Er is ook altijd wat met die oude auto’s. Na de 4000 kilometervakantie met de Dyane is nu de Snoek aan de beurt om mee aan het werk te gaan.
Ik ergerde me al heel lang aan de versleten en gedraaide gordels, het metaal van de ouderwetse vliegtuig-sluiting brandde bij felle zon altijd vreselijk op mijn onderarm. Door moderne DS gordels met die voor een 2CV te combineren, hebben we nu goed werkende riemen. Het onderste stuk, de sluiting, is voor de DS; de bovenkant, met het rolmechanisme en de riem, zijn voor een 2CV. Dat dat werkt als een tierelier hebben we ervaren met het weekendje-weg voor het vouwdak.

Uit die weekendtrip volgden vanzelfsprekend meer klussen. Het to-do-lijstje werd langer en langer. Bij de stortbui op de terugweg uit Limburg hebben we gemerkt dat het aan Gijs’ kant langs de voorruit lekt. De stopverf aan de onderkant, waarmee het ding vastgekit zit, is gaar als boter. Gijs heeft allang andere pasta klaar liggen, het was er alleen nog niet van gekomen. Als hij de oude kit ertussen vandaan peutert komt de hele voorruit los en nu blijkt dat het boven-rubber totaal verhard is. Oftewel, het blijft niet bij simpel wat kit vervangen. Nee, de hele voorruit gaat eruit, nieuwe rubbers, nieuwe stopverf…

Was het maar zo simpel.

De roest op de metalen rand onder het raam wordt verwijderd en een laag anti-roestmiddel aangebracht. Nu die ruit los ligt, willen we er graag een gekleurde band op, een soort zonnebril. Gijs bestelt een bruine, dat lijkt me mooi kleuren bij het interieur van de auto. Omdat het raam gebogen is, zal het folie so wie so in vorm gesneden moeten worden. Een dik uur later komt Gijs me halen: “Kom eens kijken, ik vind het veel te donker. Of ben ik nou gek?” Het was een lange dag, inmiddels is het 10 uur ’s avonds, dus ik hou die optie open. Tot ik in de hal naar het raam kijk. Het folie zit er keurig op, het lijkt alleen net van dat bruine verhuisdozen-tape. Geen gezicht. Het is niet doorschijnend, het maakt vooral het panorama-uitzicht smaller. Rats-rats, het folie is er sneller af dan dat het erop zat. We geven niet zo snel op, een ander, grijs folie wordt besteld.

Afijn, dat folie arriveert. Ziet er goed uit. Gijs en Casper gaan ermee aan de slag. Gijs had al een mal gemaakt van een dunne plaat hout om mooi langs te kunnen snijden. Als het folie op die manier is afgesneden, wordt het met een hoop geklieder met een zeep en water mengsel op de ruit aangebracht. De volgende dag blijkt dat het niet mooi genoeg is opgedroogd, tenminste: Gijs is niet tevreden. Gefrustreerd rukt hij ook deze folie eraf. In ben bang dat hij het voor gezien houdt.

Gelukkig is er genoeg folie over, we proberen het nog één keer. Nu aan de binnenzijde van het raam. In plaats van de bult fabriceren we nu een kulekie in de kussens waar de ruit in komt te liggen. Gijs pakt wederom de plantenspuit en kliedert de boel goed nat. Samen frutten we net zo lang met het folie tot het goed gepositioneerd is waarna Gijs met een rakel (een zacht soort raamwissertje) het overtollige vocht eronder uit wist. De nu holle kromming van de ruit maakt het lastig, het folie trekt steeds strak en blijft zodoende niet plakken in de holte. Ik haal mijn föhntje. Als het folie verwarmd wordt is het makkelijker in vorm te drukken. Het gaat langzaam, maar het lijkt er goed uit te zien. Wat mij betreft in elk geval. En zo niet dan toch. We laten de ruit een extra dag rusten en drogen.

Het moment is daar, het glas moet weer op zijn plek gezet worden. Voorzichtig dragen Gijs en Casper de ruit van de hal waar de operatie plaatsvond naar onze eigen box. Ik bekijk het met angstige ogen. Doodeng. Gelukkig gaat het allemaal goed waarna het getob, met het nieuwe bovenste rubber en de boel op zijn plaats drukken, begint. Met vereende krachten schuiven we het glas steeds een beetje verder omhoog in het rubber en plooien we dat profiel om de bovendorpel. In de hoeken blijft het wijken, we hopen dat dat een kwestie van settelen is. Casper en ik houden de ruit op zijn plaats, Gijs wurmt strategische balkjes eronder om het glas op zijn plek te houden.

Dan moet er een soort voegpasta onder gefrut worden, letterlijk. Een soort stopverfachtige substantie, strip-calk, in dunne reepjes dat je als een soort kneedgum tussen het glas en de sponning duwt. De volgende dag komt Gijs’ broer helpen om de onderste beugel, eveneens in de verse antiroest, en het onder-rubber te plaatsen. Sjonge, ik dacht dat de Dyane-voorruit ingewikkeld was, maar dit is echt een gebed zonder end.

Ten langen leste zit de boel op zijn plek en vast. De motorkap kan er weer op en de ruitenwissers worden terug op hun asjes bevestigd. De achteruitkijkspiegel moest er noodgedwongen af, deze wordt eveneens op zijn plek geplakt. Met een rondje door het oude land en de Zuiderzeedijk, met foto’s door het raam en uit het dak, ronden we deze operatie af.

Al met al zijn we wel 1,30 Franse francs rijker geworden, muntjes die ooit in de jaren 80 van het dashboard gegleden zijn.

Wordt vervolgd vrees ik, de lijst is nog lang.


“Ik ga pas weer met de snoek op vakantie als er een open dak in zit,” zei ik na de junivakantie vorig jaar. Tegen mijn verwachting in heeft Gijs die handschoen opgepikt en is dit voorjaar op snor gegaan naar een schuif- of vouwdak. En laat hij via de DS/ID club nu iemand gevonden hebben die Twingo-vouwdaken in snoeken installeert. Daar sta ik dan met mijn uitdaging, ik (of de snoek?) zal eraan moeten geloven. De beste man woont uiteraard níet in de buurt maar in Limburg. Vooruit, het is mooi weer, niet zeuren, we gaan een weekendje kamperen.

Hoe vaak zeggen we niet: als we naar het zuiden willen, kunnen we beter de Afsluitdijk of Markerwaarddijk nemen. Waarom zijn we dan wéér eigenwijs en nemen we toch de gewone route? Ook dit keer blijkt het namelijk een oefening in geduld te zijn. Veel geduld. Over de hele 270 kilometer, van de A10 tot en met de A2 stuiten we op files. De bijbehorende wegwerkzaamheden zien we nergens, we zitten slechts te koken in de auto. Want het is warm, heel warm. Uiteindelijk arriveren we pas na ruim vier uur rijden bij minicamping Het Fruitweike. Het sanitair-blok is gauw gevonden, er zijn nou eenmaal prioriteiten.

Marc, de eigenaar, begroet ons vriendelijk met Limburgse tongval. We mogen kiezen uit de tentplekken, uiteraard pakken we de grootste onder de kersenbomen. Gijs gaat de auto halen, als een koning komt hij over de camping aangezweefd. De campingbaas vindt het fantastisch. We komen aan de praat over de dak-operatie van morgen, een gewonnen pétanque wedstrijd in jonge jaren en alles wat er meer aan bod komt. Je bent zo een halfuur verder en er zit nog geen haring in de grond. Ik rol zo langzamerhand om van de honger.

We zijn intussen geroutineerd, het is een kwestie van doordouwen met verstand op nul om de tent op te zetten en in te richten. Gijs warmt de pittige kerriesoep van gisteren op, verrukkelijk met de veggie spekkies en stokbroodjes. Het pannetje wordt nog net niet door me uitgelikt. Wat waren we eraan toe.
Inmiddels slaat een verre klok 9 uur, ik was de bakjes en het pannetje snel af. Daarna nestel ik me op mijn stoel, pootjes omhoog en de Wijzer, die net voor vertrek door de postbode werd overhandigd, bij de hand. Ons andere beessie prijkt vrolijk op de cover.

