De storm steekt op. Een orkaan uit het niets zaait dood en verderf in dorpen, in steden. De boer leest de krant en ploegt voort. China is ver weg. 

De storm trekt verder, gaat op wintersport, viert carnaval. Het vernietigende spoor komt dichterbij, gezinnen worden uiteengerukt en bewoners weggevaagd. De plattelander leest de krant en zet vanuit huis zijn strijd tegen de windmolens voort. Brabant is ver weg. 

De warmte van de zomer maakt de storm loom en zwak. Hij gaat liggen op de bank, zich bezinnend over nieuwe streken. Want oh, hij heeft nog zoveel te vieren, hij is nog lang niet uit gesold. Laat valse vrijheid en schijnveiligheid zo lang maar lonken. 

Het wordt herfst, winter. De storm ontwaakt uit zijn dutje. Genietend van de kou viert hij alle feesten mee, brokstukken achterlatend. De dorpeling kijkt het journaal en blijft binnen. Voorzichtigheid wordt overdreven zorgvuldig nageleefd. Verraderlijk sluipt de storm naderbij. Hij is slinkser, weet zich met een zuchtje door elke kier heen te dringen.

De storm is in de straat, willekeurig maar onverbiddelijk. Hij sleurt haar vastberaden uit het huisje, keert een paar dagen later terug om hem te grijpen. Beide zielen verdwijnen in het oog van de orkaan en zullen pas levenloos thuis gebracht worden. Niet geheel meedogenloos, nee, welhaast barmhartig nam de storm beide levens zodat de één niet zonder de ander hoefde te leven.

Een kring naasten is verzameld bij het huis, een groot gat in hun midden. Samen overspannen ze de leegte. Het is stil.

Onbeschrijfelijk, onbegrijpelijk. Stil.

 

De storm? Hij woedt nog altijd voort.