Blijkbaar staat ons iets fijns te wachten op deze zonnige vrijdag, zo enthousiast als ze zijn wanneer we op een vrijwel verlaten parkeerterrein uit de auto stappen. Aan de riem, braaf naast lopen. Netjes stilzitten en dan pas oversteken. Jaja, ik heb al een boel geleerd. 

Komen we bij een grote berg, moet ik he-le-maal naar boven sjouwen. Dat is best zwaar voor mijn korte pootjes kan ik je vertellen. Er is enorm veel te ruiken hier: struiken, gras, meeuwenpoep, miljoenen hondjes, andere beesten, mensen… teveel om in het langslopen te determineren. Eenmaal boven, moeten we weer naar beneden. Dat schijnt een natuurwet te zijn. Geen idee wat dat betekent. Ik hobbel met ze mee want ik vermoed een spannend avontuur in de verte. Er komt steeds meer zand onder mijn voeten. En moet je horen: geraas, gekrijs, geblaf, geritsel en dat allemaal tegelijk. 

Dat mijn voeten wegzakken in dat zand is blijkbaar de bedoeling. Ze vinden het grappig. Ik niet zo. Zoveel zand, ik ga hier niet aan gravengraven beginnen. Geef mij dat hardere zand verderop maar. Daar liggen lekker veel schelpen die ik kan uitlikken. En zeewier waar ik mee kan stoeien en troep waar ik op kan knagen. Als ze het afpakken, zoek ik gewoon iets nieuws, er ligt genoeg. De uitgestrekte vlakte is zo groot dat ik er los mag lopen. Wat een feest! Ik kom heus wel terug rennen als ik geroepen word, wees niet bang. 

We lopen dichter naar de ruisende golven toe. De meeuwen aan de waterkant schreeuwen omdat ze gestoord worden bij hun lunch. Dat zou ik ook niet pikken. Het water schijnt ‘zout’ te zijn. Geen idee wat zout is, ik kan het niet proeven. Ik vind die natte, schuimende, onberekenbare bende in elk geval waardeloos. Mij doe je er geen lol mee. 

Die grote deuken in het zand zijn vast van die torenhoge beesten die ik in de verte hoor aankomen. Kataplof, kataplof, kataplof, drie pikzwarte knollen denderen met een rotvaart op ons af. Wat hebben die nou aan hun kont hangen? Een tweewielig karretje met een mens erin. Hard dat ze gaan, joh! Klopperdieklop, klopperdieklop, klopperdieklop en ze zijn voorbij. Wauw, dat was gaaf.

Jammer dat ik kleurenblind ben, het blauw van de azuren lucht en het zilver van de zee schijnen prachtig te zijn. Tegen de zon in lopen we terug. De warmte in mijn gezicht voelt als een zalige verwenmassage met licht. 

Het probleem zit hem natuurlijk in de staart. Nee, niet mijn staart, ik bedoel het laatste eind lopen. Diezelfde natuurwet. We zijn naar beneden gegaan, dus moeten we nu naar boven. Sjokkerdesjok. Poeh, ik ben er moe van. Even zitten hoor. Ja, je kan sjorren wat je wil maar wat er op zijn kont zit, loopt echt niet netjes mee. Zo gaan die dingen. Stukjes bij beetjes en voorzien van de nodige snoepjes lokken ze me mee en draaien we de bocht om naar beneden. Ik ruik de auto al.

Ze hebben, heel slim, zelfs mijn waterbak meegenomen. Fijn, ik lust wel een slokje. Voor de vorm sputter ik daarna wat tegen als ze me in de auto zetten maar ik geloof niet dat ze er erg van onder de indruk zijn. Ik rol me bekaf bovenop mijn konijn. Morgen wil ik hier weer naar toe, maar laat me nou een poosje slapen alsjeblieft.

Op facebook kunnen haar facebookvriendjes filmpjes van mijn capriolen bekijken. In album Ravi staat er ook eentje van een klein hondje op een groot strand. Dat hondje ben ik dus.


Categorieën:Ravi