Zo’n hekel als ik vroeger aan de herfst had, zo blij word ik er tegenwoordig van. Van de kleuren, de bladeren, het strijklicht en de felle zon, de rode zonsondergangen, de mist-tinten ’s ochtends vroeg, de gekleurde, gekantelde halve maan en zelfs een sombere lucht. Zelfs op een bewolkte dag fleuren de kleuren me op.

Net als van de wolken maak ik bijna alle dagen foto’s van de bomen. Ik zet de auto ervoor aan de kant. De knalrode uitbundige esdoorns bij de haven. De helgeel juichende gingko’s langs een laantje naast een school, de stoep bekleed met een tapijt van gouden blaadjes. De roestige beuken langs de vaart, het water bezaaid met uitgewaaierd blad. De acer met zijn wijnrode gevorkte blaadjes. De berk met zijn miljoenen en miljoenen groengele bladsnippers voor de deur en de afgewaaide twijgjes waar je een heksenbezem voor Halloween van kunt maken.

Hoe leuk is het, te schoppen door de bladerhopen in de goten. En dan maar duimen dat er geen honden uitgelaten zijn. Het giechelende kind in mij is klaarwakker.

Strakjes, ja straks is dat alles veranderd in een gladde brei waar je over uitglijdt. Zodalijk staan de bomen kaal en bloot tegen de hemel afgetekend. Wat ook weer mooie plaatjes oplevert, als een wajangpoppenspel, kale armen geheven naar de dreigende lucht… huiveringwekkend spannende beelden waar ik me nu al op verheug.

Als je je ogen maar openhoudt, als je maar wilt kijken. Zo mooi is nu de herfst, zo mooi wordt straks de winter.
Heel gewoon, heel mooi.