door Tourves en duiken met de neus de mistral in.

De N7 gaat dwars door Avignon, langs de muren. Hartstikke mooi, ware het niet dat het ontzettend druk is en alle stoplichten verstopt raken wat mij mooi tijd geeft om hangend uit m’n raam foto’s te maken. Gijs is vooral aan het opletten.

Eenmaal op de camping, ja, terug op La Grenouille in Goudargues, stribbelt het plastic zeiltje hard tegen in de wind. Niettemin is na anderhalf uur het hele hebben en houen weer op zijn plek geïnstalleerd. We staan, weliswaar loeischeef met veel boomstronken maar goed op de zon, het watertje kabbelt gezellig achter de tent en de klokken luiden boven ons hoofd. Terug van even weggeweest. We hebben misschien weinig fantasie en de plannen waren écht totaal anders maar de météo stuurt ons terug hierheen. Ook goed! De Pyreneeën, Sisteron en de Morvan blijven voor volgend jaar op het lijstje staan, die lopen niet weg.

Er zijn weer andere oldtimertjes bij Garage du Lavoir achter de camping.

Bijkomdagje

Wat is het hier ’s morgens koud! 12 graden en erg vochtig. Da’s ff wennen. Gijs’ zus en haar man plus hondje komen een bakkie halen, hier zien we elkaar vaker dan in Nederland. Na het bezoek borstel ik Ravi, allemachies wat een hoop vilt en vuil komt eraf als dat een paar dagen niet gebeurt is. Een berg klitten later een aardig resultaat… wat 2 minuten later grondig teniet is gedaan.

We krijgen bezoek van een 8-9 centimeter grote Egyptische sprinkhaan. Wat een beest. En ’s avonds eten we een slaatje bij Café de France waar ze blijkbaar toch een kok hebben gevonden.

Aiguèze

Aiguèze, middeleeuws stadje op een halfuurtje rijden, hebben we al die jaren nooit bezocht. Vooruit met de geit. Als altijd in zulke stadjes komen we om 12 uur aan, precies wanneer alle lollige winkeltjes sluiten. Tant pis, we kwamen voor de doorkijkjes en de uitzichten. Dat is gelukt. Eerst stap ik nieuwsgierig het kerkje in waar een mannenkoor bescheiden door de speakers klinkt. Het kerkhofje ligt knus tegen de rotswand aan, een speeltuintje er recht tegenover: dood en leven gescheiden door een voetpaadje.

Langs de muren met zicht op de Ardèche klimmen we hoger en hoger tot we op het stadje neer kunnen kijken. Eenmaal beneden zijn we toe aan koffie, met een stukje Fondant aux Marrons, fait maison. Crimineel, wat een stuk. Zelfs met zijn tweeën krijgen we ‘m amper op. Lunchen hoeft niet meer. Tandenpoetsen wel, voor zover er nog glazuur op onze tanden zit. We lopen een ander klein rondje door de straatjes om de kastanjes te laten zakken voordat we een kronkelroute terug uitzetten via St.-Christol-de-Rodières. Lekker slingeren over een soort fietspad waar we gelukkig geen tegenliggers tegenkomen. Dit is leuk, dit is vakantie. Zo hoort het.

Omdat we de komende drie dagen in de auto zitten, maken we ook de laatste dag nog een ritje, langs gesnoeide lavendel- en nog niet geoogste wijnvelden om het af te leren.

Wordt vervolgd, nog eentje, dan hou ik op.


Heel langzaamaan klimmen we uit het griepdal al is de algehele conditie nog niet best. We lopen over de markt, drinken koffie met Mireille die het aandurfde met meneer De Vries naar de camping af te dalen. Oftewel: geen nieuw nieuws onder de zon.

Bonporteau enzo

Lange mouwen, lange broek en dikke sokken aan, jas aan en wandelschoenen opgediept: we gaan het zieke zweet eruit werken. Ik had de Sentier de Fenouillet bedacht, starten bij Plage Bonporteau. Dat was aardig vlak in mijn herinnering…

Zelden heb ik mij zo vergist. Het pad gaat loodrecht omhoog, met diep uitgesleten rotsspleten in het fonkelende gesteente. En zoals altijd: wat je naar boven klimt, moet je aan de andere kant weer afdalen langs net zo’n slechte weg. Er lijkt geen end aan te komen. Ik heb een paar foto’s gemaakt van wat ik dacht dat de ergste stukken waren, daarna had ik mijn volle aandacht nodig voor mijn voeten en de stekeltakken die in m’n gezicht zwiepten. Ravi huppelt gezellig mee, bij een zwijnenpoeltje hebben we moeite hem ervan te weerhouden in de oranje klei te gaan baggeren. Al met al hebben we net-aan 4 km gelopen, het leken er veel meer.

De nacht brengt veel wind en kou. Dat niet alleen: ook een zwijnenfamilie rumoert om de tent. Gijs stapt naar buiten en staat onverhoeds oog in oog met een stuk of wat biggen terwijl Pa Beer achter het hek commentaar staat te leveren. De beesten zijn totaal niet van Gijs onder de indruk, het kost hem enige moeite om ze een endje weg te jagen. Ik slaap door de meeste commotie heen.