Het Fruitweike ligt in het buurtschap Oensel, bij Schimmert. Achter ons liggen maisvelden en akkers met suikerbieten waar de caravan- en camperplaatsen mooi op uitkijken, wij staan in de luwte achter een heggetje. De doorgaande weg van Oensel loopt langs de camping, de hele dag tot in de late avond rijdt het landbouwverkeer hierlangs. Ik slaap evengoed als een roos.

Na een rustig ontbijtje gaat Gijs richting Sittard en blijf ik met Ravi achter op de camping. Mijn voorgaande blog wil ik afmaken en de wifi werkt hier perfect. De kippies scharrelen om de tent, een mega Brahma-haan kukelt zich schor en Ravi houdt vanonder de tafel de wacht.

Tussen de middag wandelen we een klein rondje. Terug naar de tent lopend, bots ik zowat tegen het campingbusje aan, ik lach me suf. Want niet alleen wist ik dat dit een kinderloze “adults only camping” zou zijn, het kan nog erger. Het is een “50+ camping.” Ik lig in een deuk, ik wist niet dat die bestonden.

Dan ontvang ik de eerste foto. Het dak is eraf. Geen weg terug… spannend hoor. ‘s Middags appt Gijs dat het klaar is en hij terug komt. Een halfuurtje later komt hij enthousiast aangelopen. “Met 100 over de snelweg, dak open, geen geklapper of lawaai!” Da’s mooi.

Als we samen naar de auto op de parkeerplaats lopen vertelt Gijs intussen over zijn wederwaardigheden. Dat ze eerst een uur bij de koffie hebben zitten babbelen. Leo heeft genoeg te vertellen over alle daken die hij heeft geïnstalleerd en hij doet dat dan ook uitgebreid.

Tijd om aan het werk te gaan. Met een mal wordt precies afgetekend waar geboord en gezaagd gaat worden en dan is het moment daar: geen weg terug. Het gaat allemaal van een stoffen dakje. Onderwijl worden er tips uitgewisseld over ontvettings- en smeermiddelen, Michelin- of andere banden en zo meer. Gijs krijgt instructie over het bedieningsmechanisme, supersimpel, dat snap ík zelfs.

Gijs is dus blij maar of ik dat ook ben blijft natuurlijk te bewijzen over. We gaan een proefritje maken. “Kijk, ik kan uit het dak fotograferen.” “Heerlijk, een beetje wind om mijn hoofd zonder kabaal, niet dat geloei om mijn oren van de open ramen.” “Oh, wat is dit leuk!” Geweldig, ik ben overtuigd. Voor Ravi kunnen we het dak desnoods iets verder dichtdoen zodat hij in de schaduw zit, zonder dat dat voor ons afdoet aan de cabrio-beleving.

Wat avondeten betreft hebben we een makkie, pannenkoekrestaurant De Binnenplaets ligt op 200 meter van de camping, letterlijk om de hoek. Met een kinderpannenkoek ben ik dik tevreden, ik laat meestal toch de helft staan. Terug bij de tent begint het te spetten. Je wordt er precies niet nat van, de grote voorspelde buien vallen elders. Het waait af en toe wel hard, we zitten knus binnen met de deur open.

Zondag staan we laat op en breken op ons dooie akkertje de boel op. Op de terugreis, via België om te tanken en Vleuten om bij dochterlief een bakkie te doen, komen we voor de Wijkertunnel in een stortbui terecht. Bij een klein buitje kan het dak op een kier open blijven, bij deze zondvloed doen we hem toch maar dicht. Heel gemakkelijk kan dat gewoon onder het rijden. Bij thuiskomst drupt het enkel wat na. De snoek wordt met een ventilator in haar hok gezet om te drogen, de paar spulletjes en kussens zijn snel uit de kar gehaald.

Ja, het open dak heeft zelfs beter uitgepakt dan we hadden durven hopen. Het was de gok meer dan waard. En weet je? Het was ook gewoon lekker een weekendje weg!


Jullie hebben vast al door dat we allang weer thuis zijn. In deze laatste editie doe ik verslag van de driedaagse terugrit…

Dag 1

Het overkomt ons vaker: regen in de nacht voor vertrek. We zijn vroeg wakker, het drupt nog steeds… Alles wordt er heerlijk smerig van. Voordeel: het is iets koeler. We pakken het zooitje rammedebam kleddernat in, zondag zetten we de tent in de tuin wel weer op. Issie zo droog.

Twee keer slaat de klok negen keer als we de lichtjes-check doen. Allez-óu! Bij Bollène zijn de meeste rotondes versierd met fietsen; gele, groene en rood-witte bolletjesframes knallen tussen de lavendel. De Tour zal er binnenkort vast passeren*. Het is wat bewolkt, fijn voor de variatie. We rijden een stuk langs de Eygues, een glashelder stroompje dat in de loop van millennia deze kloof heeft uitgesleten.

Route du Gap wordt de Route des Alpes. “Sneeuwkettingen verplicht,” ik moet er altijd om grinniken. De brem aan weerszijden leidt ons slingerend van de ene berg naar de andere, een schitterende weg in alle opzichten. Bij Col de la Croix Haute (1179 m) houden we een stopje voor de lunch en bij Lalley zetten we de wagen aan de kant om te proberen de vergezichten vast te leggen.

Langzamerhand nemen hortensia’s de plaats in van de oleanders, de druiven hebben het veld geruimd voor mais. Een glorieus brok graniet, de Mont Aiguille, houden we een hele poos in het vizier.

Langzaamaan naderen we Grenoble. “Voordat we op de snelweg zijn, wil ik het dak dicht doen.” Jahaaa. Nee dus. Plots zitten we op die gevreesde snelweg. “Ik stop wel bij een aire…”

Uiteraard, zoals deze hele vakantie, de wind, heel hárde wind recht in het gezicht. Wat een kabaal! Het voorraam klappert, het bloemetjesgordijn flappert en het plastic om de waterflessen op de hoedenplank fladdert nog veel harder. Het is loeidruk op de koop toe, verkeer voegt in en uit op de 1001 op- en afritten. Ik sta doodsangsten uit, dit is echt niet grappig. En nergens een aire te vinden. We denderen ineengeklemd tussen de vrachtwagens, langs (of door?) Grenoble tot we bij de bekende afslag Voreppe komen. Hèhè, hier kunnen we eindelijk een zwieper maken en stoppen om het dak dicht te doen. Ik heb er koppijn van gekregen, van de spanning, het lawaai, de hitte. Door de voorstad Voreppe voert de weg ons naar de volgende voorstad Voiron waar alleen de kerk het fotograferen waard is, omdat we toevallig bij een stoplicht staan.

Eenmaal daaruit verlost rijden we snel weer op het niet zo platte platteland. We beginnen het zat te worden, houden nog een klein stopje voor een suikershot van icetea en merengue voor we door karren. Kwart over 5, we zijn er, Mercure Bourg-en-Bresse. We zijn kapot. De hond ook.

Dag 2

En route encore! De dag begint zonnig en een beetje heiig, het dak kan veilig open. We volgen de Bis-route die we vorig jaar ook namen. Toen zag ik wel bordjes Vignobles de Jura, maar de wijnvelden vielen me niet op. Nu zie ik ze, smaragdgroene lappen tegen de heuvelwand gedrapeerd.

Vanaf het koffiepauzetje bij Polligny zijn we al bijna drie uur aan één stuk onderweg, het wordt tijd voor lunch. Nergens een fatsoenlijk stopplekje te vinden, net als op de snelweg bij Grenoble. Uit pure arremoe duiken we een willekeurig afslagje in. Letterlijk, het gaat gelijk met 10% naar beneden. Oei, dat moeten we dadelijk terug omhoog? Eindelijk vinden we bij Fougerolles-le-Chateau een stuk asfalt dat we ondanks het gatenkaaswegdek tot picknickplek bombarderen. Moeizaam kreukel ik me de auto uit, ik snak naar koffie en een broodje. Tom heeft intussen tijd om de route bij te werken.

