Een poosje terug lag er ineens een berg wit spul in de tuin. Nou, dat was lachen! Ik kon eindelijk mijn speurneus gebruiken en neusballen met koude witte bolletjes. Springen met alle vier mijn ijsbeervoeten in de lucht en dan neerploffen in de sneeuw, rondjes rennen achter mijn zowat bevroren staart aan en ijsgekoelde keutels draaien. Zij wilde me uitlaten en gleed bijna uit op de ijsvloer. Hoewel ik scherpe nageltjes, spikes, aan mijn voeten heb, glibberde ook ik af en toe als Bambi op het ijs. Geweldige tijd.

Jammer dat het nu weg is. Hoewel dat ook zijn voordelen heeft. Nu kan ik het gazon lostrekken en wroeten in de modder. En Zij binnen maar in de weer met handdoeken, boenen en dweilen. Dan sta ik tien minuten later weer te jammeren voor de tuindeur, hop weer naar buiten, lekker vies worden en naar binnen denderen zonder voeten vegen. Zo blijft Ze lekker bezig.

Samen stofzuigen, dat is niet mijn favorietste hobby. Wat maakt dat ding een herrie. De kruimeldief is minstens net zo erg. In het begin kon ik dan nog veilig weggedoken onder de olifant schuilen, maar die is gekrompen. Pianospelen samen is veel leuker, fijn op de bewegende voeten op de pedalen liggen en een soort van muziek uit die kast horen. Die piano mag wel eens gestemd worden en Zij kan wel wat lessen gebruiken, maar dat mag de pret niet drukken.

Ze moeten altijd om me lachen, ik ben dan ook heel grappig. Ik kan heel zielig kijken terwijl er niets aan de hand is. Gewoon neppen, kijken of ze erin trappen. Wat bijna altijd lukt. Heel hard rennen vind ik geweldig, of flaneren met zwoel wiegende heupen. Weet je hoe ze dat durven te noemen? Een waggelgatje, een schommelkontje. De brutaliteit! En als ik uitgedaagd word door mijn staart draai ik rondjes tot ik een halve salto maak en keihard op mijn kop terecht kom. Of ik lig te maffen op mijn kussen en rol er prompt van af. Vinden ze grappig. Ik wat minder. Ze noemen me niet voor niets een clownshondje. Vrolijk met een droevig bestaan.

Nee serieus, ik heb echt een heel zwaar leven. Als ik mijn eten opgeschrokt heb (altijd veel te weinig), zijn er niet nog meer bakken om te plunderen. De eerste dagen ging ik daar wel naar op zoek, maar helaas. Geen hondenfamilie, dus ook geen extra hondenvoerbakken. ‘Ik heb het honger’, zoals een van hun kinderen vroeger altijd verkondigde. Ik heb het honger, altijd.

Aan de andere kant… Mag ik op koude avonden languit voor de open haard liggen snurken. Hoef ik mijn kussen, mijn mandje en mijn bench niet te delen. Heb ik in de auto, zelfs in de Dyane, mijn eigen mandje, een troon speciaal voor mij.

Ach, zo zwaar is dat leven eigenlijk helemaal niet. Kijk maar.


Categorieën:Ravi