Van-alles-wat-dag

De zon doet hard zijn best, die wind is evenwel ijzig. Een eenzame parasol van het terras hangt tientallen meters verderop treurig in een boom. Het is een goeie dag voor het zwembad en de was. Als die droog is, wil Gijs ineens lopen. Ik heb ’n particulier kapelletje op mijn lijstje staan, Chapelle de Pardigon. Het is een klein dingetje en we kunnen niet naar binnen maar het ziet er fraai uit, met die blauwige natuurstenen lijkt het haast gemozaïekt.

Om echt te kunnen wandelen rijden we door naar Gigaro. Hier waait het eveneens behoorlijk; mijn telefoon slaat op tilt van een weldadige overdaad aan blauw. We vinden een nieuwe doorsteek dat ons rondje met meer dan de helft inkort: bij de liggende boomstam recht omhoog naar het grote achterpad. Mijn voeten en ik halen opgelucht adem. We sluiten deze gekke dag af met crèpes, met uitzicht op de baai waar we een paar uur eerder liepen. De zon gaat vroeg onder.

Knutselen

Dyaantje maakt teveel kabaal, waarschijnlijk door een versleten versnellingsbaksteun. Gijs is de afgelopen dagen bezig geweest te proberen het onderdeel te krijgen, we willen er zelfs voor naar de Mehariclub Cassis rijden, hier 100 km vandaan. Die kunnen ons helaas pas volgende week aan het ding helpen. We bellen met Burton in Zutphen. Als zij het dingetje opsturen is het hier uiterlijk…? We gaan het meemaken. Tadaa! Nog voor 12en is eindelijk het pakketje geleverd. Ravi is als altijd nieuwsgierig: zou er iets lekkers in zitten? Sorry beest, niet eetbaar.

Gijs duikt onder de auto. Er is niets leuker dan knutselen aan je karretje op de camping. Zie je wel dat al dat gereedschap van pas komt. Met enig geweld komt de steun los, aan het gesmolten en gesleten rubber is goed te zien wat het ding te lijden heeft gehad van de bloedhete ritten boven zinderend asfalt. Geen wonder dat ons bij aanvang zo timide ezeltje zo ging bokken na verloop van tijd.

Een poosje later zit alles weer in elkaar en kan Dyanes kruk eronder uit. Alle losse onderdelen terug op hun plek zetten neemt het volgende halfuurtje in beslag en dan kletst de klep dicht. Nu zijn we alleen benieuwd of dít echt het enige euvel was… Zou het geholpen hebben?

Na een stokbroodje gaan we het uitproberen. Beneden bij de boulevard hangt er van alles in de lucht, dat gaan we eerst bekijken. En niet alleen bekijken: op de boulevard moeten we ons een weg banen door de aftershaves en Douglas-uitverkopen terwijl vanaf het strand de vette kokoswalm van Nivea en Ambre Solaire ons in het gezicht slaat van de glimmende lijven, gebronsd tot zwartgeblakerd, die liggen te braden op het zand. De windveren wedijveren met de vrolijk vliegende vissen. Het lijkt wel zomer.

Via een achteraf kronkelroute, D93, slaan we af richting Ramatuelle. Fotoshoot bij Col de Collebasse (plm 136 meter). Tenslotte komen we bij Port Grimaud. Jaren geleden dat we daar waren, tijd voor een weerzien met de kanaaltjes, de nogakleurige huizen en de bruggetjes.

Les Terrasses de l’Eau Blanche

Kennen jullie ook al. Blijft mooi. We sjouwen tot boven de camping (druk aan ‘t zwembad), uitkijkend naar Maison Foncin op de heuvel in de verte. Grijs bestofte sokken en schoenen, ze hebben goed gewerkt. 9900 Stappen, niet slecht in deze conditie.

Wordt vervolgd…


 

Heel Frankrijk zit in woelig weer. In Goudargues hebben we het wel gezien, de météo apps zien vooral “ons” puntje aan de Côte d’Azur als het meest steady zonnetje. Afgezien van zondag, maar dat denken we nog wel aan te kunnen. Ik hoest me suf en voel me hondsberoerd, ben volledig stemloos. Lekker stil, alleen doodsaai. Ik wil weg.

Als ik die morgen wakker word, luister ik om 7 uur eerst nog één keertje aandachtig naar de klokken. 2x 7, 3x 3 en 1x 9 laag. Die zal ik missen, steeds dat beetje muziek dat de dag ritme geeft.

Het is amper 12 graden als we opstaan. Nogal warrig gooien we alles in de auto en aanhanger. We stoppen langs de apotheek voor hoestdrank en dan zijn we weg.

Waar Tomstom ons nú weer heen stuurt? Via een krankjorume route met achteraf kronkels, dwars door totaal onbekende nieuwbouwdorpjes en langs een soort waterkrachtinstallatie in een uiterwaard van de Rhône komen we in Orange op de A7. Vast de kortste weg maar of het ook snèller was, dat betwijfelen we.