Gevoederd en gelaafd stuiteren we naar boven, staan dan recht voor een oud pand, “École du Chateau”. Een gietijzeren wegwijzer van voor de oorlog staat er wat steels voor. Achter een volgende bocht staat een geel-witte borne (kilometerpaal) met D83 te pronken voor knalblauwe hortensia’s.

Een paar honderd meter verder zijn we terug op de N57. Een hoge rood-witte borne vertelt ons dat we hier de grens tussen Franche-Comté en Lorraine passeren. Even later zien we het fameuze bord “Ligne partage des eaux” oftewel, de scheiding der wateren. Vanaf nu stromen alle rivieren naar de Noordzee/Atlantische Oceaan. Helaas heb ik die mooie plaatjes niet kunnen fotograferen, ik heb ze al schrijvend in mijn geheugen geprent.

Bij de bekende Ibis in Metz heb ik een grotere kamer geboekt, er is zelfs een waterkoker en koffiemachine. Eten doen we vanavond in het restaurant. We schuiven net vóór twee busgroepen aan tafel, zij met z’n allen in het restaurant, wij op het terras. We zitten hier best.

Dag 3

De laatste dag van is altijd de langste, vervelendste rit. Dag rozen, dag bijtjes, dag koe!

Ergens in België stoppen we een kwartiertje voor koffie voor we verder racen. We kunnen in Sprimont wel stoppen om te tanken en wat te eten maar bij de pomp is het te druk. We gaan door. We karren door de tunnels bij Luik, het door Tom beloofde tankstation komt echter niet dichterbij. Pas bij Echt-Susteren stoppen we eindelijk. Zijn we gelijk 2 kwartjes per liter meer kwijt aan de benzine, jammer dan. We nemen ons verlies.

Eindelijk rust. Een schone wc, hoe blij kun je daarmee zijn. Pas na twee bakken koffie en de restjes van de boulangerie word ik in het briesje weer ‘n beetje mens. Er staat een blauw-witte Fordbus uit 1975 die helaas van alles schijnt te mankeren, zonde van zo’n leuk ding.

De gebruikelijke files staan rond Eindhoven en Den Bosch. Bij Veldhoven kiezen we het alternatief van Tom zodat we de hele file rechts kunnen inhalen. Die van 11 kilometer rond Den Bosch kunnen we helaas minder goed ontwijken, er is geen ont- of doorkomen aan. Tja, this is Holland.
We nemen voor de verandering de A9, nu eens niet die saaaaaie A7. Tegen vijven zijn we thuis, waar de mereltjes fluiten, het gras bij thuiskomst keurig is gemaaid en de zon schijnt. Zo nemen we afscheid van deze Tour de France, we hebben ervan genoten. Tot de volgende keer, het lijstje is nog lang!

Totaal hebben we 4068 kilometer afgelegd in 3 weken volgens het tankbonnetje bij vertrek en de km-stand bij thuiskomst.


*) Thuis kom ik erachter dat Bollène de startplaats is van de etappe op 23 juli.

“We hebben nog een week om thuis te komen,” ik zei het al. De vraag is alleen, hoe gaan we die week invullen? In twee dagen bijvoorbeeld naar Poitiers, en van daaruit ook in minimaal twee dagen terug naar huis, over Parijs? Daar hebben we geen zin in. De Alpen dan, Entrevaux staat bijvoorbeeld op mijn lijstje, maar daarvandaan hebben we zeker drie dagen nodig om thuis te komen en hebben we er te weinig tijd om de omgeving te bekijken. Ik hak de knoop door. In één dag, via de péage, naar Goudargues. Hebben we vier nachtjes in een bekende omgeving die we leuk blijven vinden om bij te komen van alle indrukken die we in de Pyreneeën hebben opgedaan. Vanuit Goudargues kunnen we vervolgens met een oostelijke route in drie dagen terug naar boven rijden. Het klinkt als een plan.

Na een laatste bakkie bij de buren kachelen we om half 10 het terrein af. In no time zitten we op de snelweg.

Van de Côtes de Rousillon naar de Côtes du Rhône. De A9 is vrij rustig, we karren goed door. Dat zwarte asfalt voelt heet, pas op de stops koelen we in de schaduw met veel wind lekker af. Niet lachen: deze air-d’eau werkt perfect. De cigales verzorgen een oorverdovend koffieconcert in de dennen.

Geel gras is voor een hond zoiets als gele sneeuw voor ons. Beter niet eten. We zijn zeker een kwartier bezig alle grasaren, klitjes en strootjes uit Ravi’s pootjes te verwijderen. Hond op tafel, kam en borstel erbij, Gijs de ene kant, ik de andere. Drama.

Vlak vóór Avignon nemen we de afslag en met een rechtstreekse, slingerende weg rijden we naar ‘huis’. Die verrotte DS staat nog steeds ‘sans son jus’ op het roje vrachtwagentje. Die jus is zo langzamerhand wel verdampt.

De tent en toebehoren zijn snel weer opgezet; het is broeierig met een waarschuwing voor onweersbuien. We wachten het af, eerst eten bij Café de France op “ons” terras.

Oja, dat onweer en die regen? Er gebeurt natuurlijk niks, al zorgt de hoge luchtvochtigheid voor een plakkerige, drukkende avond. De ventilator doet ’s nachts dienst in de tent.

Na een redelijk koele doch klamme nacht heeft Gijs de volgende morgen veel werk met het fatsoeneren van Ravi, die daarna direct zijn kop in het zwarte zand steekt en zain koil dieper uitgraaft. Tussen de middag loop ik met het beest een bekend rondje door het dorp, langs de wasplaats, de oleanders en een joekel van een paarse hibiscus. Verder doen we zo min mogelijk. Begin van de avond, 35°C. Het rommelt in de verte, de wind trekt wat aan. Met droog gekraak knapt er een boom aan de Cèze-oever. Wederom dreigt er onweer maar de zon is sterker. Net als gisteren lost het op in blauw. Al het blauw van de hemel.

Na lang speuren ontdekt Gijs wat het irritante rammeltje is waar we al de hele reis last van hebben. Het blijkt de linker voorschokbreker te zijn die twee van de drie bouten kwijt is. Niet zo gek na zo’n 2800 kilometer waarvan het merendeel over rammelweggetjes. Gijs monteert een bout uit de rechter- in de linker schokbreker, zo zitten ze in elk geval allebei twee om twee vast. Het “mannetje” van de garage achter de camping is met vakantie, de garage aan het begin van het dorp heeft de bouten niet op voorraad. De dichtstbijzijnde garage zit net voorbij Barjac in Saint-Jean-de-Maruéjols-et-Avéjan. Ik puzzel me steeds suf op die lange plaatsnamen, zo komisch. 

Zoals Cruchot (Louis de Funès) in de eend bij Zuster Clothilde, zo hang ik in de touwen als Gijs door de heuvels scheurt; lavendelveld rechts, wijngaard links, racen om op tijd bij de garage te zijn voor deze klokslag 12 uur dicht gaat voor de lunch. Helaas heeft ook deze garagist de benodigde doch ongebruikelijke M9 bouten niet in zijn rommelbak liggen, maar hij denkt wel dat we Nederland halen zoals het nu vast zit. Ik fotografeer intussen het craquelé van de koplamp van het gebutste eendje dat er staat.

Woensdag marktdag. Dit is een fatsoenlijke toeristenmarkt waar we enkel een meloentje kopen. We hebben meer dan genoeg souvenirzooi. Na de lunch peuter ik eindelijk de meegesjouwde bikini uit de krochten van het karretje en ga ik naar het zwembadje van ongeveer 10×7 meter. Het water is door de blakerende zon opgewarmd tot 30°C volgens het thermometertje. Ik zwem een paar rondjes onder toeziend oog van Michaël (links) en Maria (rechts). In de draak aan Michaëls voeten heeft een duivenpaar zijn nest met piepende jonkies. Veiliger kan niet. Een zwaluwtje scheert rakelings langs m’n hoofd over het water, andere voeren een schaduwballet met de grote klok in de klokkentoren. Een uurtje. Dan komt de club “ons-kent-onsers” en wordt ’t me te gezellig.

