Na een rusteloze nacht op houten bedden wordt de route naar het park in slaperige stilte afgelegd. Bij de toll-gate van het Khao Yai National Park gaan de ogen oplettend open: op jacht naar olifanten.

De bergen hangen in de mist, maar het is droog. Na ongeveer 30 kilometer dwars door het park komen we bij het bezoekerscentrum waar we koffiedrinken. Daarna gaan de dichte schoenen en sokken aan om het héle, heel kleine rondje te lopen. Van top tot teen ingepakt en dik ingesmeerd met 40% DEET gaan we welgemoed op pad.

Het is benauwd en veel natter en gladder dan twee maanden geleden. Naast me hoor ik gekraak tussen de bomen. Zouden er dan toch… olifanten? Sssst. Stil eens?
De vier voor me staan doodstil ergens naar te kijken. In de zwiepende boomtoppen darren, hangen, springen, zitten een paar wit-hand gibbon aapjes. De zwarte gezichtjes piepen tussen de takken door. Lastig te fotograferen, het zijn zoekplaatjes geworden.

Als we verder lopen wil ik gedachteloos een kriebel -een haar? een druppel zweet?- wegvegen. iiieuww. ‘Yasmiiiiiin! Ik heb een beest!’ Hij zit op mijn zij, op een plek waar ik het zelf niet goed kan zien, waar ik niet bij kan. Mijn vermoeden van een bloedzuiger blijkt correct. HOE???? Hoe ben ik in vredesnaam op díe plek aan een bloedzuiger gekomen, ingepakt als ik ben? Het is me een groot raadsel.

Gijs komt teruglopen, mopperend ‘wat zijn jullie nou allemaal aan het doen, loop eens door’. Ik krijg de slappe lach: ik kan verdorie écht nix ondernemen of ik heb wel iets te pakken. Met een doekje en grof geweld trekt Gijs voorzichjes het nog kleine beest -glurp- van mijn vel. Echt loslaten wil hij niet. Hij is ook niet genegen om vervolgens het doekje los te laten. Ondertussen loopt er een dikke bloeddruppel richting mijn broekband, die net op tijd tegengehouden kan worden.

Leve het ‘onderweg etuitje’, waar altijd sterilon en pleisters in zitten. Het doet geen pijn, de sterilon prikt niet, het jeukt hooguit een beetje. Ik word er melig van. Alle websites over dit park waarschuwen voor die beesten. Vandaar de sokken, dichte schoenen, lange broeken en de ladingen muggenspray. En toch is er eentje die mij lekker vindt. Komisch.

Yasmin zegt: ‘niet tegen de jongens zeggen hoor’ maar dat krijgt Gijs niet mee. Wanneer Casper en Robin komen vragen wat er aan de hand is en het woord bloedzuiger horen, zijn ze verdwenen. Voor hen is een bloedzuiger teveel ‘wild life’.

Terug bij het sanitair-blok controleren we elkaar op teken en andere beesten, gelukkig niets te zien. Dit was gewoon een toevalstreffer. Ik begrijp nog steeds niet hoe ik aan dat beest kwam.

Bij de volgende waterval blijf ik bij het eerste informatiebord halverwege wachten. Ik herinner me de steile trap en gezien de hoeveelheid water die nu naar beneden gedenderd komt, zal het een stuk gladder zijn. We moeten het geluk niet tarten, ik ben vandaag nog niet gevallen.

Nu zien we pas het imposante van die waterval, iets wat vorige keer met veel fantasie voorgesteld moest worden. Beneden maken Gijs, Casper en Yasmin mooie foto’s van elkaar, het water en van troepen gave iriserende vlinders. Tsja, die mis ik nu. Gelukkig hebben we de foto’s.

We slaan we af naar het view point, 12 kilometer lang omhoog cirkelen tot het uitkijkpunt op ongeveer 1300 meter hoogte waar we niet verder mogen. Het is er hooguit 24 graden, brrr. Het water stroomt met forse kracht door diverse geulen langs de bergwand. We zitten boven de wolken, zien geen moer van het uitzicht en toch is het mooi.

Later op de terugweg zit er opeens een hele troep apen op het smalle asfalt. Noordelijke Laponderaap of makaak. Jahaa, ik heb het opgezocht. Gelukkig zijn er even geen tegenliggers, zodat we heeeeel langzaam uitgebreid uit de ramen hangend kunnen fotograferen.

Geen olifant gezien. Wel veel aapjes, kleine herten, veel vlinders, een bloedzuiger… de familie is op safari geweest.