Eigenlijk wilde zij me ‘Dyaantje’ noemen, ware het niet dat haar vriendin al zo heet. Dat je je werkezeltje dan niet ook zo noemt, dat snap ik wel. Sinds ik bij hen op stal sta, klopt ze me in het voorbijgaan altijd even liefkozend op mijn hoofd: ‘hé Beessie’ of, als ik hard gewerkt heb: ‘braaf Beessie’. Het is op één of andere manier Beessie gebleven. Hij noemt me altijd ‘De Dyáááááne’ om vooral te benadrukken dat ik geen Eend ben. 

Eindelijk mocht ik met ze mee naar het land van mijn voorvaderen. Frankrijk. Plannen werden gesmeed en zoals je weet zijn mensenplannen er om te veranderen. Dan noemen ze het ‘avontuur’. Mij maakte het allemaal niet uit, ik deed mijn werk en deed wat ze wilden dat ik deed. Ze hebben zelfs een soort zonnehoed voor me gemaakt. Met blóemen notabene. Past niet helemaal bij het beeld van een stoere pakezel. Maar als ik op tijd mijn voer krijg, mijn hoeven af en toe nagelopen worden en mijn binnenste gecheckt, vind ik alles best. Karretje, een oude knar, huppelde volgzaam achter me aan, als een veulentje achter zijn moeder.

Een mooie belevenis hoor, dat Franse landschap en het bewonderende publiek. Wat stonden we daar in de spotlights van de zon. Op de gekste plekken werden er foto’s gemaakt en poseerden we geduldig in een kale woestenij, een geblakerd zonnebloemveld of een wijngaard. Kar deed dienst als koffietafel.

Op een kruising werd Grootvader Beige in het langsrijden met een peppertje begroet. ‘Pweeep pweeep!’ klonk het in het Frans terug. Van de Eenden-tak kwamen we veel meer familieleden tegen. Neef Charleston, nicht Dolly, baby Blanc, een paar Blauwe verwanten en diverse Grijze Oude Duiven. Het was mooi om te zien dat Grande Dame Peugeot 203 ook nog leefde. Meester Snoek, Boer Mehari en Kwajongen R5 roestten helaas hun oude dag bij het sanitair in de braamstruiken.

Twee dieren-ezels graasden in de wei naast het zwembad. Hun baas zette ze ’s avonds op stal, waarbij ze met afgewend hoofd langs hun eindbestemming, de boucherie/charcuterie, klosten. Kar en ik overnachtten gewoon buiten, wij konden best tegen de Zuid-Franse regen- en onweersbuien. Zolang we straks in de Hollandse kou maar binnen mogen overwinteren, is de slager bij lange na niet in zicht.

Alleen als het ’s nachts heel koud was en vochtig, kon mijn spijsvertering van slag raken. Stinkende gassen walmden achter me aan als ik vertrok, de hele camping stond blauw. Dat deed ik niet expres, ik was enkel een beetje overvoerd.

Terwijl zij en hij een ijsje aten of een apéritief namen op een terras, hield ik de wacht over de blauwe karavaan op de camping. Verschil moet er zijn. Werkezels en luxemensen. Toch, wanneer we in de schaduw onder de platanen doorreden, voelde ík me een teruggekeerde keizer te rijk.

Het venijn zat hem in de staart van de reis, toen ik een steen tegen mijn kop kreeg. Hij en zij totaal van de kaart terwijl ík degene was met een hersenschudding. Met een ambulance werd ik afgevoerd en na een rillerige tocht werd ik in Breda bij de berger gestald.

Inmiddels ben ik weer thuis. Het gat in mijn kop wordt geheeld, dat komt vast goed. Het ergste leed is geleden.

Ik kan haast niet wachten op volgend jaar, in juni de brem zien bloeien, de lavendel opsnuiven. Ja zeker, de plannen liggen al gereed. Laten we zien wat ervan terecht komt. On verra!

Een schitterend avontuur!