Al die keren dat ik in Frankrijk en Thailand onderuit ging, viel of mis stapte, al die keren kwam ik er zonder noemenswaardige kleerscheuren vanaf. Een paar blauwe plekken en geschaafde knieën op de stoep in Cavalaire en een serieus verstuikt stuitje in Cambodja, dat waren de ernstigste kwetsuren. Tot een paar weken geleden.

Het plan is een rondje te fietsen richting Medemblik, we blijven dicht bij huis. Niets bijzonders zou je denken en juist daar gaat het mis. We zijn koud het tunneltje onderdoor als ik rechtdoor wil en Diana rechtsaf… Boem is hó.

Doezelig word ik wakker, zie de film van gebeurtenissen van vorige week voorbij komen. Ik denk nog: ‘nah, dit droom ik allemaal, ik hoef er nog niet uit.’ Ik heb geen idee dat ik midden op straat lig. Ik hoor stemmen die van alles zeggen maar er dringt niets zinnigs tot mijn brein door.

De ambulance komt zo, hoor ik. Ziekenwagen? Waarom? Ik til m’n hoofd op en zie -ieuw- een hoop bloed. Diaan, waar is die? Ik snap het allemaal niet en slaap weer verder. Ik lig wel goed.

Even later wordt er door gele pakken wat aan me gehannest tot ik zit en omhoog gesjord word. Twee stappen en ik mag op een bedje liggen. Gode zij dank heeft Diana niets, ze is zich alleen letterlijk een ongeluk geschrokken. Wel heeft ze Gijs weten te bereiken die even later ook bij de bus is.

De rit wordt gewijzigd, Hoorn is vol, we moeten naar Purmerend. Gijs rijdt met de auto van de zaak naar het ziekenhuis, hij zal in Hoorn wel doorgestuurd worden. Het interesseert me helegaar niks, ik zie het allemaal wel. Onderwijl worden mijn arm en enkel schoongemaakt, dat zijn slechts schaafwonden. Ineens dringt de schok tot me door.

In Purmerend kom ik op één of andere manier op een bed te liggen. Ze smeren de boel vol met lijm. De verpleger maakt nog een geintje dat al het haar eraf moet, maar zelfs dat kan me niet boeien. Gevoel voor humor is een beetje weg, sorry. Voor de zekerheid wordt er een scan gemaakt die geen nare dingen laat zien.

Ik mag naar huis. De rit lijkt nu uren te duren, ik ben blij wanneer ik thuis eindelijk plat mag liggen. Met een handdoek over het kussen want mijn hoofd is één stinkende roje bende. Ogen dicht. 

De volgende dag blijf ik in bed. ’s Avonds als Gijs thuis is kan ik eindelijk, heel voorzichjes, mijn haar wassen.

Hoe het nou precies gegaan is…? In de volgende dagen krijg ik wat details te horen maar het is allemaal buiten mij om gegaan. Of het iemand anders betreft. Raar. Het zal je maar gebeuren…

 


DANK! Aan Diana, die bij me bleef en me wakker gemaakt heeft. Aan de vrachtwagenchauffeur die gestopt is en 112 belde. Aan het echtpaar dat Diana opving en verving toen ze kramp kreeg. Aan Diana’s vader die toevallig langskwam, aan Diana’s meissie Manon die direct naar ons toe kwam. Aan Dieke die mijn fiets meenam. Dank ambulanciers. En natuurlijk heel veel dank aan Gijs die me thuis in bed stopte en me ook nu weer altijd steunt. DANK!