De laatste dag houden we ons gemak. Nog een keertje zwemmen, een laatste keer bij Café de France eten voor we morgen opbreken en ons opmaken voor de driedaagse terugreis.

Wordt nog éénmaal vervolgd…


 

Om eens niet met de auto erop uit te gaan, plannen we een rondvaartje vanuit Argelès-sur-Mer. De zon brandt gaten in het marmeren wegdek van de boulevard. We kopen bij de stalletjes langs de boulevard vast kaartjes voor de boot, ja, de hond mag ook mee. Nu hebben tijd over. “Als we nu eens gingen lunchen met pannenkoeken?” Crèpes en cidre brut, dat is toch vakantie?

In het rode bootje doen we als eerste Collioure aan. Een vrolijke bemanning vertelt van alles wat ik snel vergeet. Iets over het bijzondere witte open gebouwtje waar de beeldend kunstenaars die naar Collioure kwamen hun “salon” (tentoonstelling) inrichten, iets over het fort. Zwaluwtjes bakkeleien met de meeuwen rond de torens, de terrassen zitten vol dagjesmensen.

Het cruiseschip “The World” waar we langsvaren, is blijkbaar een bekend fenomeen waar je geen hut boekt. Die koop je gewoon. Als appartement. Of een hele verdieping. We praten hier over miljoenen, vertelt de gids op ons malle bootje. Verschil moet er wezen.

Op volle zee gaan we op de foto met hond en al in de captains cabin. Kijk vooral naar dat hoofd van de beste man. Port Vendres is een natuurlijke haven op de grens met Spanje, zoveel begrijp ik uit het verhaal. De gids vertelt nog meer. Geen idee meer wat, iets met explosievenfabriek, iets over de containertrawler die nu uitgeladen wordt met bananen uit Afrika en de douane die het hier maar druk heeft. We zijn gaargestoofd als klontjes boter als we in Argelès van boord stappen.

Met de Train Jaune, het gele toeristendieseltje, doen we de volgende dag een retourtje Villefranche-de-Conflent <> Font-Romeu-Odeillo-Via. Zo, da’s een mond vol. De namen klinken toch nèt iets anders dan ‘Naarden-Bussum’ of ‘Purmerend-Overwhere’. In Villefranche hebben we wat tijd over om rond te wandelen. Kopen Bunyettes Catalanes, heerlijke platbroden als vette snacks met tomaat/basilicum of met suiker. We snoepen er de hele middag van.

De heenrit zitten we binnen. De trein zit vol Fransen, wij zijn de enige buitenlanders. Tunnels en bruggen worden door een jongetje dat met Papy et Mamie op pad is en met zijn hoofd uit het raam hangt, luidkeels aangekondigd. “Tunnèl, tunnèl! Pont! Pont!” Zijn guitig smoeltje met roetvegen op de wangen glundert van pret. Op onmogelijk kleine stationnetjes stoppen we af en toe om een tegemoetkomende boemel te laten passeren.

Eenmaal aangekomen bij Font Romeu op ruim 1500 meter hebben we een uurtje rust om frisse lucht te snuiven. Heerlijk is het hierboven, relatief ‘koel’. We lopen richting van de Grand Four Solaire, een grote ‘zonneoven’ van spiegels die iets doen met de zonnewarmte. We zien niet veel van het bouwsel en hebben tijd noch zin om het nader te onderzoeken. Op de terugweg zitten we in het open compartiment, een ander soort oven, waar we levend verbranden maar genieten van de uitzichten.

Terugrijdend naar Palau stuiten we op een doodkalm uit de berm grazend paard. Bij de tent probeer ik af te koelen met mijn hoeven in een koudwaterbad, ik kóók! Daar zitten we dan met onze truien, vesten, dikke sokken en elektrische dekens… Een ventilator was handiger geweest.

Na deze avonturen houden we een rustdag. De ‘markt’ in Palau telt twee kramen, daar zijn we snel mee klaar. Wel loop ik een grote glasblazerij/-winkel binnen. Als ik toch ‘ns rijk was… De kleine zomerdromenbol staat nu naast me in de vensterbank te glinsteren.

We doen koffie op een terrasje, halen lekkers en brood bij ’n bakkertje en lopen campingwaarts. Met de schone was aan de lijn hoef ik vandaag niks meer. Tijd voor het dikste boek dat ooit een Dyanevakantie meegemaakt heeft…

Oké, we zijn uitgerust, wat staat er nu op de planning? Je kunt niet naar de Pyreneeën zonder een kasteel te bezoeken. De dichtstbijzijnde is Quéribus, één van de Katharenburchten. We volgen grotendeels het spoortraject van le petit train rouge, het rode treintje dat zich door Katharenland, de Pays Cathares et Fenouillède, slingert. Met de auto komen we tot aan de voet van het kasteel, verder zullen we moeten lopen.

Ik trek mijn wandelschoenen aan: ik zie dat paadje, dat ga ik vanzelangzalzeleven niet op mijn teenslippers redden. Zeker niet in deze bloedhitte. Mijn god, waar beginnen we aan. Hoe zou het komen dat het zo rustig is hier? Haha. Trap na trap, trede voor trede hijs ik mezelf langs de muurtjes en de touwleuning naar boven. Omhoog! Omhoog! Kanonnepietje, zulk zweten. Leve mijn hoed! Ook ik kom er, met een wenteltrap tot bovenop de donjon waar een vriendelijke mijnheer een foto ter bewijs van ons maakt.

Bij ieder schaduwplekje drinken we. Water, veel water, vooral voor Ravi die niet weet waar hij het zoeken moet. De gladgesleten granieten stenen van de trappen schroeien zijn voetzooltjes.

Als we na afloop tussen de wijngaarden van Mas Amiel door kronkelen, schrikt de Garmin (ons hoogte- en temperatuur gadgetje) zich helemaal rot. 37°C? Jup, echt 37°C. De cigales lachen iedereen uit vanuit hun koele schaduwplekje in de bomen.

Op de camping is het al even warm. Gijs is van z’n geloof gevallen en ik verklaar hem voor gek: hij koopt een ventilator. Heerlijk. Hoe we ‘m gaan meekrijgen is van later zorg… ’s Avonds gaan we voor het gemak terug naar Argelès voor de crèpes. Met een ijs toe.

Deze camping is overigens heel modern met automatische elektronische slagboom. Nadeel van een oldtimertje met blauwe kentekenplaat? De slagboom herkent hem niet en gaat niet open. Voordeel van dat oldtimertje? Je kunt er omheen slalommen.

Mijn collega Els van de redactie van het 2CV Clubblad is inmiddels gearriveerd. We doen een fotoshoot van ons tweeën in de kofferbak en zetten de Dyane onder een grote oleander voor de coverfoto. De rest van de dag lummelen we rond de tent. Beetje scharrelen, beetje pakken. Voor de fan zitten en lezen.

Ons laatste avondmaal hier vieren we samen met Els en Lon in het campingrestaurant. Morgen schuiven we vast een stukje op naar het noorden, we hebben nog een week om thuis te komen.

Wordt vervolgd…


PS: de rechterfoto van de Four Solaire d’Odeillo heb ik ‘geleend’ van mijn collega Els die er een paar dagen later met de auto langs reed en de zonneoven van bovenaf, met enig inzoomen, goed kon bekijken.

Uiteraard valt er een onweersbuitje, luttele uren voor vertrek. Evengoed hebben we de tent droog binnen, klaar voor de lange reis naar de voet van de Pyreneeën. 

De eerste reisdag voert ons onder andere door Lapalisse, een stadje dat bij oldtimerfanaten bekend staat om zijn tweejaarlijkse file, de Emboutaillage de Lapalisse waar de Zwarte Zaterdag van de jaren ’50-’70 wordt nagespeeld.

We lunchen in vulkanenland. Na Volvic kruipen we gewoon op de drukke D943 in zijn 2… ehhh, was het maar waar. Er wordt teruggeschakeld, dus stapvoets in zijn 1 kruipen we de lange berg op tot Col de Nugère, 875 meter.

