Eindelijk is de auto teruggebracht, precies een week na zijn brute kennismaking met een steentje. Nu kunnen we opgelucht ademhalen en verdere plannen smeden. De Dyane wordt zolang op het werk in de fabriekshal gestald.

Op de vakantie met ruim 3000 kilometers op de teller ontbraken de laatste 250. Die maken we -weliswaar met de Captur en niet met de Dyane- diezelfde middag alsnog goed. We rijden 200 kilometer naar Valthermond en terug om een nieuwe, gelaagde voorruit op te halen. Een doodsaaie rit die we voor het goeie doel over hebben.

’s Avonds gaan we de schade nader bekijken. Wat een bende, de scherven liggen overal. Waar te beginnen? We leggen eerst een groot stuk karton op de voorbank om de nieuwe bekleding niet te beschadigen, daarna trekt Gijs voorzichtig het rubber met de laatste brokken glas los. Rinkeldekletter op het karton, de vloer, de motorkap.

Behoedzaam trekken we het karton naar buiten en gooien het glas in de grote container, bij de koekjes en papieren zakdoeken die ik uit het deur-vak heb gehaald. Daar waag ik me niet meer aan. Met een zachte bezem veeg ik alvast het ergste puin bij elkaar.

Hierna zijn de matten aan de beurt. Drijfnat kletsen ze op de gladde betonvloer. Het meeste water vegen we met grote stukken keukenpapier weg, in de hoop dat ze wat sneller drogen. De vloer van de auto deppen we met beleid, het is inmiddels te donker om nog te kunnen zien of ergens misschien verdwaalde splinters liggen. Op de bodem zijn nu grote, oppervlakkige roestplekken waar een week lang water op heeft gestaan. Winterklusje vrees ik.

Wat er onder het raam-rubber vandaan komt, is niet fraai. De vorige eigenaar(s) waren amateur knutselaars, sommige restauraties zijn zo knullig uitgevoerd, dat de onkunde eraf spat. Letterlijk. Ook hier is blijkbaar ooit iets van roest overgeschilderd in plaats van verwijderd. Van ‘zondag even de nieuwe ruit erin zetten’ is ineens geen sprake meer, eerst moet deze rotte vulling uitgeboord worden.

Met een kachel en ventilator op de Dyane gericht wensen we hem welterusten. Morgen weer een dag.

Gewapend met een Dremel gaat Gijs zaterdag het raamkozijn te lijf. Schuren, slijpen, vijlen net zolang tot alle roest en bouwmarktverf verwijderd is. Vervolgens een laag menie en vier uur later nog een laag. Zondag rijdt hij, zonder ruit, net voor de bui naar huis. Welkom thuis Beessie, in je eigen warme garage.

De herstelwerkzaamheden worden hervat. Schuren. Afplakken. Plamuren. Wachten. Schuren. Plamuren. Wachten. Een pot verf, AC-645, Bleu Myosotis, en een compleet airbrush-systeem worden aangeschaft. Het mag een paar centen kosten want oude Citroëns kennende zullen er wel meer roestplekken volgen.

Dan is het zover, het nieuwe raam kan erin. Met enorm veel beleid, kracht en zweet spannen we het rubber rond het raam. Een monsterklus, het rubber is zwaar en stroef. ’s Avonds komt de buurman helpen het geheel in het kozijn te plaatsen. Als het eenmaal met veel moeite ongeveer op zijn plaats zit, kan ‘het touwtje’ er simpelweg uit getrokken te worden. Dat touw zit in de gleuf van het rubber dat over het kozijn heen valt. Als je het eruit trekt, valt het rubber mooi op zijn plaats. Tot zover de theorie.

De werkelijkheid is weerbarstiger. Het touw doet het rubber scheuren. Bij scheurtje één denk je nog: ‘dat repareren we wel’, bij scheurtje vijf is het verloren zaak. Dit gaat niet meer goedkomen. Wederom komen er spierballen aan te pas om het raam weer uit het kozijn te duwen.

Status quo: poging één mislukt. Een nieuw rubber is besteld, dat moet deze week binnen komen. De uiterste keuringsdatum voor de Dyane is 24 oktober 2020…