In lang vervlogen tijden, ik zat nog op de lagere school, probeerde ik mensen blij te maken met zelfgemaakte knutsels.

Lavendel bloeide overdadig in de tuin. Elk jaar werden er kilo’s bloeiende halmen geplukt, gedroogd en gerist om tenslotte de door mij geborduurde lavendelzakjes met geur te vullen. Lavendelzakjes zijn maar klein, de borduurpatronen dus ook. Met een uurtje ‘punniken’ waren er al gauw een paar af. Er met ma’s antieke naaimachine een zakje van stikken, borduurdraadje door de boord, vullen en klaar. Dankbare cadeautjes, want wie houdt er nu niet van een frisse kledingkast.

Met een zelf-gefabriceerde bloemenpers, gevuld met filterpapier van de wasemkap en kartonnetjes van de grootverbruik Matzedozen, werden boterbloemen, grasjes, bladen van de roodgekleurde acer, viooltjes, jasmijn- en hortensiabloesems, alles wat zich goed liet mangelen, vliesdun platgeperst. Met het altijd in huis aanwezige boeklon plakfolie werden ansichtkaarten of boekenleggers gemaakt. Een mooi fotolijstje, twee boterbloemen, drie grassprieten en een kunstwerk is geboren. Een stuk boeklon en wat bloemen als poëzieplaatjes versierden het poëzievers in het album.

De jaren verstreken, droogbloemen verkleurden en de lavendel verkruimelde, een stoflaagje in de sokkenla achterlatend. Alle creativiteit ging zitten in school, werk, trouwen, huis kopen en kinderen krijgen. En wat is er nu leuker dan voor die kinderen een meetlat te knutselen. Een kapstok. Een naambordje. Een muziekdoosje met Nijntje. Kerstverlichting was het hele jaar door te gebruiken als nachtlampje. Hout, verf en een figuurzaag, meer was er niet nodig.

Dat alles sleep je niet zo makkelijk mee op vakantie. Borduurwerk wel. Een schellekoord met molens was een aantal zomers later af en hangt nog steeds bij ons in het halletje.

Pastelpotloden gingen de jaren daarna mee op reis. Honderden kleurbladen met mandala’s uit voorbeeldboeken of van internet heb ik er ingekleurd, ordners vol. Gelegenheidsmandalas’s als trouw- of geboortedata ontwierp ik met een passer, sjablonen en geleende motiefjes.

Toen was de scheppingsdrang geblust. Schrijven, dat altijd als een rijgdraad door mijn leven is verweven, was het enige wat tussendoor opbloeide. Een half jaar Thailand, ik typte mijn vingers blauw. Om de twee, drie dagen een blog, er gebeurde genoeg -en tegelijkertijd te weinig- om een boek te vullen. “Een half jaar -en geen dag langer”. De titel was er zelfs al.

Begin dit jaar begon ik een nieuw project. Elke dag een haiku schrijven. Ik moet bekennen: de klad raakt erin. Er is namelijk een nieuwe/oude hobby opgedoken. Yasmin ziet me bezig en zegt: ‘Ma, nou ben je ècht oud!’. Integendeel kind, ik ben terug bij de kruissteekjes van weleer. In de tuin, in de schaduw, mindful punniken.

Ik (k)rijg weer een draad door de naald, probeer wijs te worden uit de mysteriën van het telpatroon en tuur me suf op draadjes splijtzijde die allemaal op elkaar lijken te lijken. Niet een heel tafelkleed, niet een heel bellekoord maar van die tuttige ouderwetse miniaturen met rozen die bij onze grootmoeders in het trappengat hingen. De oude patronen zijn helaas niet meer te vinden. Slechts één voorbeeld schilderijtje kwam bij mijn moeder op zolder tevoorschijn. Wanneer mijn vingers helemaal aan het ritme gewend zijn maak ik hem na. Borduurzijde en kaaslinnen genoeg. De voorraad van ooit, altijd bewaard.