De snelweg is rustig. Het wordt steeds warmer, de lucht is heel helder. De Pré-Alpes liggen links voor ons in de verre verte, wat vette wolkenformaties in wit en grijs erboven. Zo ver kunnen we niet vaak kijken. Rechts van ons, richting Marseille is de lucht strakblauw.

Gijs rijdt kalm en vlot door. Bij Le Luc slingeren we via La Garde Freinet tussen de kurkeiken, parasoldennen en wijnvelden naar de kust. Flink aanpoten voor ons ezeltje, dat steeds rauwer gaat klinken maar stoer volhoudt.

Op de camping bezetten we een grote plek op het onderste rijtje. Het miegelt van de mini-zwarte-steekmugjes, we zepen ons goed in. Het mag helaas niet baten: aan het eind van de avond zijn mijn benen systematisch voorzien van tientallen jeukende muggenbulten.

Het waait

Laat in de middag gaan we naar de haven voor een “ijsje”, hoegenaamd om de keel te smeren. Eén bol, merengue-caramel. Hoezo zoet. Zelfs in de schaduw smelt de boule á la minute. Daarna kleven we. Stukkie lopen langs de boulevard. Daar begint het al harder te stormen, de vlaggen staan strak landinwaarts. Strand is er praktisch niet. We lopen tot het end van “ons” Waipiti -dat nu Bellini heet- strandje waarna we rechtsomkeert maken. Wij worden zoetjesaan gezandstraald. Parkeren in de haven is altijd grappig. Waar anders dan aan de Côte d’Azur vind je de combi Porsche-Dyane-Eend? Boven op de camping spoel ik mijn bril, wazig van zout en zand, met veel water af. Mijn gezicht is direct gescrubd. Lekker. En morgen? Dat zien we dan wel weer.

Het regent

Het koelt níets af, integendeel het wordt stikbenauwd met een miezer die langzaam overgaat in constante regen die de komende uren zal aanhouden. Geen stuivende stortbuien maar genoeg om riviertjes over de straatjes te laten lopen.

Tegen het end van de middag ben ik doodverveeld en uitgelezen. Ravi heeft de hele dag voor de kachel gezeten om na zijn eerste rondje op te drogen. Niet dat we die kachel voor de warmte nodig hebben, de buitentemperatuur is nauwelijks gezakt. We maken een tochtje, weg van de buien, richting Le Lavandou. Mistroostige haventjes, de reddingspost gesloten, druipende palmen en kleurige parapluutjes: één natte bende. Op de terugweg scheurt de bewolking uiteen, een schouwspel tussen licht en donker boven het water dat ons betovert. De camping ligt in de nevel die zijn lading algauw spetterend over de tent uitstort. We troosten ons met de vooruitzichten van Météo France, het ergste is achter de rug.

Als ik er ’s nachts uit moet is het superhelder. Geen wolkje aan de lucht, des te meer sterren. Schitterende fonkelsterren.

Het waait – hard

Toch een heel ander gezicht, de haven met zo’n strakblauwe lucht. De felle windhozen komen uit de totaal andere hoek, je ziet het aan de vlaggen. Alles wat niet vast zit wordt met grof kabaal over de kade geblazen. We rijden verder naar de poterie annex biologische groentehandel. Wat we 20 jaar geleden met Casper konden, kan ook met Ravi.

’s Nachts buldert de storm de heuvel af. Af en toe is het alsof de tent, met mij in bed en al erin, opstijgt en meegenomen wordt in het gedwarrel en gedraai -als op woeste golven- van de razende storm. Pas tegen 2en neemt de wind eindelijk af. Poeh, dat scheelt een heleboel geluid!

Eindelijk stil

We lopen een rondje naar boven over de camping, ik maak fotoos vanaf “onze” plek 158. Vanaf nu spreken we niet meer over de teloorgang van het kampeerterrein en de opkomst van het bungalowpark. Het is nou eenmaal zo. Kijk dan, dat uitzicht onder “onze” kurkeik door. Een grote roofvogel (vermoedelijk een circaète, slangenarend, die zitten hier veel) scheert over het bos naar de top van de heuvel, de zee in de verte ligt er blakerend bij. Blauw, intens blauw is mijn uitzicht naar boven bij het zwembad. Het is er druk, met ouwe mensen en babbelkousen aan de rand.

Om 8 uur is het donker, de zwijnen komen tevoorschijn. Er wordt volop geblaft op de camping, Ravi als laatste. Het is weer eens wat anders dan een olifant…

Wordt vervolgd!


Drie volle reisdagen, met een ziek hoofd en in de bloedhitte, zo lang zijn we onderweg om uiteindelijk, wat een verrassing (niet!) in Goudargues te stranden. Reis- en keeltabletten en paracetamol hebben me op de been gehouden. Tenslotte staat de boel, een douche is dichtbij en het is superrustig op de camping. De kerkklokken galmen zoals het hoort. Daar kwamen we voor.

Tijd voor een eerste reisverhaal. En mocht je halverwege denken, dit verhaal kennen we nou wel: dat klopt. Het is niets anders dan een variatie op een thema.