We hebben de Mont Dore (of een andere, wat weet ik er nou van) lange tijd recht voor ons. In de Cantal mogen de sneeuwkettingen om. Laten we die nou net niet meehebben. Het is een geweldige rit, de lage bewolking geeft het uitzicht meer diepte, een schouwspel waar ik geen genoeg van kan krijgen. Gijs werkt zich intussen in het zweet, koud is het met 32°C niet.

Het hotel in Aurillac waar we overnachten is niet veel bijzonders. Wij vinden het allang best, zijn allemaal afgeknoedeld. Door het slingeren heb ik niet veel kunnen schrijven, de foto’s vertellen dit keer het verhaal van de vele indrukken.

Tijdens het ontbijt komt de regen met bakken uit lucht. In de auto is het is klam en kil, de ruitenwissers doen hun best. Bij de Decathlon staan de demo-tenten buiten in de blubber opgesteld.

Als het niet meer regent, rijden we in een schimmig sfeertje door sprookjeswonderland, de Vallée en de Gorges du Lot. Entraygues-sur-Truyère bestaat uit fantasy huisjes, hekken met een leien pannendakje boven de poort. Mistige flarden stomen uit het woud van Entraygues.

Vervolgens dalen we van 800 naar 200 meter, de temperatuur stijgt omgekeerd evenredig. Bij Estaing, net zo’n Eftelingdorp, steken we de Lot een paar keer over. Dit gebied onthouden we voor een volgende vakantie.

Kedeng-e-deng, kedeng-e-deng. We kruisen bij Millau tientallen spoorlijntjes die al jaren geleden zijn opgeheven. De rails roesten nutteloos in het hoge gras, de slagbomen staan uit het lood of liggen op de grond.

“We gingen naar Millau om de brug te zien,
we zagen het beroemde ding.
In nevelen gehuld,
maar we hebben ‘m gezien.”

Kijk, daar heb je die dekselse Nijhoff weer. We zwaaien de brug gedag en begeven ons verder zuidwaarts. Tussen de rotswanden door bereiken we de hoogvlakten en pakken hier de A75. Nevel en mist maken plaats voor de alomtegenwoordige brem. Op een aire met een belvédère stoppen we. Het beloofde uitzicht wordt belemmerd door hoge hekwerken; de foto’s zijn op goed geluk tussen de mazen door gekiekt.

Helaas is de rest van de route ontgoochelend. Met de wind vol in de flank gaat het voornamelijk door laagland, langs bedrijven- en industriegebieden. Naja, ik dramatiseer natuurlijk, er zijn ook dorpjes en plataanlaantjes. Maar niet veel.

Dan rijden we ineens dwars door Narbonne waar we vijf ogen nodig hebben om er heelhuids doorheen te kruisen. Twee ogen op de weg, twee op de andere weggebruikers en oja, ook een oogje houden op Tom. Het gaat. Maar niet van harte, we zijn het zat. Voor het laatste stuk pakken we de tolweg. Makkelijker gezegd dan gereden, die péage! Hier zijn harde rukwinden, we worden van links naar rechts geschud. Het is gelukkig niet al te druk.

Aan het eind van de middag bereiken we Camping Harras in Palau del Vidre. We waren van tevoren gelukkig gewaarschuwd niet eerder te komen want de campeurs en filmploeg van het tv-programma “We zijn er bijna!” hebben gisteren pas de camping verlaten. Nu kunnen we “rustig” ons tentje opzetten. Wij vinden de camping nog steeds vrij vol, we staan tussen een Engelse en een Franse caravan-enclave in en iedereen heeft een elektrische of hybride auto lijkt wel. Komen wij aan met ons herriebeessie. Dat overigens op voldoende belangstelling kan rekenen van alle nationaliteiten.

Even doorrossen, een plakkerig, zweterig klusje. Een klein uur later staat de tent en schuiven we in het restaurant aan het vaderdagdiner. Voor vegetariërs staat er werkelijk niets op de kaart, voor mij kunnen ze “chachouka” maken. De dame moet het 10x herhalen voor ik snap dat ze shakshuka bedoelt. Lekkere ratatouille, de aubergine boterzacht, met kaas en 2 eitjes. Als dessert krijgt Gijs abrikozencrumble met lavendelijs, met 2 lepeltjes. Belachelijk lekker dit.

De dagen erop doen we het rustig aan. Wat boodschappen doen, veel lezen in de schaduw, een keer de hond borstelen. Niet dat dat zin heeft: 5 minuten later graaft hij weer naar een koel plekje op de bosgrond. In de schemering horen we een gerucht in de bomen boven ons. Twee rode eekhoorns zitten elkaar achterna, hupsen met gemak van tak naar tak, zwiepend en zwaaiend.

Ik verbaas me over de oleanders, op de camping en langs de weg. Zoveel hoger en voller dan we ze kennen uit de Côte d’Azur of Ardèche. De auto’s op de camping die er toevallig onder geparkeerd staan, zijn de volgende ochtend in bruidstooi gehuld. Schattig.

Wordt vervolgd…


Bij Amsterdam is het opgehouden met zachtjes regenen. Mensenlief wat een wolkbreuk, Dyaantje en Gijs moeten hard werken. Wind, veel wind, pal tegen.

Martinus Nijhoff heeft veel op zijn geweten. Telkens als we de nieuwe Maasbrug naderen, denk ik aan die twee overzijden die elkaar leken te mijden en toch buren werden.

Verder gaat de reis, van snelweg naar snelweg, door de tunnels bij Luik die Goog en Tom nog steeds niet aangeven. We rijden via Arlon want in Luxemburg zijn de files dramatisch zo te zien en dit is een aardige route. Denk alleen niet dat je een tankstation tegenkomt. We duiken de snelweg af: de 40 liter benzine plus de 5 liter uit het tankje in de kofferbak beginnen nu wel op te raken na die steile heuvels met snoeiharde tegenwind. In Longlaville, een grensstadje, ligt een aantal benzinestations achter elkaar. We tanken spotgoedkoop (€1,56 voor E98) en als we op het bonnetje kijken zien we dat we in Luxemburg getankt hebben. Vreemd, we dachten al in Frankrijk te zitten. Hierna arriveren we met een malle omweg al om 5 uur in Metz bij ons vertrouwde hotelletje. Hallo koe…

…dag koe. Tussen Verdun en Bar-le-Duc volgen we een poos de Voie Sacrée, D1916. In WO I was Verdun aan drie kanten belegerd door de Duitsers waardoor deze weg de belangrijkste aanvoerroute voor de Fransen werd om munitie en goederen naar het slagveld te vervoeren. Na de oorlog kreeg deze route de naam “Voie Sacrée”, gewijde weg. In Bar-le-Duc klimmen we al slingerend vanaf de Maas tot bijna 300 meter. Mooie stad om te bezoeken denk ik, maar we willen dóór.

Eenmaal op de Route Touristique de Champagne zetten we de rit voort door Polisot, Polisey en Les Riceys, enkel omdat ik dat zulke karakteristieke dorpjes vind. Zodra we de Champagnestreek uit zijn, heet de weg ineens Route de Crémant, want ja, buiten de Champagne mag dezelfde wijn ineens geen Champagne meer heten. Ook al staan de stokken zij aan zij met de dure variant op dezelfde helling. Rare Gallois.

De auto houdt zich goed, al rammelt zo langzamerhand alles los door het knip- en plakwerk op het wegdek. Overal langs de wegen zien we borden met “trous en formation”, gaten in de weg. Goh, zou je denken?

Bij een stopplek turen we minutenlang naar een paar wouwen, rode of zwarte, daar wil ik vanaf zijn, die zonder één enkele vleugelslag op de thermiek hoger en hoger tot in de wolken schroeven. Wauw.

Onze eerste standplaats is Camping les Deux Rivières in La-Celle-en-Morvan. Een oude bekende. We bezetten een reusachtige plek naast het beekje, hier kunnen we de komende tijd bijkomen van de 800-nogwat kilometer in 2 x 8 uur.

