Tweewekelijks of vaker rijd ik erlangs, Museum Singer, de verbouwing in 2017 heb ik van buitenaf helemaal kunnen volgen. Sinds mijn jeugd ben ik er echter nooit meer binnen geweest. Vandaag komt daar verandering in, we gaan de twee tentoonstellingen getiteld ‘De laatste impressionisten’ en de buiten geschilderde landschappen ‘En plein air’ bezoeken. Na een uur rijden zijn we eerst toe aan koffie met een dennenkoek.

We komen voor de schilderijen natuurlijk. Toch? Wat herkennen we en wat is nieuw, wat is saai en flets en wat spreekt ons wel aan. Audio-tour doen we niet aan, we lezen wel de bijschriften die we direct weer vergeten. Doen een paar stappen terug of zitten met ons neus zowat in het canvas, de penseelstreken ontledend of negerend.

Mauve, Maris, Breitner, Weissenbruch, Monet en nog zo’n paar namen. Hoe die met verf weten te spelen, hoe koeien licht lijken te geven, hoe een heidevennetje kan spetteren in zonlicht. Je ziet schapen gedreven worden, vissers wegschuilen voor de wolken dreigend boven de zee, een karrenspoor blubberend in de sneeuw, paarden die troosteloos huiswaarts keren. De interieurs met de theepartijtjes, de lang-gerokte dames poserend voor zacht-gekleurd licht dat door roederamen schijnt, het is allemaal even onwerkelijk als nostalgisch. Steeds zien we nieuwe dingen die we met elkaar delen. We genieten als een stel ouden van dagen die we nog niet zijn.

Het pand, de entourage, de erkers, het glas in lood, de schouw, het meubilair, het draagt allemaal bij aan de belevenis. In de lichte galerij langs de buitenzijde staan een aantal beelden van Rodin, waaronder -uiteraard- De Denker, De Smart en Twee handen als driedimensionaal toetje. Tegenover de beelden staat voor de lange ramen het tuinontwerpproces afgebeeld met zowel de oude foto’s en tekeningen als de nieuwe ernaast, zodat je niet alleen een idee krijgt hoe het er honderd jaar geleden uitgezien moet hebben, maar ook hoe Piet Oudolf te werk ging en het er nu uitziet.

Het is al ruim half twee, de magen knorren. Zo bejaard als daarnet, zulke uitgelaten tieners zijn we nu. De slappe lach zoals vriendinnen dat kunnen, heerlijk. We proberen zachtjes te doen maar kunnen een paar verstoorde blikken van enkele grijze Gooische duiven niet voorkomen.

De museumwinkel wordt aan een uitgebreide inspectie onderworpen, waarna we de beeldentuin induiken. De pergola en de orangerie zijn in tact of gerestaureerd. De tuin, de natuur met de herfstlucht van verstervend blad, bewaarde historie en nieuwe kunst, het vloeit hier allemaal samen. Het zijn vooral de beeldbepalende bomen die het hem doen, de kleuren, de hoge stammen die naar de hemel reiken. Dit is mijn thuisgrond.

Aangezien we zelfs na deze hele dag nog steeds genoeg te kletsen hebben, rijden we in mum van tijd weer huiswaarts. Vandaag een nieuw bedeltje aan de vriendenketting geregen.