Dag twee. Zonder al teveel spierpijn kijken we nieuwsgierig uit naar wat deze dag brengen gaat.

Angkor Wat, Stad der Tempels. [begin 12e eeuw, oorspronkelijk hindoeïstisch, gewijd aan Vishnoe, latere boeddhistische toevoegingen]. Een paar feitjes: Angkor betekent stad, Wat is tempel. Totale oppervlakte van de tempelberg, de slotgrachten en omringende stad omvatten meer dan 200 hectaren. Angkor Wat staat op de Unesco Werelderfgoedlijst en is zustergebied van Borobudur in Indonesië.20180617_015048021_iOSBij deze topattractie is het natuurlijk druk. Over een wiebelpontonbrug volgen we de busladingen toeristen naar binnen, de originele hoofdbrug is niet voor publiek toegankelijk. Aan de overkant zwermt iedereen zijns weegs.

We moeten even in de rij staan om naar boven, naar de Bakan -het centrale heiligdom-, te mogen. Dáár hebben we die paraplu voor meegenomen, om in de schaduw te staan. Ideaal idioot. De hele rij staat goeddeels onder een afdak van plu’s.

Hand over hand, tree voor tree beklim ik de houten trap. Gaat niet zo snel maar ik kóm er wel. Net als gisteren ben ik trots als ik boven ben. Daarna lopen we in de schaduw van de galerijen waar het lekker doortocht. Die trap? Ben ik alweer vergeten.

Uiteindelijk zijn we nagenoeg uit de kluwens luide mensen. De snijwerken zijn schitterend. Je slaat een hoek om en voor je uit zie je weer tientallen strekkende meters waarvan geen centimeter onbewerkt. Geweldige staaltjes beeldhouwkunst. Zo fantastisch, je blijft kijken. Zo precies gerestaureerd dat het net is alsof er geen 1000 jaar weer, wind en oorlogen aan geknaagd hebben.

We hebben meestentijds geen idee wáár we precies naar kijken. Toevallig staat een Engelssprekende gids uitleg te geven aan een paar mensen. Eentje vraagt of het een verhaal over oorlog is, ‘war’.  Nee, verklaart de gids, het is het verhaal van de wereld, ‘the world’, van de mensheid. En gaat verder: ‘iedereen heeft goed én kwaad in zich’. Hij wijst op zijn hart en buik. ‘Everyone, you, me, you, you and you. Everyone has the choice to choose for good or for evil’. De dualiteit die iedereen in zich meedraagt, wordt in enkele woorden duidelijk gemaakt. Iets om over na te blijven filosoferen.

Ik maak heel langzaam mijn foto’s zodat ik meer kan meepikken, tot ik de rest vanaf de zijlijn helaas niet meer kan volgen. Dan haast ik me verder naar Gijs die op het end van de galerij geduldig op me staat te wachten.

Voor mij zijn deze plekken als gewijde grond. Ik word zo geïmponeerd door de overweldigende bouwwerken, door mensenhanden opgericht, zo overweldigend groots, dat ik met stomheid ben geslagen. Wauw komt het dichtst in de buurt om de magie te beschrijven.

Wat waren dat voor mensen met het architecturale vernuft, gecombineerd met de spirituele filosofieën en mystieke symboliek, ingewijd in ’s werelds mysteriën die dit konden ontwerpen?

Hoe? Wat hadden deze bouwers voor hoeveelheden mankracht, gewone spierkracht dat ze deze stenen konden verplaatsen? Wat voor goden-geduld om al de bas-reliëfs uit te snijden? Elke steen te voorzien van versieringen?

Maar ook de vraag hoe het volk er in die tijden gebruik van maakte, hoe beklommen zíj die smalle immens hoge treden van de steile trappen? Hoe bewúst waren ze van de dimensies van het geloof dat ze volgden, het hindoeïsme, boeddhisme? Werden daarom alle verhalen als stripverhalen op de galerijen ontworpen? Om te onderwijzen?

Allemaal vragen waar ik slechts naar kan gissen. Een extra lading aan het raadselachtige, wonderbaarlijke waar ik nog lang over blijf nadenken.

Heden ten dage komen er hijskranen aan te pas en machines, om met het materiaal dat er al ligt de archeologische site te reconstrueren, te restaureren. En dan maar hopen dat dat ondanks de verschillende technieken in hetzelfde gedachtegoed gebeurt als ruim 1000  jaar geleden. Ga eens na. Duizend jaar oud. Dan heb je het over duurzaamheid. Onvoorstelbaar.

Oja. Die trap. Die moeten we ook weer af… Kalm kan ik nu mijn tijd nemen. We zwerven een poos her en der rond, ik ben al totaal elk gevoel van richting kwijt. We zien denk ik de helft nog niet.

Enigszins wiebel en met de trillende overbelaste spieren bereiken we de overkant van de drijvende toegangsbrug.

Balil rijdt ons naar Bayon. [12e -13e eeuw, hindoeïstisch en boeddhistisch].

Van elke zijde van de achtkantige hoofdtoren en van alle kanten van de andere torens kijken vreedzaam glimlachende gezichten op ons neer. Het gaat je voorstellingsvermogen gewoon te boven, zo onbeschrijflijk, niet in woorden te vatten, het gevoel dat ons omringt. Om stil van te worden. Er zijn verschillende theorieën over de gezichten, ik hou het erop dat ze Avalokiteshvara of Boeddha verbeelden. Vol compassie en barmhartigheid. Alwetend en beschermend. Waardoor je met meer mededogen naar jezelf en je medemens gaat kijken. Dat voel je, dat komt bij je binnen.

Ook hier zijn bijna alle galerijen tot in detail versierd en bewerkt. Wat is het hier prachtig en vreemd rustgevend. Nog meer klimmen, traptreden van steen soms bijna hoger dan je eigen been. Mijn dijbeenspieren krijgen het zwaar te verduren deze dagen.