Een ontmoeting

De route begon wat gecompliceerder dan normaal door de werkzaamheden op de A10 bij de Zeeburgertunnel en de A2 bij Utrecht, nu gaan we over Alkmaar, A9 en voort naar Rotterdam. Een motorrijder met een leren franjejack komt voor ons rijden met een uitgestoken duim omhoog.

In 2 uur tijd, da’s best vlot in die drukte, zijn we bij Hazeldonk waar we koffiedrinken. Een baardig type, in leren jack, komt op ons af: “Ik heb een brutale vraag!” roept-ie al van verre. Ik zeg: “Ah, u bent die man van dat duimpje!” Dat wordt beaamd. Hij vertelt: “Ik heb een eend gehad, en ik weet dat eendrijders altijd de kofferbak vol gereedschap hebben liggen. Heeft u dat ook?” Haha, ja, dat hebben we. Hij had ons de parking op zien draaien en had gedacht: “Die moet ik hebben.” Zijn versnellingspook/pedaal zit los, die moet aangedraaid worden. Hebben wij een baco bij ons? Ja, natuurlijk. De kofferbak wordt leeg gehaald. Tent, picknicktas, onderwegtas en computertas belanden op de grond achter de Dyane. Het vloertje gaat omhoog en daar verschijnt de schat-gereedschapskist. De man ligt dubbel: “Je hebt zelfs een momentsleutel bij je!” Tja, je zult maar een lekke band hebben, dan kun je met dat grote apparaat simpel de wielmoeren losdraaien om de band te vervangen. Logisch toch?

De man loopt naar zijn motor en komt enkele minuten later met kompaan, eveneens op een motor, de baco terugbrengen. Vanzelfsprekend volgt een levendig gesprek over Dyanes, eenden, -clubs, -meetings en oja, wat een geinig karretje hebben jullie. Deze mannen reizen met één duffelbag achterop waar tent, matje, slaapzak en zelfs de tandenborstel in zitten. Ze verwachten dat ons aanhangertje minstens een vouwwagen herbergt. Ze zijn niet de eersten en enigen die dat denken, maar nee, tent zit in de auto. Wat slepen we dán in vredesnaam allemaal mee? We lachen er samen om.

Hoewel het heel gezellig is, vind ik het na een uur toch tijd worden om op te stappen, wij willen vandaag tenslotte nog een endje verder zien te komen. Hartelijk nemen we afscheid. “Wie weet, tot ziens op een meeting, misschien de Internationale 2CV Meeting in 2027 in Nederland?” Wie weet.

Wat we zien

In Noord-Frankrijk is de drukkende lucht bespikkeld met laag-scherende zwaluwtjes die zich tegoed doen aan een feestmaal van onweersbeestjes. Hoog boven het landschap zwalkt een roofvogel door het zwerk op zoek naar grotere prooi; de rijgdraden die door het panorama golven, lijken wel bezet met kraaltjes, zo hebben hele spreeuwenkolonies zich erop verzameld.

Ons ezeltje kachelt op zijn gemak de lange hellingen op, de nieuwe Jumbo huppelt vrolijk mee. Op de horizon is een tractortje op de vlucht voor een grote stofwolk.

Binnendoor rijden we, van Châlons naar Châlon, van de Champagne naar de Bourgogne, van durrepie naar durrepie, dat lijkt ons nou grappig. Het wordt een superrit, mooie landschappen, ouderwetse vakwerkhuisjes, zelfs een vakwerkkerkje. Een Engels kaboutercaravannetje bij een stopplek. Weelderige rozenstruiken sieren met hun tomeloze uitbundigheid de tuinen en bermen. Verderop laten topzware zonnebloemen het moede hoofd hangen, uitgebloeid.

Bij het eerste opsekoppe naambordje denk je: plaatselijke mafketels. Als we zien dat bijna elk gehucht het naambord heeft omgedraaid, is de vergelijking met de omgekeerde Nederlandse vlaggen, die nog steeds her en der fanatiek langs de weilanden staan, gauw gemaakt. Ook in Frankrijk protesteren de boeren tegen het landbouwbeleid.

De laatste dag is een péageroute om kilometers te maken. Nee, geen foto’s van Signe Infini en Musée des Confluences (waarbij ik altijd bedenk dat dit het werk is van een crazy geniale architect. Wie verzínt nou zoiets?). Daar heb ik er al teveel van. Nu alleen op mijn gemak reizen en kijken zonder steeds een camera voor m’n hoofd. We zweten ons suf maar gaan stug door en trotseren de hitte van driebaans asfalt.

De wijnranken langs de Rhône kleuren voorzichtig geel, de berken laten hun eerste blaadjes vallen. De herfst is in aantocht.

 

 

 

 

Op Camping La Grenouille, Goudargues

Na drie dagen in de hitte en motorlawaai zijn onze verkouden hoofden aan rust toe en Ravi aan een borstelbeurt. Na de koffie lopen we een rondje dorp. Langs het stroompje is het een gewemel van kleine zwart-gevleugelde libelletjes (bosbeekjuffers), kleurige vlindertjes en grote zwart-geel gestreepte libellen.