De eerste dagen is het ’s nachts best fris, we zijn blij met de vesten en elektrische dekens. Zelfs het kacheltje gaat de eerste nacht aan, tegen het opkruipende vocht. Weten wij veel dat zowel de dikke vesten als de elektrische dekens en het kacheltje de rest van de vakantie alleen maar in de weg zullen liggen…

We maken om te beginnen een uitstapje naar Les Rochers du Carnaval waar we in 2020 ook waren. Feestende stenen, wat een naam voor een stel lompe rotsblokken. In dat bemoste bos, aan de rand van een vallei met weids uitzicht en tussen manshoge varens zijn de paadjes een avontuur in het klein.

Ik heb vaak gedacht dat ik een goede spiegelreflexcamera zou willen hebben, in plaats alleen met mijn mobiel foto’s te maken. Maar nee, je moet mij geen goede camera geven. Het risico is groot dat ik dan tijdens de rit elke 5 minuten wil stoppen voor het volgende fotogenieke beeld. Bijvoorbeeld in Laizy, het robuuste kerkje met een enkel rond glas-in-lood venster, glanzend tussen de klaprozen en margrietjes, een simpele korenbloem knalt er blauw tussendoor.

Koeien schuilen op een kluitje in de schaduw onder een eenzame boom in het veld. Bij alle huizen staan rozen, rozen en nog meer rozen, hoog tegen de muren of borderranden. Dubbeldikke rode en roze pioenen als uitbundige boeketten. Zoveel kleur.

Een baltsende fazant pronkt met zijn wapperende vleugels in de berm. In het struikgewas zal wel een onzichtbaar vrouwtje zitten. Met grand jetés zweeft een hert de weg over, verdwijnt als een fata morgana in het dicht-groene woud. Uit de gebarsten stam van een grijze boom macrameeën zijn dode takken zich de hemel in.

Laat in de avond komt de maan als kolossale oranje lampion langzaam tussen de nevelslierten omhoog. De lucht kleurt donkerviolet. Welterusten.

Na een zeer rustige lees-dag, wil ik iets ondernemen. Zoals gebruikelijk op het heetst van de dag (inmiddels zo’n 30°C) toeren we naar Bibracte, een andere bekende trekpleister. Bibracte ligt op een hoge heuvel in een oeroud beukenbos, waar we met de auto helemaal door naar boven kunnen rijden. Daarvandaan kunnen we kiezen uit verschillende wandelroutes langs de Romeinse opgravingen. De bewegwijzering is alleen niet overal duidelijk, hier lopen we verkeerd en daar steken we een stukkie af. Het geeft niet, we zien genoeg. Beukenstammen met doorsnede van 1,5 meter. Veel bos en mos, varens en dan weer vergezichten. Toortsen vingerhoedskruid vlammen her en der paars op. We lopen twee uur en vinden dan dat we aardig ons best hebben gedaan. ’s Avonds slapen we als bosmarmotten.

Op onze laatste dag op deze camping gaan we naar de markt in Luzy, een kunstenaarsdorp. Een leuk ritje. Grappig dorp, je hoort en ziet hier vooral de tweedehuisbezitters. Die praten luid. En verbazen zich dat wij he-le-maal uit Nederland zijn gekomen met Dyaantje.

De markt is vrij klein, in de markthal vinden we vooral honing en groente en fruit. Een donkere klok galmt 11 keer, een minuut later opnieuw. We bezetten een tafeltje op een gezellig terras voor een grand café crème. Daarna sla ik mijn slag in een artistiek winkeltje, terwijl Gijs en Ravi bij de kerk blijven wachten.

Ondertussen stijgt de temperatuur tot 33°C. “Ik ga pas inpakken als de boel in de schaduw staat!” zeg ik. Ik ben er na het avondeten, een rondje door de stad en de kerk in Autun, inderdaad snel mee klaar.

Wordt vervolgd…


Drie jaar op rij kamperen met vrienden begint op een heuse traditie te lijken. Herinner je je die vriend die indertijd niets van kamperen moest hebben? Die begint nu in februari te vragen waar we dit jaar heen zullen gaan. Het kan verkeren zou Bredero gezegd hebben.

Het komt deze Hemelvaartochtend met bakken uit de hemel. Noodgedwongen pakken we de kar en de kofferbak van de Dyane in de garage in.

Na vertrek snijden we, geleid door Tom, via allerlei boerenlandwegen de A7-file helemaal af tot voor de sluizen en voegen vlak voor de brug in op de snelweg. Staan we net zo goed stil, maar wel helemaal vooraan. Het IJsselmeer in de stromende regen is dreigend groen met witte schuimkoppen. Vijf kilometer voor het eind van de dijk staat het verkeer weer vast. Bruggetje open, bruggetje dicht (bis).


Even na vieren komen we aan in Vorden op Minicamping Erve Zonnehoeve en het gelijknamige wijndomein. Zonnehoeve, de naam alleen al is genoeg om in vakantiestemming te komen. Zoals beloofd regent het niet meer.

Als we uitstappen komt Maarten, de eigenaar, met een big smile aangelopen. “Bekend geluidje!” Want ja, uiteraard heeft ook zijn familie vroeger een Dyane gehad. We worden gewezen waar we de auto zóuden moeten parkeren, echter “Voor de Dyane maken we een uitzondering, deze mag in de wijngaard achter de heg staan.” Wij bedanken hem vriendelijk. Na het sanitair en andere gelegenheden getoond te hebben zegt hij ons vrolijk gedag en laat ons alleen om de tenten op te zetten.

De vakantie kan beginnen. Met de heg achter ons en de twee identieke Queshua’s aan weerszijde zitten we buiten heerlijk beschut.

“Dineren” doen we in Ruurlo. Plotseling wordt de zijdeur van de Grand Cafézaal abrupt opengegooid en stommelt er een grote horde uitbundige mensen luidruchtig naar binnen. Het feest kan beginnen! Liever gezegd: het feest is duidelijk reeds begonnen. Mannen in keurig lichtblauw overhemd met een onleesbaar logo op de borstzak en met rode sjaals om de hals, iedereen is uitgelaten. Nieuwsgierig vragen we aan de serveerster wat dit voor gezelschap is. “Ik weet het niet, ik zal het even vragen” is het verlegen antwoord.

De ene na de andere heer verdwijnt door de deur naar de toiletten. Een gegeven waar we stiekem om grinniken want meestal zijn het de dames die als eerste naar de wc’s racen en bovendien, hoeveel wc’s zullen er zijn? Als de zoveelste grijzende heer met rood sjaaltje langs ons tafeltje loopt, kan ik niet laten te vragen wat er nou eigenlijk op het logo op zijn overhemd staat. De man komt dichterbij en bij nadere inspectie ontwaar ik in de Gotische letters “C’est Tout”. Ik zie de kleine koperblaasinstrumenten rond de hoofdletters, ik gok op een Fanfare of Harmonie? Welnee, zo chic is het allemaal niet, ze vormen een dweilorkest dat ’s middags op de Dweilorkestendag in Groenlo heeft gespeeld. Niet opgetreden maar gespééld. Dat woord zegt genoeg. We worden uitgenodigd voor een polonaise als ze later op de avond spontaan de instrumenten tevoorschijn halen. Aangezien wij het toetje bijna ophebben, kunnen we dat makkelijk beloven.

Dachten we in Frankrijk veel kikkers te horen? Hier op het wijndomein maken ze ’s avonds een oordeel van jewelste. De maan komt op als een afgekloven nageltje boven de heg.


Vrijdag is het al flink warm als we opstaan, een torenvalk profiteert van de thermiek. Na de lunch gaat de rest lopen, ik kruip genoeglijk achter mijn laptop. Dat is míjn ontspanning.

Voor het avondeten rijden we naar Vorden waar we op een soort binnenplaatsje/tuinterras een tafeltje bezetten. Terug bij de tent zitten we te lezen bij het licht van de ondergaande zon. Tijd om te gaan slapen.


Ontbijt met verse broodjes en een eitje -met dank aan onze zorgzame vriendin. Afwas. Koffie. Douchen. Meer koffie. Aan het begin van de middag vertrekken wij om een open-dak-rondje Achterhoek te gaan kronkelen. De vrienden hebben andere plannen. Dat is juist zo fijn, samen en toch vrij om te doen waar je zin in hebt.