Na tientallen hoeken omgeslagen te zijn van vierkante torens die allemaal op elkaar lijken, hebben we nu allebei geen idee meer waar we binnen zijn gekomen. We lopen een rondje extra langs het ‘Huis met de Hoofden’.

Daarna worden we bij Ta Keo, ‘Berg met de gouden toppen’ gedropt [eind 10e eeuw, hindoeïstisch]. Een massieve, zeer steile, zandstenen tempelberg, die praktisch niet gedecoreerd is geweest.

De trap naar boven is hoger en inderdaad steiler dan wat we tot nu toe tegenkwamen. Het rondje rondom is naar ons gevoel teveel gerestaureerd met de poreuze zandsteen als een legoblokkendoos keurig afgewerkt. Waarschijnlijk wel precies zoals het was en hoort, maar ons te netjes, te clean. Er straalt niets van uit, zoals bij de vorige tempels.

Weer een trap leidt naar het volgende niveau, met smalle treden van maximaal 10 centimeter diep en minstens 60 centimeter hoog. Doen? Ach, we zijn stoer, tot nu toe gingen al die trappen goed. Toch?

Op handen en voeten klauter ik naar boven. Terug wordt het sittebom, dat weet ik nou al. Boven is eveneens weinig te zien. Gijs beklimt zelfs de laatste trap, boven staat een klein altaar. Ik geloof het wel, ga met benen gestrekt onder mijn plu op een rotsblok zitten als het begint te regenen.

Na vijf minuten is de bui weer over. De rode modder staat vol met plassen. Daar gaat m’n sittebom idee. Help. Hoe ga ik dan die trap aanpakken. Me overal aan vasthoudend probeer ik mezelf op de glibberige stenen half in spagaat naar beneden te manoeuvreren. Blijven concentreren.

De laatste trap terug en daar staat Balil braaf te wachten.

Nog één tempel heeft hij in de aanbieding, Ta Prohm. [eind 12e-begin 13e eeuw, boeddhistisch]. Ik vind alles best, maar loop geen enkele trap meer.

Terwijl Balil ons aan de andere kant opwacht lopen we vol verbazing langs 400 jaar oude bomen die overal dwars door en overheen groeien. De site is intact gelaten zoals men hem indertijd ontdekt heeft, de natuur krijgt zo goed als vrij spel.

Op een stapel puin zit een meisje in kleermakerszit één van de hoeken te schilderen. Wij scheuren overal langs, knip, knip, foto na foto, – ondanks het gefotografeer genieten we wel volop van deze plek- en zij zit volkomen vredig, ongestoord door al het volk dat voor haar langsloopt, te schilderen wat wij net met de camera probeerden te vatten. Ik hoop dat mijn foto’s een beetje van de sfeer kunnen laten proeven, zoals zij dat op haar papier penseelt.

Door een prachtige, met eeuwenoude bomen omzoomde, oprijlaan door het oerwoud lopen we terug. Drup drup drup. We kunnen drie kanten uit, wáár staat die tuktuk? Rennend onder de paraplu leggen we de laatste meters af.

Balil hijst zich net in zijn regenjas en ritst alle tentflappen aan de zijkanten naar beneden. De weg is slecht, het water stroomt. Halverwege klaart het iets op en worden de voorste luiken weer opgerold. Dan zien we tenminste íets.

’s Avonds lopen we de stad in. We neuzen wat rond en pingelen af bij een paar souvenirs en een bronzen bel. Gijs googelt een Indiër. Je struikelt erover, er zijn er genoeg, maar oké. Op het bord staat veggie tali voor 4$, wat mij betreft hoeven we niet verder te zoeken. Het is inderdaad he-re-luk.

We genieten, ontspannen hier. Zó totaal anders dan het verrotte Pattaya. Pubs, ja. Restaurants, ja. Winkels met allemaal dezelfde souvenirs, Cambodja broeken, sjaals, hout en zilverwerk, ja. Maar niet een aaneengesloten rij stinkende etensstalletjes, niet de wolk van uitlaatgassen. De aanklampende verkopers en tuktuk-rijders zijn fanatieker, maar veel vriendelijker. Minder gehard. Minder agressief.

Overal staan vuilnisbakken, die ook worden geleegd. Men gooit niet achteloos zijn Starbucksbeker neer waar die valt. Stoepen, goten en straten worden geveegd. Nee, dit half-koloniale sfeertje is zoveel prettiger dan de onverschillige arrogantie in Pattaya.

We sluiten deze enerverende dag, dit fantastische weekend, af met een laatste drankje bij het zwembad. Na die ene frozen margarita slaap ik -conform de naam van het hotel- als een roos.

De volgende dag voldoen we de bescheiden rekening van de excursies en drankjes. Hier kun je zelfs als backpacker nog rondkomen.

Balil rijdt ons kalm slalommend tussen de uitparkerende bussen door naar het schattige vliegveld. Schoon, licht, klein. Paar souvenirshopjes. Een heerlijke cappuccino, plassen, boarden. Alles op 20 meter loopafstand van elkaar. Geweldig. Over het macadam lopen we naar het vliegtuig.

De rit vanaf Bangkok terug naar het gekkenhuis gaat vlot. Thuis. Ik was de harde wind hier vergeten…

De dagen erna ben ik bezig met de foto’s sorteren en de vele bladzijden uit mijn schrijfschrift hierboven over te nemen. De vredige wolk zweeft nog steeds in mij rond.


Bron:
Ancient Angkor © 2013, Michael Freeman & Claude Jacques, River Books Ltd, Bangkok.
Wikipedia en diverse andere websites als tripadvisor, lonely planet, azië-expert.