Wandelschoenen aan, stokken mee en hoed op. We gaan wandelen, zomaar de berg op en kijken waar we uitkomen. Een verhaal van hoe heet het was en hoe ver.

Stenige paden, kale rotsgrond. Stekelbrem en jeneverbes en nog meer dorre prikgrassen schuren langs mijn blote benen. De zon brandt genadeloos op mijn blote schouders. Men neme deze uitdrukking letterlijk. Het brandt – niets ontziend, zonder genade. Het zal hierboven, zonder een zuchtje wind of een greintje schaduw, al gauw tegen de 40 graden lopen.

We zetten stug door, kom op, dit soort hellingen hebben we toch al vaker gehad. Ja, maar nooit op het midden van de dag, nooit met zo’n slechte conditie. Gijs wacht telkens geduldig op me als ik puffend met steeds roder wordende kop naar boven zwoeg. Het uitzicht is mijn excuus om na elke 100 meter stil te staan. Dat mijn hartslag dan kans krijgt te herstellen is mooi meegenomen.

De Morvan zou mysterieus zijn, hier op die kale berg in de Ardèche heb ik veel meer dat gevoel van verwondering, noem het de stilte. La solitude, een mooi Frans woord voor dit soort verlaten eenzaamheid. Zo stil dat je de sprinkhaantjes hoort springen, een vlinder hoort vliegen. Een roofvogel klapwiekt weg van zijn uitkijkpost, wij verstoren zijn rust.

Tijm groeit midden op het pad tussen de stenen, de geur vergezelt onze voetstappen als we er per ongeluk op staan. Ik pluk een takje en droog er mijn zweethanden mee. Een paar slokken water en we kunnen verder.

Swoesshh! Een troep patrijzen stijgt op uit de garrigues, het lage struikgewas heeft dezelfde vaalbruine kleur als de vogels. Patrijzen, misschien zelfs wel ‘Bartavelles’, steenpatrijzen, zoals in de film ‘La gloire de mon père’ naar het gelijknamige boek van Marcel Pagnol. Op winteravonden, als heimwee naar dit vrije zwerversbestaan me overvallen heeft, hoef ik de krekels uit de herkenningsmelodie van de film maar te horen of ik ruik precies dit dorre struikgewas.

Op de top van de heuvel is het geluid van de D-weg goed te horen, autootjes en vrachtwagentjes racen ver beneden ons. We zoeken in het vergezicht naar onze camping, tevergeefs, die ligt verscholen tussen de bomen.

Hoezeer we ook genieten van het uitzicht, het groen en de vage bergen in de verte, toch missen we stiekem de blauwe schitter van de zee.

Licht in het hoofd bereik ik de dolmen, la Tombe du Géant, het graf van de reus. Ook dit land staat bol van de legendes en het bijgeloof. Men geloofde dat de dolmen door elfen en reuzen gebouwd waren. Waarschijnlijk stammen ze uit 3000 tot 1000 voor Christus, het neolithische en bronzen tijdperk. Pak ‘em beet 4000 jaar oud, geen wonder dat er vrij weinig van over is gebleven. Vermoedelijk heeft er een deksteen op gelegen en was het ding zichtbaar vanuit de verte. Nu moet je goed zoeken en wederom, ook hier, de bordjes volgen.

Genoeg geklommen. Af en toe glijdend over de losliggende stenen dalen we de berg weer af. Het geluid van de weg vervaagt, klinkt met elke meter verder weg.

Struinen zonder conditie in de hitte is misschien niet zo’n goed idee, maar oh, wat een land.