Vlak voor een grensovergang met Duitsland picknicken we. Komen onze bekenden van de Ami Vereniging, die we in april ontmoet hebben, in optocht langs. De witte met rood dak, zijn zoon met de Acadiane waarmee ik heb staan kletsen en nog meer bekende voitures. Er wordt uiteraard enthousiast gezwaaid. Hadden we dat geweten, hadden we lekker met hun meegereden.


Precies op tijd zijn we alle vier terug voor het wijnproeverij-evenement. Echt, ik kan het iedereen aanraden, ook al houd je eigenlijk niet van witte wijn zoals Gijs. Het is net een voorstelling waar we naar kijken. Tineke en Maarten hebben jarenlang een kroeg in Leiden gehad, de babbel hebben ze van nature. Ze vertellen smakelijk hoe ze twee jaar geleden van de drukke stad naar het platteland zijn verhuisd, de uitdagingen waar ze voor kwamen te staan: een gesetteld wijnbedrijf waarvan de oogst direct moest worden binnengehaald en ondertussen de camping runnen. Ze zijn beiden open van aard, contacten worden makkelijk gelegd en ze krijgen veel hulp van een inmiddels bevriende wijnbouwer uit de contreien.

Uitdagingen zijn bijvoorbeeld de Reetjes. “Schattige Bambi’s om te zien, maar als ze de kans krijgen vreten ze de trosjes kaal en vind je slechts de steeltjes bungelend aan de wijnstok. Daar valt weinig eer meer aan te behalen, ze zijn lastig te weren.” Voor de volgende plaag zijn er duizenden witte gazen zakjes aangeschaft, want daar is de fruitvlieg. “Niet de doodgewone huis-, tuin- en keuken fruitvlieg die van beschadigd en rottend fruit houdt, nee, de elite: de Aziatische/Japanse Fruitvlieg, de heer en mevrouw Suzuki. Zij houden alleen van rode of blauwe vruchten en die moeten puntgaaf zijn, zonder deuken of smetplekjes. Mijnheer Suzuki met zijn rode helmpje stapt op zijn brommertje, op zoek naar gave blauwe druiven. Heeft hij er eentje op het oog, haalt hij snel mevrouw Suzuki op. Mevrouw Suzuki boort met het zaagje in haar achterste een gaatje in het vruchtje en vult dit met eitjes. De rest van de blauwe-druivenoogst kun je dan vergeten. Je kunt natuurlijk hele rijen druivenstokken met netten inpakken maar dat bederft het uitzicht voor de campinggasten. Vandaar de witte zakjes die stuk voor stuk om de nog groene trosjes van de blauwe druiven worden gebonden. Dat ziet er tenminste feestelijk uit.”

Ik kan het lang niet zo smeuïg navertellen. Er volgt een verhaal over een anti-valse-meeldauw-pap die gemaakt wordt van het alomtegenwoordige Heermoes, de pest als je het in je tuin hebt en het daar niet wilt hebben, dan is het je reinste onkruid. Op Zonnehoeve zijn ze er blij mee. De rest van de uitleg over de wijn, het persen en bottelen is al even boeiend maar ga ik hier niet herhalen. Ik zou zeggen: boek een proeverij met rondleiding, met een glas in de hand tussen de zonnige wijnstokken wandelen. Je ziet per stam de twee hoofdtakken gebogen naar links en rechts en alle uitlopers naar boven, het verhaal van daarnet wordt ineens aanschouwelijk. De rozen aan begin of eind van een rij vraagt Maarten elk jaar voor zijn verjaardag, dat is de vaste rozenplantdag. Verschillende soorten door mekaar, dat maakt niet uit voor dit natuurlijke en decoratieve “alarmsysteem”.

Wij genieten na met een glaasje buiten op het terras terwijl we wachten tot de pizza’s bezorgd worden.


Het wordt donkerder, de wind trekt aan. Gijs gaat spullen binnen zetten, ik ga gauw naar de wc. Klokslag 10 uur FLITZZZZ! Een oogverblindend, fascinerend schouwspel, de ene zigzag na de andere. Vrij uitzicht rondom, het rommelt aan één stuk door. De flitsen gaan overdwars, slaan niet in.

Ik zit net-an binnen of de bui komt als zondvloed naar beneden. Ravi vindt het een beetje spannend, kruipt tussen en op onze voeten. Een kwartier later is de bui voorbij. ’s Nachts moet ik er een keer uit, het is net een momentje droog. Het flitst achter de wolken als een stroboscoop achter een rookmachine, de donder onophoudelijk, ver weg als boze draak.

De volgende morgen is het droog. Klein zonnetje erbij stoomt de tenten droog. Broodje, eitje, inpakken. Dan zijn we weg na uitgebreid afscheid genomen te hebben van de vrienden en van de familie Collée. Alles bij elkaar was dit een zeer geslaagde try-out, komende week gaan we voor het echie!


 

Zaterdagavond zijn we naar Eindhoven gereden en hebben daar overnacht om zondag uitgerust aan de toertocht te kunnen beginnen. Deze rit is uitgezet door de Dyane Vereniging in samenwerking met de Ami Vereniging, een heel andere samenstelling dan de clubs met wie we tot nu toe gereden hebben. Op ons gemak rijden we naar het startpunt in Oirschot, het weer is somber maar droog.

Bij bosrestaurant De Vrolijke Jager is al een bont gezelschap op het terras neergestreken, iedereen lijkt elkaar te kennen zo geanimeerd wordt er gebabbeld. Wij kijken nog even de kat uit de boom en lopen na de koffie met gebak een nieuwsgierig rondje tussen de auto’s.

Volgens de statistieken zijn er ongeveer 55 Ami’s en 13 Dyanes. Dat aantal kan haast niet kloppen, het zijn er vast veel meer. Er zijn niet zoveel “scheeffies” zoals ik ze noem, de Ami’s met overstekende dakrand, maar die er zijn, zijn dan ook glimmend gerestaureerd. Deze scheeffies zijn voor mij het ultieme stripvoorbeeld van een oldtimer, bijna cartoonesk.

Wanneer het welkomstwoord is gehouden en de papieren routebeschrijvingen zijn uitgedeeld, vertrekken we in colonne zodat we als een vrolijke serpentine van oldtimers door het land kronkelen. We zien veel groen, veel bos, veel nieuwbouw boerderettes en dito villa’s en veel, heel veel bungalowparken, pannenkoekhuizen en bosbistro’s. Dit is goed vakantieland. Her en der staat een verscholen veldkapelletje dat precies door een voorzichtig zonnestraaltje wordt gekieteld. We rijden Oisterwijk in en weer uit en dat herhalen we zo een paar keer tot we dwars door Oisterwijks centrum kachelen.

Ik verklaar net tegen Gijs dat ik deze routebeschrijving zo duidelijk vind, zonder afkortingen als RD, RT of RA waarbij ik altijd moet gokken wat er bedoeld wordt, als we op dat moment op een omleiding stuiten. Wij volgen de meute, lekker makkelijk, zo’n optocht. Een groene Ami met de motorkap open geeft de stoet de gelegenheid te husselen.

Eenmaal weer op de route passeren we De Leemkuilen, een waterrijk natuurgebied dat is ontstaan door de afgravingen van leem voor de baksteenfabricage, waarna we terug zijn op het vlakke platteland. Een kruidige mix van koeienpoepdampen en uitlaatgassen walmt naar binnen.

We kronkelen in en rond Helvoirt, door naar Cromvoirt tot we bij de eerste tussenstop bij paviljoen De IJzeren Man in Vught aankomen. De club bezet de achterste parkeerterreinen tussen de dennen. Kofferdeksels gaan open en ieder begint aan zijn eigen picknick. Met bekers koffie in de hand wordt er uitgebreid kennis gemaakt, gekletst, bewonderd en verwonderd. Met een krentenbol achter de kiezen ga ik de boel verkennen, er is genoeg te zien. Naast ons staat een Dyane met een oudere heer uit deze omgeving die drie kleindochters mee heeft genomen. Er zijn ook wat  jongeren, studenten, niet alleen 55plussers. Veel hondjes en honden en alles en iedereen loopt door elkaar. Dit is toch veel leuker dan met je eigen kliekje ergens aan een tafeltje te gaan zitten eten. Je ziet veel meer en leert makkelijk nieuwe mensen kennen, contact is door de gemeenschappelijke interesse snel gelegd.