De rest van de middag regent het en zitten we noodgedwongen binnen. Dat zal de komende tijd zo blijven helaas.

De markt op woensdag bezoeken we in rap tempo tussen de druppels door. Een kopje koffie op het terras, mensen kijken en een langsrijdende Dyane kieken. Je ziet aan die foto hoe vochtig het is, de lens beslaat direct. Vijf minuten later komt de volgende bui naar beneden. Tijd voor nog meer koffie, een merengue en een puzzeltje.

 

 

 

 

Een rondje oldtimers

De volgende ochtend: regen. Pas als het opklaart loop ik even door het dorp om door de geijkte winkeltjes te snuffelen. Daarbuiten is meer te zien. Die snoek op de aanhanger naast de camping staat er nog steeds. Al jaren, zo zonde. Die autootjes blijven fotogeniek.

We hebben het hier wel bekeken, morgen inpakken en wegwezen. Op naar de zon?

Wordt vervolgd…


“Wat doe ik hier,” dacht hij terwijl hij zich door het krankzinnige verkeer van Pattaya een weg baande. “Ik moet hier weg, weg uit dit gekkenhuis! Ik ga het gewoon doen!”

Gijs was voor een paar weken in Thailand voor zijn werk; het project verliep zo voorspoedig dat hij zou het weekend vrij zou zijn. Twee lange dagen lagen voor hem. Wat kon hij verzinnen om Pattaya te ontvluchten? Kamperen? In Thailand?

Zo gedacht, zo gedaan. Voor gek verklaard -deels uit bewondering, deels uit afgunst- door vrouwlief toog hij naar de Decathlon voor een tentje, een slaapmatje, slaapzak, lampje en een haringhamer. De klantenpas werd gescand en geaccepteerd, of je nu in Alkmaar, Toulon of Pattaya bent. Hij was er klaar voor, het avontuur kon beginnen.

Zaterdagmorgen werd alles in de Vios gemikt en na een rit van drie uur, met onderweg een koffiestop, kwam hij aan in Khao Yai National Park. Vanaf de ingang van het park moest hij nog een halfuurtje verder slingeren tot Lam Ta Khong campground, wat een heuse camping bleek te zijn, met sanitair, een winkeltje en een restaurantje. Net echt. Tijd voor een welverdiend Singhabiertje nu dat nog koel was.

De camping lag op zo’n 700 meter hoogte, waardoor de temperatuur een stuk beter uit te houden was dan in die vieze stad aan zee. Bewolkt, vochtig, met af en toe een bui maar niet koud. Het wemelde er van het wildlife, felgekleurde vlinders, apen die rond de tenten brutaal naar eten zochten, schooiende herten die iets bescheidener waren en het gekrakeel van krekels en kikkers wat de hele nacht zou doorgaan. Al wist Gijs dat ’s middags nog niet. Bij het restaurantje kon hij schuilen voor de regen, onderwijl kijkend naar de dieren die kwamen scheumen. Met een beker koffie erbij tussen de Thai wachten tot de bui over zou zijn.

Eenmaal droog ging hij op pad voor een wandeling door het regenwoud. Rugzak om, voldoende water mee en een hoed op tegen zon en/of regen. Een waterval, een wankel bamboe hangbruggetje, kilometerhoge bomen (te hoog om op de foto te passen) en dat alles onder begeleiding van de cirkelzagende herrie der insecten.

Terug op de camping hadden de herten plaats gemaakt voor… een olifant. Weer eens wat anders dan een vos of everzwijn naast je tent. Beetje groter vooral. Met enige moeite werd het dier door de rangers en hun 4×4 teruggedreven het bos in wat een boel sensatie leverde voor het toegestroomde publiek.

Aan het eind van de middag trokken groepen en families uit Bangkok en omstreken op hun brommertjes naar de camping. Uit het winkeltje werden zakken met ijsklontjes tevoorschijn getoverd die in de meegebrachte styrofoam isoleerbox werden leeggekieperd. Blikjes erin en de avondvullende picknick kon beginnen. Gijs was op een idee gebracht en haalde ook zo’n zak, dan bleven zijn biertjes wat langer fris. (volgende keer koelbox mee!)

Uit pure arremoe zat hij de rest van de avond op de bumper van de auto onder de kofferklep, te koekeloeren naar de lichtjes bij het restaurantje en de tentjes. Een stoeltje had hij niet bij zich. (volgende keer stoeltje mee!) Dan maar vroeg naar bed. Te vroeg, het was nog stervensbenauwd in de tent en die kikkers bleven maar doorgaan…

Zondagmorgen was het droog, de zon scheen zelfs een beetje zodat de tent kon drogen. Na een karig ontbijt met een meegebracht yoghurtje en fruit was de boel snel ingepakt en werd ontdekkingsreis door het park met de auto vervolgd. Een grote waterval donderde van grote hoogte de berg af, het voetpad in een modderstroom veranderend. Glibberend en glijdend klauterde Gijs de lange trappen af naar beneden waar de kracht van al dat water pas echt duidelijk werd. Naar boven was een nog zwaardere onderneming, de treden onwijs steil, terwijl de temperatuur evenredig opliep.

