Als je zwanger bent van je eerste kind, ben je nergens op voorbereid. Tenminste: niet verder dan de eerste twee weken na de geboorte waar je met een beetje geluk kraamzorg in huis hebt. Een hulp die je leert luiers te verschonen, een badje klaar te maken en een wriegelige baby op de commode mini-rompertjes aan te trekken. Na die twee weken is het allemaal aan jou.

Opvoeden, grootbrengen. Af en toe voederen en knuffelen is niet genoeg. Mettertijd kom je erachter dat dat zo gewenste kind stilletjes je woning overneemt.

Er moet ruimte gemaakt worden voor een box. Wanneer de kleine gaat kruipen worden stopcontacten en deurtjes van beveiligingen voorzien, waardoor je elke keer weer het keukenkastdeurtje uit zijn scharnieren rukt als je het gedachteloos opentrekt.

Speelgoed, knuffels, Duplo, Lego en autootjes op de vloer. Papiersnippers en knutselspullen. Prittstiftkledder op de tafel. Ballpoint-inkt die je van je gloednieuwe bank moet poetsen. Glitters in je haar, je kleren, de fruitschaal en overal elders waar je het niet wilt hebben. Je leert ermee leven. Er komen nog twee kinderen bij om het gezin compleet te maken.

Peuters worden kleuters. Groeien op tot schoolkinderen. Op de basisschool wordt ze geleerd wat ‘hoort’ en wat niet ‘te doen gebruikelijk’ is. Op de middelbare school vliegen ze al een beetje uit, met de bus naar de grote stad. En dan zijn ze een jaar of 18-19 en gaan ze studeren, zo ver mogelijk van huis.

In eerste instantie komen ze dan nog, zoals het cliché wil, ieder weekend met hun wasgoed naar het ouderlijk huis. Elke week wordt om de week en om de week wordt eens per maand. Eens per twee maanden. Wanneer het zo uitkomt of pas als de diensten het toelaten.

Je bent net weer gewend aan het leven met zijn tweeën, het lege-nest-syndroom overwonnen. Rustig, schoon en netjes.  En jeeej! Dan komt er weer eentje thuis, twee als je mazzel hebt, voor een dagje, een weekend. Heerlijk. Want stiekem heb je ze verschrikkelijk gemist.

Binnen no time wordt je nette schone rustige huis terug overgenomen door vuile was, computers, opladers, schoenen en sokken, een jas hier en een vest daar. Je breekt je nek over een rugzak, doet alle lichten achter ze uit. De douche en de verwarming draaien overuren.

Maar oh, wat ben je blij dat het ontregelende kroost weer op honk is. Het zijn toch je kinderen hè. Bijzondere kinderen. En dat zijn ze.