Stel je voor:

Je bent 20 jaar en hebt na twee jaar intensief lessen en vier keer afrijden ein-de-lijk je rijbewijs gehaald. Autorijden is niet leuk, meer een noodzakelijk kwaad om makkelijk van Hilversum naar Alkmaar te komen.

Je krijgt zelfs een eigen autootje, een vaalgeel Fiatje 133. De motor ligt achterin, om te tanken moet de achterklep open om vervolgens een soort jampotdeksel van de benzinetank te kunnen losdraaien. Het begrip ‘choke’ is je onbekend, waardoor bij de eerste zelfstandige rit door het dorp iedereen verstoord omkijkt als je met donderend kabaal langsrijdt. Het apparaat blijkt zich tussen de twee voorstoelen te bevinden. De handrem vergeet je ook weleens, tot je er een keer ter hoogte van de Velsertunnel achter komt dat deze er nog steeds op zit. Nee, autorijden doe je zelfs in dit dotje niet voor de lol.

Diezelfde zomer krijgt vriendlief het in zijn bol. Hij stelt voor met zijn moeders Dyane naar Zuid-Frankrijk te rijden. Bij iedereen worden kampeerspullen bij elkaar gebietst en de auto wordt volgestouwd. Alleen… rijden met een eend, of in dit geval een Dyane, is een totaal andere tak van sport. Je zult opnieuw rijles moeten volgen. Geduldig krijg je instructies. Zo gaat hij in zijn achteruit, dan naar je toe rukken is de eerste, terugduwen en recht laten vallen is de tweede en rechtdoor naar je toe trekken is de derde versnelling. Bij 60 km/u moet je schakelen naar zijn vier, daarvoor verdraai je je arm ongeveer uit de kom. Daar zit de handrem, hier zit de choke. Dat is de ruitenwisserknop alias toeter en dat is de klikkerateur, richtingaanwijzer (clignoteur) op zijn eends. Tot zover de theorie.

En dan moet er een proefrit gemaakt worden. Voorzichtig door de rustige wijk waar weinig verkeer last van je kan hebben. Van ‘stuurbekrachtiging’ heeft in die tijd bijna niemand gehoord, dus je gooit je hele gewicht in de strijd om de bochten. Na een goed halfuur harken aan de rare versnellingspook uit het dashboard, begin je aan het ding te wennen. Na verloop van de rit gooi je hem nog maar zelden per ongeluk onder luid geprotesteer en gekraak in zijn achteruit.

De rest is geschiedenis. Die vakantie legt een basis voor het leven.

Stel je nu voor, 32 jaar later:

Je rijdt al die jaren in allerlei auto’s. Ze worden steeds moderner, luxer en groter. Rembekrachtiging, stuurbekrachtiging, airco, kinderstoeltjes komen en gaan. De laatste jaren vreet je je kilometers in een handzaam automaatje. Autorijden blijft een noodzakelijk kwaad maar wordt letterlijk een automatisme.

Tot er ineens een droom van een nieuwe oude blauwe eend, pardon, Dyane, op je pad staat. L’histoire se répète. Gemakzuchtig laat je je rondtoeren door manlief, tot je er niet meer onderuit komt. ‘Heeft Ma nou al eens gereden?’ De kinderen vinden je een watje.

Helemaal back to the future krijg je opnieuw je eerste rijles. Handrem, achteruit, naar zijn vier bij 60 km/u en rotondes in zijn twee. Met alle macht hang je in de bochten aan het vrachtwagenstuur en schakelen en sturen tegelijk is gewoonweg ondoenlijk. Hard werken op al die rotondes. Spierballen moeten er gekweekt worden. Maar oh, wat is autorijden eigenlijk leuk!