Dankbaar gebruik makend van de airco in de auto koerste hij tenslotte naar het hoogste punt van het park, 1290 meter. Mooi uitzicht over het park en lekkere temperatuur. Helaas zat daarmee het weekend er bijna op.

Drie-en-een-half uur later kwam het gekkenhuis weer in zicht, een geweldig avontuur kwam ten eind. De doos met kampeerspullen is achtergebleven op de fabriek, bij een volgende bezoek kan deze zo van de stelling worden gehaald!


*) foto’s © Gijs. Veel ervan zijn frames gehaald uit verschillende whatsapp filmpjes, dus niet al te scherp.

Cavalaire sur Mer

En zo sta je dan gewoon weer op je oude camping. Niet veranderlijker dan de mens. Of is het: de mens is niet te veranderen? Vol stellige overtuiging hadden we besloten: “Het boek is uit, we slaan het definitief dicht. We zoeken een ander boek om te reizen.”

En toch. Zeg nooit nooit.

Dit jaar pakken we een nieuwere editie van het boek Cros de Mouton erbij, een volgend hoofdstuk wordt opengeslagen. We gaan nu de sfeer proeven van het oudste kampeergedeelte, helemaal beneden, plek 38 waar de everzwijnen onderlangs in de greppel ’s avonds rondstruinen. Waar je geen uitzicht hebt maar onder de oude bomen staat en dus veel schaduw hebt. Waar vogels in soorten en maten kwinkeleren.

Ofschoon het bewolkt is, is het niet koud, we gaan de volgende morgen het dorp en de haven verkennen. Op zondag. In voorseizoen. Geen donder aan. En ‘ons’ pannenkoekenhuis (foto 2015) is wag (foto 2024). Wel mooi zijn die wolkenluchten, die langzaam de campingberg afdalen.

Er is een reden

Een reden dat we al die jaren zo ver reden. Nieuwe wandelschoenen aan en lopen. Bij Gigaro het Sentier du Littoral op, als een klipgeit langs smalle paadjes, diepe treden en hoge boomwortels, tot voorbij de welbekende bomen. Blauw kan altijd blauwer. Dat is de reden dat we zo ver reden.

Bij die bomen komen de wortels steeds hoger te liggen. Dubbelgoed uitkijken dat ik er niet achter blijf haken. Nog een stukje stijgen tot we bij de brandgang zijn waar we op een boomstam in de schaduw uitrusten en afkoelen. Het windje maakt het behaaglijk. Terug bij de auto heb ik net geen 10.000 stappen gehaald, het leken er meer.

’s Avonds eten we in het restaurant van de camping, comme d’habitude.

L’Eau Blanche

De klim naar boven valt me alles mee, maar ja, het is nu veel koeler dan wanneer we dit mid-zomer deden. Na een half uur zijn we al op de splitsing waar de zon tussen de sluiers achter de heuvels verdwijnt. We slaan linksaf, tot boven de camping. Ravi gaat los, leeft zich lekker uit. De stenen glinsteren, het zand fonkelt. Een familie wilde zwijnen dendert knorrend naast ons in het struikgewas naar beneden. Terugrijdend is de hemel rozepaarsblauw.
Bij de tent wacht Ravi’s borstel…

3e ronde

Auto geparkeerd voor de tunnel naar Hameau du Dattier en van daaruit gelopen naar Domaine du Rayol. Ik herinnerde me langs dat pad een huis met een pigeonnier, duiventoren. Die was er niet. Er waren wel heel veel fietsers, die ik me juist niet herinnerde. Hoe graag ik de botanische tuinen ook in gewild had, een hond, groot, klein, aangelijnd of in een rugzak, mag absoluut niet naar binnen. We lopen dezelfde weg weerom, met uitzicht op Maison Fonçin.

Ronde 4.

Na de tocht van vanmorgen volgt een eenzaam zonnig middagje aan het zwembad (ik) en tent (Gijs en Ravi). Net als eergisteren gaan we na het eten de berg op, Crète de Pradels. Dit keer gaan we bovenaan naar rechts, tot boven het vliegveldje van La Môle. Birdnet vindt een nachtegaal, we horen hem maar zien hem niet. De wind trekt aan, het wordt kouder. Gauw naar beneden.

De laatste vakantiedag

’s Avonds eten we met zijn vieren crèpes bij Crèperie Senequier. Zoals gezegd bestaat ‘onze’ Crèperie Bretonne niet meer. Het restaurant waar we 30 jaar geleden voor het eerst en daarna iedere zomervakantie samen pannenkoeken aten. 30 Jaar vrienden, de Meesjes en wij; wat ooit begon met de uitwisseling van een Telegraaf op Cros de Mouton, groeide uit tot levenslang…

In weerwil van de laaghangende mist blijft het droog. De buren, of eigenlijk de halve camping, kijkt naar voetbal. Wij gaan bijtijds naar bed, morgen lange rit voor de boeg.

Terugreis

Alles is gortdroog, inpakken gaat vlot. Uitgezwaaid door onze vrienden vertrekken we. Au revoir!

