In de wellness-ruimte die de entree is, ontsmetten we onze handen bij één van de belachelijk vele pompjes die kunstzinnig gereedstaan. Een zoetgevooisde stem, begeleid door een wazig muziekje, vertelt iets over de spelregels in het museum. ‘Laat u raken door de kunstwerken maar raak niets aan’. Voetstappen op de vloer markeren een ‘Knuffel op afstand’. Dat is vrágen om een group hug waarmee we de hele doorloop stagneren.

Omdat we elkaar al een eeuwigheid niet hebben gezien en gesproken, wordt het wel en het wee van zowat een jaar eerst bijgepraat in het Stedelijk Museum-café in Alkmaar. Drie meiden van de spagaatgeneratie, serieus als oude wijven en melig als pubers.

Een goedlachse suppoost houdt de deur voor ons open, geeft her en der uitleg en wijst de weg. Een spuitbus en doekjes ter desinfectie zijn nooit ver buiten handbereik. We hebben geen vooropgezet plan, op goed geluk volgen we haar suggesties.

We beginnen bij de tijdelijke expositie Paul Rijkens. De naam zegt het al: een rijke stinkerd die zijn geld niet op kreeg en uit pure arremoe maar kunst ging verzamelen. Zijn collectie is na 50 jaar weer grotendeels bij elkaar gebracht. Onze smaken en meningen zijn verdeeld over de schilderijen. Te donker, verkeerde of rare verhoudingen, een anorexia meisje met een waterhoofd. Slechts een enkel doek weet te bekoren.

Daarna komen we in de zaal ‘Portret van Alkmaar’. Portretten van 1600 tot heden van personen om en rond Alkmaar hangen kriskras door elkaar. Een jaren ’70 stripfiguurhoofd tussen de notabelen van de 17e eeuw. Een jurk van Karin Bloemen, de kop van Marco Borsato. Boeken van uitgeverij Kluitman, items uit Ringers’ chocoladefabriek. Herkenning en verrassingen.

Bij het zelfportret van Pieter Plas barsten we tegelijkertijd uit in ‘Pieter Plas, Pieter Plas was in z’n sas…’ op het wijsje van Pieter Post, met het rode postautootje uit de gelijknamige kleuterserie. We janken ons tranen van het lachen om deze gezamenlijke associatie. De hele dag door zweeft het onzinnige grapje ons achterna.

De zaalwachteres grinnikt met onze hilariteit mee. Ze dirigeert ons de trap op naar een grote afdeling met schilderijen uit de Bergense School. Ook hier wisselende smaken. We beginnen zachtjes maar al gauw becommentariëren we alles luidop. Dit is fascinerend, dat boeit niet zo, en kijk hier eens.

In het souterrain tenslotte bevinden zich twee permanente voorstellingen. ‘Victorie! Het beleg van Alkmaar in 1573’ is een interactieve opstelling, aan de hand van het dagboek van stadspensionaris Nanning van Foreest. De route op de vloer geeft precies de cruciale data in het beleg weer. In het ‘ooggetuigenverslag’ door middel van filmpjes komen een geus, een katholieke boer, een protestantse vrouw en een Spaanse soldaat aan het woord. Eigenlijk is deze rondgang door de tijd nog het leukste van het hele museum.

We zijn schilderijenmoe als we de laatste zaal over ‘De Gouden Eeuw van Alkmaar’. betreden. Al die schuttersstukken, ik vind het allemaal Nachtwachten. Ze lijken allemaal op elkaar, sorry. De landschappen zijn wel knap, of ze kloppen betwijfel ik echter.

De grandioze apotheose is het kolossale pronkstuk ‘Interieur van de Grote of Sint Laurenskerk’ door Pieter Saenredam. Geschilderd vermoedelijk rond 1661-1665. Je kunt ernaar blijven kijken en steeds meer nieuwe details opmerken. Zo verfijnd, naar mijn bescheiden mening doet geen Rembrandt of van Gogh hem dat na.

Ettelijke eeuwen na Saenredam lunchen we, nog steeds niet uitgepraat, op een terras tegenover diezelfde Grote Kerk. Wanneer ook de inwendige mens verzadigd is, nemen we met een afstandsgroepsknuffel afscheid in de eerste regendruppels. Dag, dag zonnige vrienden dag.