We vertrekken wederom achter elkaar aan. Velen hebben net als wij het dak open of halfopen, het is onverwacht warm geworden. Na een aantal rotondes zijn we in Sint Michielsgestel en later in Gemonde. Vlak voor Sint Oedenrode passeren we op een dijkje een rijtje geparkeerde auto’s, een stuk of zeven, zonder uitzondering zwart of antraciet donker grijs. Vergelijk ik dat treurige rijtje dure nieuwelingen met onze feestelijke slinger gekleurde oldtimertjes, vraag ik me af waar de creativiteit, de fantasie van de huidige generatie designers is gebleven. Vroeger was alles beter, nee, dat vast niet. Maar met gekleurde billen is het vrolijker leven*. Werkelijk, er is bijna geen wagen in onze sliert dezelfde kleur als een andere. Zelfs het bruin van de ene Dyane verschilt van hetzelfde bruin van een andere Dyane: de een is glimmend gerestaureerd, de ander heeft het originele patina van een 50 jaar oude wagen.

Bij Kienehoef Park waar we wederom en masse de parkeerplaats bezetten houd ik een kleine inventarisatie van enkele blauwen. Zo heb je de varianten Bleu Weekend (een glimmende vierruiter uit ’68, jeansblauw), naast ons staat een Bleu Lagune (de kleur van onze eerste Dyane) en naast de mintgroene (Vert Jade) staat een ijsblauwe (Bleu Christal). Die van ons is felblauw, Bleu Myosotis, vergeet-me-nietjes-blauw.

Na deze kortere stop koetelen we in ganzenmars richting eindpunt waar is bij een gezellige gelegenheid op het dorpsplein van Liempde de mogelijkheid is om na te babbelen. Wij hebben echter nog een tippel van twee uur voor de boeg. We zeggen iedereen gedag en stellen we Tom in op ‘Thuis’. Files zijn ook een soort optocht…


 

*) vrij naar het gedicht ‘Gelukkiger leven’ van J. Bernlef, 1963.

Vlak boven het IJsselmeer hangt een dunne sluier aan de voeten van de windmolens, de zon verwarmt mijn rechteroor. Eenmaal in het kale Friese landschap slingeren we met het dak halfopen over dijkjes. Blinkende slootjes met stoeiende eenden, een molen hier, een brugje daar. We passeren een wielrenner in zijn t-shirtje in tegenstelling tot een boodschappenmevrouw die ons op de fiets tegemoet komt in een dikke winterjas. Wat een rust. Wat lammetjes, een grote kerk, nog een dorpje. Anders niets.

Om half 1 vinden we het tijd voor een lunchpauze. SHIT. Thermoskan voor de koffie en thee vergeten. Niet de eerste en vast niet de laatste keer dat me dat overkomt. De rust hier is helaas zó ver doorgevoerd dat er nérgens een caféterras open is. In arren moede parkeren we aan een jachthaventje nabij Akkrum. Gelukkig had ik er wel aan gedacht mangosap mee te nemen, dat smaakt ook best bij het kadetje kaas.

Na de kronkels door Heerenveen en Wolvega komen we door de Weerribben. Op enkele fietsers en vogelaars na komen we niemand tegen. Grote zwermen weidevogels zigzaggen boven het laagveen, een paartje ooievaars struint op hoge poten door het riet.

We passeren de buurtschap “Moespot”, wat in mijn oren klinkt als een carnavalsnaam. Wat dacht je van “Poppenwier” en “Poepershoek”. Net zoiets. We komen door “Nederland”. Ik denk dat het de grens is tussen Friesland en Nederland, maar nee, het dorpje heet echt zo. Meer dan 5 of 6 boerderijen telt het niet en het schijnt nog geen 20 inwoners te hebben. Geinig.

Na het pontje bij Genemuiden schampen we Kampen en passeren we  even later “Kerkdorp”. “Zoek de kerk,” zegt Gijs. Kerkdorp is dus, vreemd genoeg, een dorp zonder kerk. Kallumpies-an kachelen we richting de Veluwe en bij een ijssalon in ’t Harde stoppen we eindelijk voor een ijsje en een hoognodige plaspauze. De route gaat verder, dwars door het drukke Nunspeet. Hierna niets meer dan zand, bruine heide en bossen.

Het zonlicht, gefilterd door de naaldbomen, legt een zilveren gaas als een glinsterend web over de lagere struikjes en dorre varens. In de dorpen, bij kerken en de plantsoenen, zijn de grasvelden besprenkeld met krokussen als veelkleurig tapijt. Soms lijkt in een berm een enkel smal krullerig lint van lila krokusjes uitgestrooid te zijn door een bloemenfee.

Tenslotte arriveren we aan het eind van de middag in het hotel. Terwijl de zon steeds roder naar de horizon zakt, lopen wij onder vocale begeleiding van zanglijsters, mezen en vinken de wiebel uit onze benen. Het pad is bedekt met een dikke laag droog verdorrend blad dat zo heerlijk aan Ravi’s vacht blijft plakken.

Wat een afwisselende dag was het vandaag! De weidsheid van Friesland met zijn statige here-boerderijen, de Weerribben -voor ons nieuw en onbekend- met zijn gek genaamde dorpjes, vogels en riet, de Veluwe met bossen en heide. Fantastische dag.

‘s Zondags na het ontbijt laten we de hond uit in het bos voor we weer op pad gaan, we hebben op goed geluk een soortelijke reis voor de terugreis geprikt. Op een strategisch in Hoenderloo gelegen kruispunt zit het stampvol met groepen fietsers, wandelaars en bikers die zich tegoed doen aan koffie en -zo te zien- grote punten appelgebak.

We rijden dwars door Deventer, mooie stad met parken met oeroude bomen, paden en zitplekjes vol studenten, gezinnetjes en wandelaars genietend van de vrolijke vrije dag. In Heino vinden we dat we koffie met gebak hebben verdiend. Aan lange tafels buiten is een grote groep kleurrijke wielrenners van zekere leeftijd neergestreken; het is dorstig weer, het bier is amper aan te slepen. Wij houden het op koffie met een gebakje.

Een uurtje later komen we door Staphorst. Het contrast met het uitbundige genieten van zon en leven daarstraks op het terras met dit ingetogen, uitgestorven dorp kan niet groter zijn. Afgezien van een echtpaar in jurk en pak-met-stropdas op de fiets zien we helemaal niemand. Het is tenslotte zondag.

Na Zwartsluis komt Blokzijl. Net als gisteren wurmen we ons door de straatjes die nog smaller zijn dan Graft-De Rijp langs de overvolle kades en de kinderen met smeltende ijsjes. Vervolgens kruisen we opnieuw de Weerribben, gewoon omdat we dat zo mooi vonden gisteren. Bij boerderij ’t Zwaluwnest hebben ze bijzondere zwaluwen op de schoorsteen.

We naderen Friesland. Waar we een rechttoe-rechtaan route vreesden, worden we verrast met een smal slingerdijkje. Het is zo’n dijkje waar je 60 mag maar eigenlijk niet harder kunt dan 40 door alle bochten en drempels en toch even zo vrolijk wordt ingehaald door snerpende jank-motorretjes, terwijl fietsers overhaast een goed heenkomen zoeken in de stuk gereden bermen.

Wanneer we tenslotte de Afsluitdijk naderen en het hiervandaan plankgas naar huis gaat, doen we eerst het dak dicht. Naast ons zien we de lucht helemaal dichttrekken, de temperatuur daalt van 17 naar 12 graden, de zon gaat schuil in de lage dampkring. Bijna thuis.

Het leek wel zomer, zomaar een weekend begin maart.