Net buiten Cavalaire, daar waar we vroeger in de file stonden vanwege de markt in La Croix Valmer, loopt er aan de linkerkant van de weg doodgemoedereerd een wild zwijn. ‘t Is eens wat anders. Boven op de berg, na La Garde Freinet op het kale Plaine des Maures, gonst het -eindelijk- van de cigales. En eenmaal op de snelweg kijken we neer op de dorpjes en wegen die we met de Dyane zo graag doorkruisen. Zo heeft alles z’n voor en z’n tegen.

Het achterland is veel groener dan de geel-verdorde kuststreek. Het enige geel hier komt van de bermbremmen. Soms een paarse zweem tussen het groen van een lavendelveld in de verte. Wolkenflarden dampen op tussen de heuvels. De andere kant van de weg, zuidwaarts, is totaal ingeblikt. Zwarte zaterdag, half juni?

En het zal zo druk blijven. Ook onze kant wordt niet gespaard. Vertraging hier, werkzaamheden daar. Bij Lyon volgen we de omleidingsroute van Tom omdat de stad volgens de borden vast staat. Een miljoen korte op- en afritjes, krappe invoegers en motorren die ons graag al omkijkend een duimpje willen geven op een plek waar je nou net níet voor ons neus moet gaan hangen. Malloten.

‘Signe Infini’ voorbij Lyon. Pas na Macon wordt de weg wat rustiger. Kunstwerk bij Langres. Na Langres gauwgauw wat eten, het laatste stukje brood met kaas. Bibberend in de wind trekken we de spijkerbroeken aan.

21.15 uur bij hotel. Pfff. 12 uur in die DS is echt teveel! Er staan twee bussen, het hotel zal waarschijnlijk vol zitten. We merken er niet veel meer van.

Zondag starten we op ons dooie akkertje. De linker achterband is bijna leeg, oppompen duurt lang maar het werkt. Ondertussen loop ik met Ravi langs de rozenperkjes. De route wordt uitgezet over Luik, we zijn benieuwd.

In Luxemburg tanken, scheelt twee kwartjes per liter met de pomp in Middenmeer. Koffie bij Sprimont, vlak voor Luik. Daarna volgen we de E25 die met een lange tunnel onder de stad doorgaat niet dwars erdoorheen. Veel verkeer, maar het rijdt goed door.

Een Citroën SM komt ons bij Maastricht Aachen Airport voorbij toeteren, met zo’n zelfde luchthoorn als wij hebben. Wederzijdse duimpjes. De SM is vooral mooi omdat die glimt. Ons beige is -hoewel inmiddels iets schoner geregend- nog steeds dof van het stofzand. In de buurt van Eindhoven krijgen we in een filetje de kans om te kieken.

Godallemachtig wat is Nederland VOL! Zelfs op zondagmiddag karren we continue mannetje aan mannetje. Bij Amsterdam worden we door de Gaasperdammertunnel gedirigeerd. Dat ding is nog langer dan die onder Luik. We komen op de A1 uit voor de Zeeburgertunnel. Grappige sluiproute, die onthouden we.

Bij afslag Middenmeer volgen we B, we moeten een stukje omrijden omdat de hoofdweg door het dorp open ligt. Krautend door de polder zijn we om 16.45 THUIS!

Start: KM stand 1: 67.164. Eind: KM stand 2: 70.492. Totaal 3.328 KM gereden.


De tassen zijn uitgepakt, de wassen gewassen, de strijk gestreken. Laat ik nu eindelijk proberen onze twee weken vakantie samen te vatten. Je kent me: dat lukt niet. Hou je vast.

Op zaterdag 1 juni vertrekken we. Vroeger in het jaar dan ooit, we hopen er het beste van. Als we opstaan, plenst het. Dat belooft wat…

Onderweg is het druk of nog drukker. Vooral Brussel ligt rondom open door werkzaamheden. Bij de cirkel van Wellin rijden we op de tast. Zóveel water, brrr. Wisten wij veel dat dat slechts een voorbode zou zijn…

De herkenningstekens volgen elkaar op. Thionville. De Tol bij Toul, piepertje (tolbadge) doet het gelukkig. Langres kunstwerk. Hier zijn we op de helft van de reis. Bij het hotel in Chalon sur Saône is het droog, even later hoost het. Gijs is doornat als hij de rest van de bagage haalt.

Lekker slapen en zondag vrolijk op weg, van de drup naar de regen langs de volgende mijlpaal, Aire de Jugy.

Bij een drukke plotselinge wegversmalling hapert de versnelling. Stress! Uiteindelijk schiet-ie in zijn 3. Pfieuw. Wanneer de weg weer terug is op zijn eigen banen rijden we loeiend in zijn 3 een stukkie door. Als het minder druk is kan Gijs naar 4 schakelen. Bij een aire stoppen we. De motorkap gaat open en er wordt wat met olie gehannest terwijl ik een bakkie troost maak. We kunnen verder.

