We zijn snel opgebroken, de volgende dag. Wegwezen daar. Wonderbaarlijk hoe Gijs alles altijd zo netjes in de auto en het karretje gepakt krijgt.

Vandaag nemen we alleen kleine binnenweggetjes. Haarspeldklimmen in de eerste versnelling, lange hellingen in zijn twee. Af en toe achterliggers laten passeren en na iedere bocht een nieuw vergezicht. Dat ene bankje nodigt ons uit voor een picknick, de vriendelijke doch ietwat schurftige schapendoes doet er een schepje bovenop. Warme koffie, knapperig stokbrood, lopende brie, een nieuwsgierige hond en een zonnig dal vóór ons. Alle ingrediënten voor een perfecte lunch zijn aanwezig.

Een muzikale geest heeft de wegwijzer naar het gehucht Chante met stift bijgewerkt: ’Chantez la vie!’ Als ik zingen kon, deed ik dat. Nu trappel ik maar eens met mijn voeten waarop Gijs verbaasd opzij kijkt:
‘Wat gebeurt er?’
‘Niks. Ik ben blij.’
Ik snuif diep de droogte in. Wat een leven, wat een land. ‘Ik zou het ’t liefste in een doosje willen doen, en dan bewaren, heel goed bewaren….’ Toch een liedje.

We zijn in Kastanjebomenland, de bolsters zijn zo groot als groene tennisballen. Aan de voet van een kastanjebomenbos kijken een stel ouwe fransozen met blote bast -si vous me permettez ces mots- op van hun stokbroodje. Met volle mond lachend steken ze een duimpje op.
‘Bonne route!’
‘Bon appétit!’

La Turelure is praktisch leeg, samen met nog een Nederlands stel zijn we de enige gasten op de hele camping. Het is bijna doodstil, wat blaadjes ruisen en een enkele krekel knerpt. De plek is belachelijk groot, met een beekje, een rotswand daarachter en een klein zwembad voor ons alleen. De kastanjes eromheen staan op uitbarsten. Oui oui, c’est belle, la vie!

Vrolijk word ik ervan: de plaatsnaambordjes in dit gebied. Joyeuse (vreugdevol), Rosières (rozenstruiken), Prends-toi-garde (zoiets als ‘take care’ op zijn Engels). Notre Dame staat bovenop de toren te waken in het gelijknamige dorp. Een hameau dat zich Bellevue noemt klinkt bijna afgezaagd, daar zijn er zoveel van.

Happy word ik ook van rommelmarkten. De volgende dag suffelen we in Joyeuse over een brocante ofwel vide-grenier. Noem het een kofferbakmarkt met alle overbodige bende van zolder. Er liggen diverse luchtbuksen en geweren, het jachtseizoen is begonnen. Wat muziekinstrumenten, glaswerk en een oude aftandse wieg kun je voor een prikkie meenemen. Verbazingwekkend rustig is het hier, niets vergeleken bij de overvolle zomermarkten in het hoogseizoen. Tot slot een colaatje op een terras en mensen kijken, pa en ma zijn een dagje uit.

Met een grote slinger gaan we terug, via een kloof met mega kalkstenen formaties. Diep beneden ons zijn mensen aan het zwemmen. Soms pikken we vreemde lifters op, een blad een sprinkhaan, ze rijden ongestoord kilometers mee.

De campingkippen weten wanneer er gekookt gaat worden, dan komen ze aan gewaggeld. Van de campingeigenaar krijgen we hun verse eitjes cadeau. Aan de oever van het water zitten bevers, hoewel we iets zien bewegen krijg ik ze in de schemering natuurlijk niet op de foto. In de beek zitten eenden elkaar achterna en op de rotswand tegenover ons klimmen vijf of zes geiten.

Wanneer ik uit de douche naar de tent loop, hoor ik het signaal van een grote roofvogel hoog boven me. Boven de rotswand cirkelt een relaxte Circaète, een slangenarend, roepend naar zijn compagnon. Een tel later vliegt deze op uit de bosschages waar hij gefoerageerd heeft. Bij deze hele menagerie mogen de kikkers die in de namiddag een spreekkoor aanheffen natuurlijk niet ontbreken. Zo plotseling als ze allemaal tegelijk beginnen te brulboeien, evenzo abrupt stopt het koor ook weer. Het is avond. Welterusten.