Waar zijn die zes maanden gebleven? Dat halfjaar dag in-dag uit op het balkon van het appartement? Thuis, zittend op de bank bevliegt me ineens een gek gevoel van vervreemding. Waar is die tijd, hoe was het, wat deden we? Het staat zo ver weg van hier.

Ik deed mijn ding: schrijven met zee-geruis en wind in mijn oren, wat zwemmen als het eens droog was, een boodschapje -maar vooral niet te ver weg-, een massage, een stukje langs het strand lopen… Waar is het gebleven?

Nu, hier, vol in het leven aanwezig. De tijd wordt gevuld met alle contacten die ik nu kan vasthouden plus mijn nieuwe werk. De verveling en rust van dat flatje zijn ver te zoeken. Tijd tekort, ik kom tijd te kort. Ik wil weer te veel, te snel. Alles.

Terugdenkend aan het nutteloze nietsdoen op het balkon weeg ik de situaties tegen elkaar af.

Geniet ik bewust van de schaarse stil-kalme momenten, thuis met muziek om me heen. Met kaarsen en lichtjes en straks een kerstboom.
Haal ik diep adem wanneer ik in bijna-vrieskou langs het kanaal loop en een reiger verontwaardigd schreeuwend wegwiekt.
Zie ik de zon spectaculair boven duinen of kale velden opkomen en zie ik hem boven een rechte vaart tussen de wolken ondergaan.

Mis ik een enkele keer wel het uitzicht ’s avonds in het donker op de vissersbootjes met hun groene lampen. ‘Hoeveel zijn het er vandaag? Zitten de mannetjes met hun lampen en hengels al klaar op de banden in zee? Hé, de baggerboot ligt verder in zee, de wind zal wel gedraaid zijn. De Chinese partyboot heeft het druk vanavond.’ Waar zijn die rustige avonden gebleven?

Wat gek dat dat allemaal nog maar zo kort geleden is. Wat leken zes maanden toen lang en wat zijn ze nu, na vier maanden, alweer ver weg.

Alsof ik toen, daar, als een toeschouwer heb geleefd, alsof ik er niet bij was, terwijl er duizenden en duizenden woorden en foto’s als bewijs zijn dat we het allemaal echt meegemaakt hebben. Lees ik de dagboeken, dan keren de beelden, geuren en geluiden, de tropische atmosfeer en de gevoelens en gedachten glashelder bij me binnen. Oja, dáár waren ze, toen, die maanden, weken, weekenden, dagen. Zó was het.

Soms grijpt het me, zittend op de bank. Als een onwerkelijke flashback van een bijzondere ervaring.