Door Lyon, dat hebben we wel eens sneller gedaan. Je mag het hele stuk vanaf ver vóór de tunnels tot ver daarna overal maar 50 of 70 en iedereen houdt zich daar braaf aan want om de 100 meter staan camera’s. Rustig de tijd om het museum te kieken. Hij sprankelt niet zoals anders. De Rhône is grauw zoals de lucht. De enige vrolijke noten zijn het goud-vonkende vuurwerk van de brem in de bermen en de ontplofte roze pruikenstruiken.

De lucht wordt al zwarter, de bliksems vliegen ons om de oren. De wolkbreuk laat niet lang op zich wachten. Na de péage poortjes na Aix-en-Provence staat de weg blank, de snoek leert zwemmen. De afrit naar Toulon staat vast, geen idee welk wegdeel we moeten volgen. De meute auto’s krioelt. Zien geen hand voor ogen. “Op het ‘te doen’ lijstje voor de DS: een snorkel!” zegt Gijs.

We hebben genoeg water gezien zou je zeggen maar pas bij afslag Ciotat zie ik een glimp van de zee. Ik heb gewonnen. Niettemin hebben we nog 79 km te gaan.

Bij aankomst líjkt de zon door te komen. De camping is ál twee dagen open, er staat één kip en een campertje. We pakken dezelfde etage als vorig jaar september. Gauw opschieten, het onweert al. Te laat, de wolk die de hele reis boven ons hoofd hing had nog een restje over. In de stromende regen ramt Gijs wat haringen in de rotsbodem, de rest van de bui wachten we in de auto af. Nee, tent opzetten in de nattigheid: niet mijn favoriet.

Camping Le Grand Bataillier, La Favière/Bormes les Mimosas

Over de camping heb ik vorig jaar al veel geschreven (zie: un-camping-comme-dantan), dat hoef ik niet te herhalen. De dagen rijgen zich aaneen met nietsnutterijen en Ravi borstelen. Een paar keer per dag moeten we zorgvuldig de grasaren, klitjes en stekels uit zijn vacht kammen. Lezen, koffie, broodje, lezen, puzzelen. Om met Sonneveld te spreken: zo heerlijk rustig jaja. ’s Avonds sluiten we de dag af met een wandelingetje over het strand. De eilanden Porquerolles en Port Cros zijn helder te zien. Verlaten zandkastelen wachten gelaten op de vloed. Voetjes in het kalme water afkoelen en onder de blauwbloeiende jacaranda’s (pallisanderbomen) een ijsje toe.

Dof geworden door de zwempartijtjes is de Snoek aan een douche toe. Gijs knutselt wat verder aan de versnellingen en vindt het verloren 8mm dopje weer terug. De nieuwgekochte doppenset overbodig.

Birdnet vindt een geelgors, een wielewaal en tijdens de wandeling door het wijnveld tegenover de camping een Europese kanarie. Eksters, duiven en Vlaamse gaaien zien we genoeg, de app gebruiken we om de onzichtbare zangertjes te leren kennen.

Bovenlangs slingerend rijden we naar Bormes les Mimosas waar we als vanouds een rondje zwerven en klimmen. Het dorp heeft de tand des tijds goed weerstaan. Al zijn de ijsjes in de loop der jaren 5x duurder geworden, het dorp zelf is niet erg ‘verpoend’ wat in zoveel kustplaatsen zo rigoureus gebeurt. Afgezien van het nieuwe autovrije plein voor de kerk, en de megaparking en wat nieuwe aanrijwegen rondom de heuvel. We lachen om Tom die ons steeds haaks linksaf de berg af wil laten donderen. Nah, geen goed plan. Niet met de DS in elk geval.

We gaan op bezoek bij onze vrienden, ‘de Meesjes’, die in een huisje zitten op ‘onze’ oude camping in Cavalaire sur Mer. We halen lekkere dingetjes voor bij de koffie bij ‘ons’ bakkertje, Léone. Bij de campingreceptie zien we niemand, we stormen gewoon door, de trap langs het restaurant op. Hijghijgpufpuf. Oja, die steile hellingen. Toch wel weer… een beetje thuis komen.

Terug in La Favière staat een antiek Renaultje 6 naast onze DS geparkeerd. Bij de crèpes op een boulevardterrasje worden we getrakteerd op respectievelijk een Ami, een Alfaatje Spider en een Mehari bij het stoplicht. Wij vinden oude autootjes leuk. Na het toetje doen we een after dinner rondje over het strand.

En van wijn houden we ook. We ontdekken de volgende dag dat de cave naast de camping open is. Wijn proeven op je nuchtere maag kan alleen in de vakantie. In het museumachtige winkeltje kopen we naast een doosje rosé en twee flessen rood nog twee potjes honing voor de buurdames. ’s Middags gaan we op bezoek bij Mireille* en Mijnheer de Vries, de hond. Mireille zegt grinnikend: “Een dégustation om 10 uur pas? Da’s hier heel normaal!”

En de volgende dag… dat wordt vervolgd in het volgende verhaal over een paar dagen. Even geduld aub.


*) Mireille was voorheen receptioniste op Cros de Mouton, ze woont nu in Grimaud. We houden nog altijd contact.