We zijn op bezoek geweest bij ons nichtje, Yasmin en ik, de baby bewonderd die al bijna geen baby meer is maar een éénjarig onderzoekend rap kruipend dreumesje. Kastjes, deurtjes, laatjes, koffie kopjes, niets is nog veilig voor de ondeugende oogjes en handjes.

Gezellig babbelend rijden we na de koffie de woonwijk weer uit, hobbelend over de vele drempels. Vlak voor de rotonde begint Yasmin keihard te gillen. ‘Fietspad, fietspad!’ brult ze. ‘Ik weet heus wel dat ze van twee kanten komen, ik kijk toch al uit! Schreeuw niet zo in mijn oor!’ foeter ik terug. ‘Je laat me schrikken!’

‘Mahaaaa, FIETSPAD! Je zit op het fietspad!’ Yasmin komt amper meer uit haar woorden van het lachen. Ik schrik wakker, er begint iets te dagen. Shit, ik rijd écht op het fietspad. Net doen of ik gek ben is de tactiek, mijn naam is haas. Wie die woonwijk heeft ontworpen had duidelijk een hekel aan auto’s. Het fietspad gaat hier rechtuit maar de gewone weg maakt een vreemde kronkel. Ik zal vast niet de eerste zijn die blind rechtdoor rijdt.

Goed uitkijkend dat ik geen fietsers plat rij, zet ik bij de haaientanden mijn auto weer op het daarvoor bedoelde asfalt van de rondweg. Ik ontwijk de fietser met voorop een mand met klein wit hondje erin en negeer de verwonderde blikken van de Dacia-bestuurder die verward nog eens omkijkt ‘kwam daar nou echt een auto uit het fietspad?’.

Snikkend van de lach leggen we de rest van de weg naar huis af. We hoeven elkaar maar aan te kijken of we beginnen weer, de tranen biggelen over onze wangen. Werkelijk waar, ik heb Yasmin in al die 21 jaren nog nooit maar dan ook nooit zó hard haar moeder horen uitlachen. Zodra we het woord ‘fietspad’ horen, beginnen we weer.

Fietspad. Hoe een gewoon Hollands woord een golf van hilariteit kan veroorzaken.


© foto: 26 oktober 2003.